Het Decennium 6: Felix Rottenberg

‘Mijn gematigdheid is een vorm van protest’

Felix Rottenberg – jongste PvdA-voorzitter ooit – is nu tien jaar verwijderd van zijn pensioen. Hij zal tot zijn dood PvdA’er blijven. ‘En als het me even te moeilijk wordt, dan zeg ik gewoon dat ik lid ben van de sociaal-democratie.’

Felix Rottenberg (1957) woont bij het naambordje zonder naam. In het centrum van de stad waar hij is geboren en getogen, aan een mooi plein. Het appartement bestaat uit een lange woonkamer met ingebouwde keuken en een laag plafond. Een nieuwe vloer, nieuwe apparaten, maar oude stoelen. Alle boeken lijken deel van een serie: atlassen, encyclopedieën, memoires. Hij loopt rond in loafers, en kauwt kauwgom. Hij ontvangt ons met theatrale gastvrijheid, speelt zijn rol, gedeeltelijk uit ervarenheid, gedeeltelijk misschien ook uit nervositeit, Rottenberg laat zich niet graag interviewen. Steeds meer probeert hij zijn leven in te richten als iets niet-openbaars. En dit terwijl hij, wanneer we zijn palmares moeten samenvatten, weinig anders heeft gedaan dan het publieke opzoeken. In 1976 kwam hij als voorzitter van de Jonge Socialisten in het partijbestuur van de pvda, van 1982 tot 1992 was hij directeur van De Balie, om in dat laatste jaar samen met Ruud Vreeman voorzitter van de pvda te worden. In 1996 werd bij hem de auto-immuunziekte sarcoïdose geconstateerd, en legde hij (later) het voorzitterschap neer. Sindsdien is Rottenberg veelgevraagd spreker, raadgever, voorzitter, programmamaker en politiek commentator.

We gaan zitten aan de langwerpige, oudhouten tafel waarop boeken en mappen liggen. Wanneer hij spreekt, doet hij dit nu eens geconcentreerd zittend, met zijn armen hoog over elkaar, dan weer lopend door de kamer, met losse, vorstelijke tred, alsof hij de tekst voor een toneelvoorstelling aan het repeteren is.

Rottenberg is een man van tradities, eigen tradities zoals de column in het stadsblad Ons Amsterdam en twee keer in de week een lange avondwandeling, maar ook historische tradities: de traditie van de sociaal-democratie. En, onontkoombaar, die van zijn ouders.

‘De generatie van mijn vader, die de oorlog actief had meegemaakt, was niet trots. Mijn ouders vonden volgens mij dat ze gedaan hadden wat ze moesten doen, taak volbracht. Mijn vader, normaal een eclectische, associatieve geest, net als ik niet wars van enig burgerlijk anarchisme, vertelde alleen het broodnodige over die periode. In 1942, toen mijn vader werd opgeroepen voor Westerbork, zei men in de familie: dat gaan we natuurlijk niet doen. Mijn grootvader kwam oorspronkelijk uit Polen en vertrok aan het begin van de twintigste eeuw naar Berlijn. Hij was een entrepreneur, die in Berlijn nog weinig succes vond. Zijn oom overtuigde hem ervan naar Nederland te komen. Hier aangekomen is hij met zijn prachtige, Pools-joodse nicht getrouwd. In 1920 werd mijn vader geboren. Die was dus twintig toen de oorlog uitbrak, hij moest in dienst, was korporaal te Bergen. Toen hij de oproep kreeg, is hij te voet en per trein naar het zuiden gegaan, net als zijn broer. Hij is geïnterneerd geweest in Spanje. Daarna ging hij naar Portugal, dit is een van de weinige dingen waarover hij wel vertelde, en werd hij opgevangen door de man die belast was met de repatriëring, namelijk ene Joseph Luns, “toen al een arrogante kwal”. Daarna kwam mijn vader bij de Prinses Irene Brigade, werd uitgeleend aan de Royal Navy, kreeg daar een opleiding, werd coder op een torpedobootjager, maakte jacht op ­vijandelijke onderzeeërs. Hij zat met een ­kop­telefoon op alle radio­berichten te ­ontcijferen. Een ­Soldaat van Oranje, ja. Soms denk ik: als ik daar in Engeland geboren was, was ik waarschijnlijk in het Lagerhuis terechtgekomen. Mooie verhalen, denk je, spannend, maar thuis werden ze weinig verteld. Pas veel later zag je dat het kleine leed, en het grote natuurlijk, weer een plaats kreeg in de dagelijkse gesprekken.’

