‘mijn gedichten dansen met elkaar’

Op initiatief van Pieter Boskma vindt op 19 mei de Paul van der Steen Fundraising Night plaats bij Perdu in Amsterdam. Meer dan 25 schrijvers treden kosteloos op om geld bijeen te brengen voor de uitgave van het werk van Paul van der Steen, die drie jaar geleden overleed.
Een gesprek met de schrijver van Simpel heelal. Uitgeverij In de Knipscheer, 144 blz., f39,50
IN 1987 DEBUTEERDE hij met de dichtbundel Quest, die de De Avonden-prijs kreeg. Een jaar later was hij een van de ‘Maximalen’. Toen de storm die die dichtersgroep door de Nederlandse literatuur liet waaien enigszins was geluwd, publiceerde Pieter Boskma (1956) de bundels De Messiaanse kust (1989) en Tiara (1991) en de novelle Een foto van God (1993). Zijn verleden heeft hem lang achtervolgd. Bij elk nieuw boek dat hij publiceerde werd hij steevast ‘ex-Maximaal’, ‘voormalig Maximaal’ of gewoon nog steeds ‘Maximaal’ genoemd.

Inderdaad was hij een van de dichters die in 1988 luidruchtig en opgefokt de frontale aanval openden op de levenloze, verstilde poezie die toen de boventoon voerde, maar voor hen die zijn werk goed lazen was het glashelder dat de schreeuwerige bravoure der Maximalen hem nooit eigen is geweest. Met zijn vierde dichtbundel, Simpel heelal, laat Boskma zien dat hij een eigenzinnig dichter is, met een volstrekt eigen geluid, die het collectief knuppelwerpen van Maximaal allang ontstegen is.
Op een heldere woensdagmiddag ontvangt de dichter me. Hij staat me met een zonnig gemoed te woord, lacht veel en citeert galmend uit eigen werk.
VERTEL NOG EENS, opa. Hoe zat het ook alweer met Maximaal?
‘Nou jongen, ik kan me herinneren dat er voor 1988 al van alles broeide. Er gebeurde veel, allemaal jonge mensen vol dadendrang. Tijdschriften werden opgericht, nieuwe schrijvers dienden zich aan. Er hing een zekere euforie in de lucht. Maximaal kwam eigenlijk uit De Held voort. Veel jonge dichters ageerden tegen de poezie in de gevestigde bladen - Maatstaf, Tirade, De Revisor. De toon daarvan beviel ze helemaal niet, dat hermetische, dat academische. Het lag al een tijd in de planning om een bloemlezing te maken, en dat is door Arthur Lava toen gedaan. Dat werd Maximaal, een uitgesproken poeticale bundel, met een heel opstandig geluid. Inhoudelijk had het volgens mij beter gekund, maar als statement was het overtuigend. De Maximalen vonden dat al die “witdichters” maar eens moesten ophouden. Het was tijd dat er een poezie kwam die meer “van deze tijd” was, dat “het juk van het grote niets” werd afgeschud.
Er was een vacuum in de poezie, waar Maximaal op reageerde. Vervolgens stortte de literaire kritiek zich daar weer op, op een uiterst agressieve manier. Ik nam het allemaal niet zo serieus, voor mij was het vooral een spel. Het heeft me altijd verbijsterd dat de dingen die toen werden gezegd, in euforie of als grappenmakerij, zo doodserieus werden genomen. Maar iedereen vond het heerlijk dat er eindelijk weer eens een groepje schrijvers was dat wat leven in de brouwerij bracht. Want het was natuurlijk, neem me niet kwalijk, een dooie boel. Dat is het ook gebleven. Het poeziewereldje is nou eenmaal vreselijk saai.’
Alles moest anders?
