Halil Gür, pionier van de nieuwe Nederlanders

‘Mijn geloof is: mensen!’

Halil Gür kwam in 1974 naar Nederland. Zijn eerste verhalen gingen over zijn leven als Turks gastarbeider. In de jaren negentig schreef hij jeugdboeken. Nu publiceert hij een bundel met gedichten.
HALIL GÜR
Stamppot voor iedereen, gedichten
De Geus, 61 blz., € 14,90

Halil Gür is trots op alles wat de Nederlandse schrijvers van buitenlandse afkomst hebben bereikt. Maar hij kijkt er ook enigszins vreemd tegenaan. Hafid Bouazza en Abdelkader Benali werden geboren in 1974, het jaar dat hij naar Nederland kwam. Kader Abdolah heeft hij geholpen zijn uitgever (De Geus) te vinden. Zelf stond hij in de jaren tachtig, als chroniqueur van het leven van buitenlandse arbeiders, in het middelpunt van de belangstelling. Zijn eerste gedichten, in het Turks en in het Nederlands, werden in 1995 toegejuicht als het hoogtepunt van de Nacht van de Poëzie. Hij heeft er grote behoefte aan zijn stem te laten horen, liefst op scholen, in bibliotheken, en als dat zou kunnen ook in moskeeën. Maar dat is nu moeilijk geworden in Amsterdam, de stad van zijn ‘wedergeboorte’, als schrijver.

Bijna geen van zijn boeken is nog verkrijgbaar in de winkel. Arbeidersverhalen zijn niet echt in de mode, anders was er al lang een verzamelbundel van hem te koop geweest. Zijn fantastische jeugdboeken, zoals Mijn grote oma en Ik danste met engelen, zijn verschenen bij een uitgever (Piramide) die helaas niet meer bestaat, en worden daarom niet meer herdrukt. Over zijn gedichten krijgt hij elke dag brieven van enthousiaste lezers. Die waarderen het universele standpunt dat hij inneemt en ze herkennen zijn eenzaamheid, zijn doodsangst, zijn pleidooi voor liefde, zijn geloof in een God die wat hem betreft even goed Jezus, Allah of Jehova mag heten. Zijn boodschap, dat alle mensen gelijkwaardig zijn, is juist nu belangrijk, maar hij komt er meestal niet verder mee dan het Iraanse ‘vertelcafé’ bij hem om de hoek in de Jordaan.

Halil Gür houdt van rituelen: schoenen uitdoen, een kaarsje aansteken, thee met zoete Turkse koekjes. Hij voelt zich als dichter een ‘lichtdrager’, zegt hij: ‘Het licht kan de duisternis transformeren. Ik voel me een drager van licht, net zoals een vuurtoren die hoog op de rotsen staat, op een moeilijk punt aan de kust, om de schepen naar een veilige haven te brengen. Zonder onderscheid te maken, dat doet een vuurtoren ook niet. Een vuurtoren vraagt niet uit welk land een schip komt of welk geloof ze aan boord hebben.’

Ook voor Halil Gür was 11 september 2001, de aanslag op de Twin Towers in New York, belangrijk. Hij stond net op het punt het eerste gedicht van zijn nieuwe bundel te schrijven en plotseling wilde hij zijn pen in wanhoop weggooien. Hij raakte in een shocktoestand, viel ten prooi aan gevoelens van desillusie en verwarring, zoals hij in het voorwoord van zijn bundel schrijft, hij besefte plotseling dat de taal die hij hanteerde verouderd was. Hij besloot dat hij in een ‘derde taal’ moest schrijven, een universele taal die iedereen zou kunnen begrijpen. Hij wilde in zijn gedichten ‘het verleden naar het heden en het heden naar de toekomst brengen’.

Zelf werd hij in 1951 geboren in een groot gezin in Zuidoost-Turkije, in een klein dorp, Karakise, waar zijn vader dorpsdokter was. Hij ging naar de middelbare school in de stad Gaziantep. Daarna ging hij naar Istanbul om architectuur te studeren, en toen hij daar geen geld meer voor had werd hij gids voor buitenlanders. Het was alsof de hele wereld – Engelsen, Fransen en ook Nederlanders – naar hem toe kwam. Vooral Nederland trok hem aan, het was de tijd van de hippies, van vrijheid en verbeelding, waar hij nog altijd nostalgisch naar terugkijkt. In 1974 kwam hij op een vakantie naar Amsterdam en hij besloot daar te blijven. Als illegaal arbeider had hij allerlei – ook smerige – baantjes. In 1981 werd hij na een ‘generaal pardon’ gelegaliseerd. Toen had hij al verscheidene verhalen gepubliceerd, met name in De Groene, over het leven van een weeskind en een schoenpoetser in Istanbul en van gastarbeiders in Nederland. Dat was ongekend. De stem van de buitenlandse arbeiders, hun wanhoop, hun eenzaamheid, hun heimwee, werden nooit gehoord.