Constateerde je die verandering toen zelf?

‘Nee. Mijn zus en ik hebben altijd het idee gehad: deze kleine enclave van de Rottenbergjes is de dans ontsprongen, veel andere familieleden niet. Mijn grootvader was acht broers en zusters verloren, allemaal in de shoa weggemaaid, maar dat was ver weg. Onlangs realiseerde ik me pas hoe raar het was dat wij middelbarescholieren nooit met elkaar over de oorlog spraken, over wat onze ouders in die jaren hadden gedaan. Het was geen taboe, van taboes ben je je bewust, het was alsof er een dikke laag zand overheen lag. Heel raar. Pas tegen de jaren tachtig werd de oorlog een cultureel fenomeen, kwamen de speelfilms, boeken en theaterstukken.

Toen ik dertien was ben ik met mijn vader, een uitstekend reisleider, naar Engeland gegaan, naar oorlogsmusea, het Parlement, langs pubs waar de dikke pullen bier bij wijze van spreken al klaarstonden, dat vond ik prachtig. Dat was denk ik zijn, indirecte, wijze van spreken over de oorlog, en over wat voor hem van belang was.’

Dat zijn aparte uitjes.

‘Er stond wel een voetbalwedstrijd op het programma, maar die sneuvelde uiteindelijk. Later, in de jaren zeventig, ging ik met hem naar interessante raadsvergaderingen van de Amsterdamse gemeenteraad.’ De imitatie van zijn vader is een uitvergroting van zichzelf, zijn eigen gezichtsuitdrukking, zijn eigen stem: ‘“Neem brood en kaas mee. Meld je om half zes bij de fietsenstalling.” Ik vond dat geweldig.’

Keek je vader op tegen politici?

‘Mijn vader keek vooral op tegen academici. Dat is prachtig, die is jurist. Veel nederiger dan nodig. Op zijn vijftiende las hij al Menno ter Braak, hij las soms zeven boeken tegelijk. Het nadeel is dat zijn concentratie zeer associatief was, en daardoor soms wat vluchtig. Maar, zo werd me laatst verteld door mijn oom Karel Citroen, dat is eigenlijk heel joods. Joden zijn sinds de diaspora zwervende, en door hun gebrek aan houvast is hun associatieve vermogen altijd maximaal gemobiliseerd geweest. Dat vond ik een geweldig inzicht. Een groot deel van de niet te stuiten joodse creativiteit komt voort uit associatief vermogen, en dat herkende ik zeer, van mijn vader, maar ook van mijzelf. Ik moest dat echt proberen af te leren toen ik in de politiek terechtkwam, het zat mijn analyserend vermogen in de weg. Ik ben te intelligent en te streetwise om niet door te hebben naar wie wel geluisterd werd en naar wie niet. Toen ik begon bij de pvda was het heel duidelijk dat degenen naar wie geluisterd werd altijd de mensen met structuur in hun verhalen waren, niet de associatievelingen.’

Was het ook je vader die je overtuigde van het belang van politiek?

‘Zeker. Die heeft me vanaf mijn zevende daarin opgevoed. Dan stond er een berg afwas, en vroeg hij: “Zal ik je eens wat over politiek vertellen?” en pakte hij een oude agenda waarin ik notities moest maken. “Schrijf maar op. Tweede Kamer, 150 leden, Eerste Kamer, 75 leden, kabinet, minister-president, wie denk je dat dat is?” In de loop der jaren groeide dit overbrengen van politieke basisgrammatica uit tot een tot zijn dood niet meer gestopt gesprek over politiek. Tegelijk betrok ik mijzelf ook op andere manieren bij de wereld. Ik maakte mijn eigen krantje, Muziekplezier, organiseerde schoolfeestjes, karretjesraces. Maar eigenlijk was adjunct-chef afwas mijn eerste betrekking.’

En van de politici zelf was het Joop den Uyl die je inspireerde?