'De poezie lag op apegapen, was bijna dood. De academische poezie, van de epigonen van Faverey en zo, maakte de dienst uit. Die gedichten zijn raadseltjes. Je hebt een academische sleutel nodig, waarmee je ze kunt ontraadselen. Zo gauw je het cryptogram hebt opgelost, is het afgelopen. Dan laat het gedicht niets meer te raden over, dan is het dood. Want er is maar een mogelijke “oplossing”. Mijn poetische bloedbroeder Paul van der Steen - God hebbe zijn ziel - en ik besloten dat er anorganische en organische poezie bestond. Wij wilden organische poezie schrijven: levende, dynamische, telkens veranderende gedichten. Maar dat was al lang voor Maximaal.’
Je hoorde in die tijd bij de avantgarde. Hoe zit dat nu?
'Ik moet altijd denken aan wat Gerard Reve zei: “Alles wat nieuw en oorspronkelijk is, is slecht en waardeloos.” Ik ben niet zo'n vernieuwer, nooit geweest ook. Daar streef ik niet naar; en echte vernieuwing bestaat eigenlijk niet. Elke avantgarde wordt traditie, als het goede poezie is. Dat is tegenwoordig ook grappig om te zien: de avantgarde is traditie en de traditie is avantgarde. Als je nu de rode draad weer oppakt, zoals ik wil doen, is dat vreemd, of zelfs avantgardistisch.’
Rode draad?
'De grote, klassieke lijn, van Gorter via Nijhoff naar Achterberg.’
Wat spreekt je zo aan in Gorter?
'Dat hij steeds weer de grens van de sentimentaliteit opzoekt, en soms net over dat randje gaat. Zijn muzikaliteit, zijn enorme durf, schitterend. Dat liefdevolle, gedreven stamelen. Dan heb ik het vooral over de sensitieve verzen en de Mei. Dat vind ik echt een kolossaal ding.’
En Nijhoff?
'De sterke vormbeheersing. Het na te tellen metrum. Vooral Awater en Het uur U zijn groots. En Het lied der dwaze bijen, een soort twintigste-eeuws Dies irae.’
Achterberg?
'Achterberg is fantastisch in de compacte compositie. Alles klopt bij hem. Elk gedicht is volmaakt in zichzelf besloten, zonder dat het doods wordt. En 900 van de 1000 gedichten gaan over hetzelfde, terwijl ze uiterst leesbaar blijven. Heel knap.
Gorter, Van Ostaijen, Nijhoff en Achterberg behoren tot de grootste Europese dichters van deze eeuw. De Nederlandse poezie van de afgelopen honderd jaar is sowieso van hoog niveau; beter dan het proza.’
HEB JE DIE opstandige Maximaal nog in je?
'Ik keek van de week naar het journaal, naar de Nacht van de Poezie. Helemaal vergeten dat-ie er was… Zag je zo'n katheder, zo'n Schiphol-persconferentiekatheder, en Eva Gerlach kwam voorlezen. Dat was natuurlijk heel bijzonder, want ze “schuwt de publiciteit” en “het is toch wel heel erg goed, hoor”. Vanachter die katheder mompelde ze: “…het rood achter het rood…”
Ik dacht: Wat is dit allemaal kut, zeg. Ik werd volkomen anti en ging naar bed. Sta ik in mijn slaapkamer mijn pyjama te zoeken, mijn rode pyjama, kijk ik in de kast, en daar hangt een rood jasje. Ik haal dat rode jasje weg en daarachter hangt mijn pyjama! Het rood hing achter het rood. Toen wist ik het: Dat is de message. We zijn nergens tegen! Laten we daar in godsnaam eens mee ophouden. Ik ben niet tegen het huis van die en die mensen, of tegen het hutje van die en die vrouw… Ik ben alleen voor het eigen paleis.
Ik ben iemand van de nuance. Polariseren en provoceren om het provoceren ligt me niet. Er werd in de tijd van Maximaal nogal gefulmineerd tegen Faverey. Dat vond ik onzin. Faverey is een heel goede dichter. Wat ik oninteressant vind, is die hele generatie na hem, die zijn verworvenheden overneemt maar er niets aan toevoegt, die alleen de vorm uitmelkt. Puur manierisme. Dan lees je steeds weer hetzelfde: 'Ik zie de boom// daar waar hij niet is’, met een witregel ertussen.’