Die verhalen kwamen spontaan bij hem op, Gür had ook in Turkije al geschreven: ‘Toen ik op school zat, leefde ik veel op straat. Er bestaat in Turkije nog een orale traditie van poëzie reciteren, een traditie die al heel oud is. Poëzie is belangrijk in Turkije. Als jongen van veertien jaar kende ik 150 gedichten uit mijn hoofd. Ik werd een voordrachtskunstenaar genoemd. Omdat mijn ouders te arm waren om me zakgeld te geven, schreef ik in opdracht voor mijn klasgenoten als die zelf geen gedichten voor hun geliefde konden schrijven. Er waren leraren die zeiden dat ik daar iets meer mee moest doen. Op een dag was ik verdwaald. In een smalle straat zag ik dat in een kelder een drukkerij was gevestigd. Er werd daar een stadskrant gedrukt. Ik liep naar binnen en vroeg of ik ze mijn gedichten mocht brengen. De redactie vond ze mooi en drukte ze in die krant af.’

In Nederland voelde hij de noodzaak om te schrijven weer: ‘Nederland was voor mij het Honingland, maar als je in een onbekend land binnenkomt, ben je als een pasgeboren baby. Je moet opnieuw leren lachen, lopen en praten. Elke ontmoeting is een beproeving. Daarom zeg ik dat ik in Amsterdam herboren ben als schrijver. Voor mij is een onbekende stad als een magisch boek, de muren zijn de bladzijden. Ik voelde me in Amsterdam thuis, alsof ik in een vorig leven een Amsterdamse koopman ben geweest, die in specerijen handelde, en in slaven. Het is alsof mijn straf daarvoor werd omgezet in liefde, want ik voel me met hart en ziel verbonden met deze stad.’

Gür schreef in eerste instantie over wat hij zelf meemaakte of had meegemaakt. Het waren vaak portretten van immigranten. Vanaf 1984 verschenen zijn bundels verhalen bij uitgeverij De Geus in Breda. Hij werd ‘de Turkse Simon Carmiggelt’ genoemd. Oorspronkelijk schreef hij zijn verhalen in het Turks en ze werden onder zijn redactie in het Nederlands vertaald. Als ik hem vraag of hij nooit een roman heeft geschreven, wijst hij op zijn jeugdboeken, zoals Ik danste met engelen (2001). Dat is het verhaal van de liefde voor zijn moeder (‘Het paradijs was voor mij daar, waar mijn moeder liep’), maar ook van zijn eerste verraad aan haar, waardoor het huwelijk van zijn ouders bijna kapot ging. Een zeer fascinerende figuur is ook zijn oma, een vrouw die in haar dorp als een heks werd beschouwd en die dat misschien ook was of pretendeerde te zijn. Ze kon de toekomst voorspellen en een vloek in een zegen omtoveren. Haar kleinkinderen waren bang voor haar plotselinge grillen en kwaadaardigheid, maar de kleine Halil voelde zich erg tot deze vreemde vrouw aangetrokken. Ze voorspelde hem dat hij ooit in ‘een waterrijk land’ zou wonen.

Vandaar dat Halil Gür nu gedichten schrijft over engelen, intelligente wezens die je met het blote oog niet kunt zien, ‘omdat ze lichter zijn dan licht: maar als je luistert naar je innerlijke stem kun je hun aanwezigheid voelen’. Hij schrijft daarom in vier dimensies: ‘4D-gedichten!’ Hij noemt onze tijd een tijd van chaotische communicatie; alles gaat snel, fax, internet, mobieltjes, magnetron: ‘Mensen voelen dat ze zelf ook tot een instrument worden gemaakt. Hun auto is hun vriend geworden. De televisie is hun gesprekspartner. Maar ze vergeten dat iedereen, of hij nu in armoede of in rijkdom leeft, liefde, warmte en geborgenheid nodig heeft. Ik zou iets willen betekenen voor jonge generaties. Ik ben in Turkije geboren en opgegroeid als moslim, maar ik kan me even goed thuis voelen in een kerk, in een moskee of in een synagoge, het is allemaal Gods huis. Ik voel me vooral verwant aan Spinoza. Ik zie God overal in. Mijn geloof is: mensen! Als ik op een school een lezing geef, zeg ik tegen de kinderen dat je als je uit de hemel naar beneden kijkt geen grenzen ziet en geen verschillen tussen de mensen. Het probleem is alleen dat we ontkennen dat we op elkaar lijken. En verder vind ik dat kinderen ’s middags een warme maaltijd moeten krijgen op school, dan zullen ze geen ruzie meer maken, en dat er méér vertelcafés moeten komen.’