‘Den Uyl was een fantastisch figuur. Hemd uit de broek, een beetje morsig, maar tegelijk een symbool, iemand die zich altijd bekommerde om het volk. Een betweter, maar ook Ome Joop, en zonder dat dit als concept was bedacht. Toen de mogelijkheid van links aan de macht zich aandeed, aangedragen door de mannen van het schaduwkabinet van ’73, Van Mierlo en Den Uyl, toen heb ik me snel ingeschreven bij de Jonge Socialisten. D’66 vond ik eigenlijk van een verbrokkelde continuïteit: elementen uit de vrijzinnig democratische hoek; moderne elementen, ik vond het rommelig. Het was van een moderne tijdelijkheid, dacht ik toen. Van jongs af aan las ik veel over politiek, ik voelde vrij snel een sterke verbondenheid met de traditie van de sociaal-democratie. Toen ik als jongen eens in het ziekenhuis lag voor een enkelblessure las ik de volledige biografie van Pieter Jelles Troelstra.

Kijk, het is ongemakkelijk om lid te zijn van een grote politieke partij, het is veel gemakkelijker om niet-lid te zijn. Maar ik wens me te committeren, heb me voorgenomen tot mijn dood pvda’er te blijven. En als het me even te moeilijk wordt, dan zeg ik gewoon dat ik lid ben van de sociaal-democratie. Die traditie, die na een tijd van versnelde industrialisatie van een veelal agrarische samenleving de belangen van de arbeiders moest waarborgen – ik geloof ook veel meer in Drees’ woord “waarborgmaatschappij” dan in het verwende “verzorgingsmaatschappij” –, daar wil ik deel van uitmaken, van blijven uitmaken. Soms gaat het even slecht, er zijn magere jaren en donkere periodes, net als in het echte leven, maar je moet doorzetten. Niemand heeft ooit gezegd dat het makkelijk zou worden.’

Het verschil is wel dat je voor politieke betrokkenheid kunt kiezen, terwijl het leven een gegeven is.

‘Het is heel geleidelijk gegaan. Een vader die me inwijdde, al was hij eigenlijk D’66’er, geen pvda’er. Het vinden van een traditie waarin ik me thuis voelde. Een keuze voor politieke betrokkenheid heb ik nooit ervaren.’

Je hebt gezegd: ‘Nederland is voor het grootste deel af.’ Wat kan een politicus nu nog doen?

‘Nederland is voor zo’n zeventig procent gewoon af. Dat is de verdienste van de sociaal-democratie. Met de moties in het parlement probeert men dit te verfijnen, eventueel uitbouwen, maar in feite gaat het om het rondpompen van nieuw beleid en nieuw geld, waar vooral consultants beter van worden. Veel beter dan die zeventig procent gaan we het niet krijgen. Duurzaam beheer is belangrijker aan het worden dan beleid.’

Tegelijkertijd lijkt de onvrede onder de bevolking eerder toe- dan afgenomen.

‘Voor mij zijn de tevredenheidsonderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau een leidraad. Daaruit blijkt: mensen zijn over het algemeen tevreden. Ik krijg altijd ruzie met mensen die verontwaardigd zijn over het minimum­inkomen of zoiets, dan denk ik: flikker op, Europees gezien is ons minimuminkomen zeer hoog, we hebben nauwelijks corruptie, we hebben allerlei aanvullende regelingen, wat de regering doet is het onderhandelen over belangrijke marges. De ontevredenheid is zo relatief, het is de ontevredenheid van mensen die niet anders kennen dan luxe. Een neveneffect van het succes van de sociaal-democratie.’

Mensen die wij ter voorbereiding over jou spraken, noemden je niet zozeer een ideoloog, maar een ambachtelijk politicus.