In hoeverre reageer je in je eigen poezie nog op die van anderen? Hoe poeticaal is 'Simpel heelal’?
'In de eerste plaats is het een lyrische bundel, over liefde, dood en de overwinning op de dood. Dat laatste zie je met name in het tweede gedeelte, het zeventig pagina’s lange gedicht “Altijd weer dit leven”. Toch is er een afdeling waar de poezie een stem voor zichzelf opeist en zich ergert aan het voorafgaande, maar that’s it. En ergens staat: “Wat moet men met een vers/ waarin niets kan stinken,/ niets dat levend en met naam/ geschilderd voor ons oprijst/ en dus ontbinden kan/ omdat het werkelijk bestaat?” Daar kan ik het even niet laten om een sneer uit te delen. Het gaat verder met: “Zo'n vers vol leegte: een in/ zichzelf verdwijnende/ sneeuwwitte redenering,/ een poeslieve abstractie/ van het grote in het kleine,/ een wederkerend voornaamwoord/ als ultieme metafoor…/ Echt vers is wat ontbinden kan,/ ik heb het zelf ervaren;/ pas waar het riekt/ wordt iets klassiek.’
Dit is natuurlijk erg grappig, maar tegelijk bloedserieus. ’'Een wederkerend voornaamwoord als ultieme metafoor”, dat is wat je bij de Faverey-epigonen telkens weer ziet. Altijd weer dat 'zich’. Maar Simpel heelal is geenszins een poeticaal boek. Het is nergens tegen. Een heel optimistische bundel eigenlijk, ondanks dat hij veel over de dood gaat.’
'Echt vers is wat ontbinden kan’ - een cruciale regel voor jou?
'Dat heeft weer met die organische poezie te maken. Iets wat leeft vergaat, en bederft. Ik kan mijn leven niet los zien van mijn werk; dat is hetzelfde.
In de afdeling “Simpel heelal” heb ik het “ik” radicaal weggehaald uit de poezie. Ik wilde wel eens weten wat je dan overhield. Een simpel heelal dus, een collage van indrukken, beelden, gedachten en aforismen, met een voortdurend broeien onder de oppervlakte, iets op de achtergrond dat naar buiten wil. Aan het eind van die cyclus blijkt de enige mogelijkheid om te kunnen bestaan toch weer dat het lyrisch ik een stem krijgt - let wel, een lyrisch ik, een lyrische stem, om begrip door de chaos te zingen.’
Dat is ook wat de bundel in al zijn veelzijdigheid toch tot een eenheid maakt?
'Ja. Alle gedichten reageren op elkaar, becommentarieren, versterken en ontkrachten elkaar. Kortom, ze dansen met elkaar. En steeds weer anders: de ene keer een walsje, dan een polka, dan een houseparty. Na al die paden te hebben bewandeld en al die poetische mogelijkheden te hebben onderzocht, heeft de dichter (en met hem de lezer) alles op een rijtje gezet. Wat blijft er dan over? Het leven, het eigen bestaan. De eigen stem. De bundel eindigt dan ook met een lofzang op het leven en de lyriek, als een nietzscheaanse Bejahung van het bestaan.’
Dat romantische heeft er altijd wel ingezeten?
'Voor mij is alle grote kunst, of alle kunst uberhaupt, romantisch. Het zoekt een uitweg uit het bestaan, levert er commentaar op. En alles wat een uitweg zoekt uit hoe de dingen zijn, is romantisch. Maar men heeft mij zo veel etiketten opgeplakt… Een “plechtstatig dichter a la Ouwens”, of een “Roland Holst on acid”, “expressionist”, zelfs een “kosmisch expressionist”. Ik geloof dat mijn poezie niet makkelijk in een hokje is te stoppen. Ik denk dat ik de eenling ben geworden die ik altijd al was. Waar heb ik dat ook alweer gelezen?’