Hij staat op, begint te lopen. Zijn bekende stemgeluid wordt minder geaffecteerd wanneer hij loopt. ‘Dat ik in 1982 De Balie oprichtte was in zekere zin ideologisch, omdat ik meende dat politieke discussies zich voltrokken langs de gebaande paden, links versus rechts, werkgevers versus werknemers, in mijn beleving lag het veel ingewikkelder. Als partijvoorzitter moest ik pragmatisch zijn, ik was bedrijfsleider, een Realpolitiker, ik moest Kok redden en zorgen dat hij de verkiezingen won. In die periode bleef mijn inhoudelijke ontwikkeling achter. Toen werd ik ziek, en heb ik twee jaar heerlijk onafgebroken kunnen lezen. Rust. Het was jammer dat ik mijn termijn niet kon vervolmaken, maar ik was ook moe van de grote tegenwerking door beroepspolitici binnen de partij. En het leven in de politieke arena is echt verschrikkelijk. Je moet zo veel tegelijk kunnen, je moet altijd paraat zijn, over vreselijk veel dossierkennis beschikken, je moet individualistisch zijn, en dan ook nog verslaafd zijn aan dit alles, aan dit circus van incidentalisme, zelfs aan de groteske eenzaamheid die het vak ook inhoudt. Ik ben geen ideoloog, geen pragmaticus, geen intellectueel, en alles tegelijkertijd. Ik ben een liefhebber van politiek.’

De telefoon is inmiddels vaak gegaan, Rottenberg heeft steeds gekeken of het zijn zoon was, het was hem niet, en hij nam niet op. Op de stoep vraagt hij of hij zijn cv anders zal opsturen, opdat wij weten wat hij zoal doet.

Twee dagen later zijn we terug. In plaats van thee is er nu wijn. Het cv is inmiddels bestudeerd. Buiten is het donker.

Welk moment van het afgelopen decennium heeft een onuitwisbare indruk op je gemaakt?

‘Het is niet een moment, het is eigenlijk het resultaat van meerdere momenten, maar: dat ik door de stad fietste, en er overal op straat mensen met elkaar over politiek praatten. Mensen die elkaar nog nooit hadden gezien traden spontaan met elkaar in discussie, ik had dat nog nooit meegemaakt. Een vreemd soort saamhorigheid die voor een naoorlogs kind als ik totaal onbekend was. Eerst na nine eleven, wat natuurlijk een oorlogsverklaring was die de kwetsbaarheid van de wereld in één klap opdrong. Daarna de moord op Fortuyn: weer die mensen op straat. De opkomst van Fortuyn liet een andere kwetsbaarheid zien, die van de volkspartijen, aan hun traditionele macht was een eind gekomen. Ik weet nog dat ik een paar weken voor 9/11 in een of ander zaaltje waar Fortuyn zelf ook te gast was voorspelde dat hij maximaal zes zetels zou halen, en dan de verkiezingen erop misschien drie, en daarna niets meer. “Nou, daar zult u nog vreemd van opkijken, meneer Rottenberg”, zei hij toen, met die vreemde kakelstem. Ik had hem een paar dagen voor de moord te gast in het Amsterdamse programma Duivels. Na afloop bleef hij hangen, Theo van Gogh kwam nog even langs, en daar liet Fortuyn weten hoe bang hij was. Hij vroeg of ik met hem wilde meelopen naar beneden, had allerlei bewaking bij zich. Hij was echt bang.’

Wat is de invloed van Fortuyn en Wilders op de afgenomen macht van de grote volkspartijen?

‘Die moet niet worden overschat. Die is gedeeltelijk gewoon evolutionair-politiek bepaald. Kijk naar andere Europese landen, Griekenland, Italië: het electoraat is historisch gezien wispelturig. Lang hebben de volkspartijen zich zeker geweten van hun achterban, maar die tijd is voorbij, dat is een natuurlijk proces, de behoeften van de kiezers zijn veranderd, veranderen steeds, vrijheid heeft ook geleid tot vrijblijvendheid. Tegelijkertijd halen pvda, vvd, en in mindere mate cda, nog altijd veel kiezers binnen, en is de lpf al weer opgedoekt.

Misschien ben ik daar wel het meest in veranderd. Natuurlijk kun je er allerlei pseudo-sociologische analyses op loslaten over dat het zo onrustig is in Nederland, over anti-Europees sentiment, over het gevaar van Wilders, een retoriek die voor je het weet uitmondt in de valse conclusie dat het helemaal misloopt in Nederland. De politieke democratie in Nederland is echter stabiel: een goede stemopkomst, we nemen de politiek serieus. Maar deze positieve gestemdheid, de brede, bijna filosofische blik op de politieke geschiedenis en het formele bestel van Europa is te genuanceerd voor politiek, die leeft op stellingen, thesen en antithesen. Natuurlijk zijn er altijd zorgwekkende problemen voor de democratie, is de politiek vaak cliëntelistisch en eenzijdig, brengt ze niet het grootste talent voort. Maar het zijn kanttekeningen.

Nu ik al vijftien jaar niet meer in de dagelijkse politiek zit, ongebonden ben, wordt mijn blik breder, en raak ik gematigder. Het belang van gematigde politieke verhoudingen wordt me steeds duidelijker, en die probeer ik in mijn dagelijkse werk ook te bewerkstelligen. Wil je dat doen, dan moet je er echt in geloven. Ik houd niet van kunstmatige polemiek, zoals tegenwoordig in de media zo vaak wordt opgezocht. Mijn gematigdheid is een vorm van protest.’

Als jij over politiek spreekt, gaat het ofwel over traditie, de sociaal-democratische traditie, ofwel bezielende individuen. Maar in de praktijk lijken de politici van tegenwoordig niet geïnteresseerd in traditie en is het aantal bezielende individuen in de politiek bijzonder gering.

‘Dat is zo, maar bezielende individuen zijn altijd zeldzaam geweest. Er is een grote hoeveelheid middelmaat in Nederland, maar die is er overal en altijd. De gebrekkige kennis van de geschiedenis van de sociaal-democratie, ja, dat is iets heel pijnlijks.’

Ook jouw rol is erg veranderd. Van een actieve politicus ben je geworden tot een commentator, een volger.

‘Ik wilde nooit voor altijd in de landelijke politiek blijven, want dan word je onderdeel van de machine. Daar word je niet wijzer van, en je loopt ook het gevaar je ervan afhankelijk te voelen. Ik sloot niet uit dat ik wethouder van een grote stad zou worden, dat trok me wel. Toen ik de dagelijkse politiek moest opgeven, kwamen er andere rollen en functies voor in de plaats. Maar een commentator heb ik me nooit gevoeld. Ik zit in allerlei onafhankelijke denktanks over duurzaamheid, onderwijs, voedsel en landbouw, dat zijn relevante thema’s. Ik probeer niet te volgen, maar richting te geven. Aanschuiven bij De wereld draait door, mijn column in Het Parool, dat is niet waar het leven om gaat. Dat zijn fijne krantenwijkjes.’

‘De wereld draait door’ is in zekere zin ook een machtsmachine.

‘Zo ervaar ik het niet. Er kijken veel mensen, maar het is ook vluchtig. En het is niet alsof aan die tafel politieke carrières sneuvelen.’

Weet je dat je door die optredens ook veel weerstand oproept? Je wordt vaak gehekeld.

‘Mensen met uitgesproken meningen doen dat nu eenmaal.’

Je bent je er dus wel van bewust.

‘Ja. Maar het is ook altijd zo geweest, in mijn pvda-tijd al. Uitgesproken persoonlijkheden trekken weerstand aan, daar moet je kennis van nemen, maar je niet door laten leiden, want dan treed je toe tot het legioen der middelmatigen.’

Je wordt nog altijd zeer geassocieerd met de PvdA. Dit zou je objectiviteit in de weg staan.

‘Daar ga ik me verder niet druk over maken. Ik ben niet van die partij, heb niet overdreven veel contact met pvda-politici, ik zit niet meer in het systeem. Mijn enige verband met de pvda, naast mijn lidmaatschap, is mijn werk voor de Wiardi Beckman Stichting. Ik ben zo objectief als een geëngageerd iemand zijn kan.’

Word je wel eens gevraagd je te committeren aan een PvdA’er die kandidaat is voor een of andere functie?

‘Ja, wel eens. Maar dat doe ik niet. Ik moet uit dat circuit wegblijven.’

Hoe bevalt het om bij de oude garde te horen?

‘Ik was altijd de jongste. De jongste voorzitter van de Jonge Socialisten, jongste lid van het partijbestuur, jongste partijvoorzitter ooit, en nu ben ik tien jaar verwijderd van mijn officiële pensioen. Ik vind het wel prettig, ouder worden. Onrust neemt af, relativering en kennis verminderen het fanatisme. Ik blijf natuurlijk temperamentvol, daar verandert niets aan.’

Hindert je ziekte je erg in je dagelijkse leven?

‘Nee, daar gaat het de laatste vijf jaar heel goed mee. Ik heb mijn levensritme wat moeten bijstellen. Ik moet lang slapen, vroeger was ik een ochtendmens. En als ik iets doe wat me veel energie kost, dan heb ik een dag nodig om te herstellen. Het heeft lang geduurd voordat ik het kon accepteren, maar de laatste tijd gaat dat goed, ik heb er vrede mee. En als ik me even niet goed voel ga ik naar Bergen aan Zee. Langs zee lopen, wandelen. Recupereren.’

Ben je ooit bezweken onder politieke druk?

Hij zet zijn bril weer op zijn voorhoofd. ‘Er zijn twee momenten waarop ik niet moedig genoeg ben geweest. Toen ik namens de Jonge Socialisten bij het partijbestuur zat, ik was negentien, toen had ik Den Uyl moeten steunen bij de formatie van 1977. Ik had toen niet genoeg inzicht. Het was een politiek moment dat vroeg om een tegendraads statement, maar ik ging met de mode mee. Tweede moment: het illegalendebat van ’92. Ik verdedigde het strikte vreemdelingenbeleid van Aad Kosto, toenmalig staatssecretaris van Justitie, wat Oud Links verbijsterde. De politiek correcte geledingen binnen de pvda wilden dat ik mijn koers matigde. Van Mierlo vormde toen een electorale bedreiging voor de partij, en hij viel mij aan, dat was potentieel gevaarlijk. Toen ben ik bezweken onder de linkse druk. Ja, dat ervoer ik toen ook zo, als politieke capitulatie, ik was bekneld geraakt. Elke politicus handelt binnen een opportunistische context. Als hij dit ontkent, is hij een leugenaar of geen politicus; een politicus ís geen ethicus. Ik moest de grootste partij van het land leiden, brede belangen behartigen, compromissen bewaken. Dat was een moeilijke tijd. Het enige wat je als politicus kunt doen is elk compromis uitleggen en duidelijk maken welke compromissen je als partij wel en welke je niet kunt sluiten.’

Wat is nu een compromis dat je niet kunt sluiten?

Kleine stemverheffing. ‘Een handreiking aan het anti-Europese sentiment van sommige partijen doen is echt uit den boze. Dat is zo in strijd met de traditie van de sociaal-democratie. Maar de meeste compromissen kun je wel sluiten, mits je ze goed uitlegt, je achterban voorbereidt. In ’91 moest de wao gesaneerd worden, daarvoor werden onaangekondigd de partij­opvattingen tussentijds gewijzigd: grote problemen met de achterban. De aow-wijziging van enkele jaren terug, onder Bos: idem. Zodra je zoiets niet aankondigt en uitlegt, wordt dat beschouwd als stiekem, en stiekem betekent in de politiek: verraad.’

Ben je in het verleden wel eens bedreigd?

‘In de periode van mijn pvda-voorzitterschap. Rond dat illegalendebat van ’92 is er een poging tot een hakenkruis in mijn voordeur gekerfd. Ik heb de politie gebeld, en die zei dat ze wat vaker zou rondrijden. Maar of ze dat dan ook doen weet je natuurlijk niet.’

Was dit in dezelfde tijd dat je ‘grachten­gordeljood’ werd genoemd?

‘Dat was later, in 1995. Toen me dat gezegd werd, reageerde ik niet, pas een week later kwam de woede, en de constatering dat de opmerking me toch hard had getroffen, met in gedachten de vele joden die op de grachten in Amsterdam-Oost woonden en de oorlog niet hadden overleefd. Zo iemand zegt dat uit onwetendheid, maar het is wel een afgrijselijke onwetendheid.’

Is het prettig, het leven buiten de directe politieke aandacht?

‘Zeker. De combinatie van leren aan de ene kant, waarmee ik vooral culturele ­ontwikkeling en zelfstudie bedoel, het joodse lernen, en aan de andere kant werk hebben waarmee je in je levensonderhoud kunt voorzien, ja, dat is het summum. Het mooiste vind ik om ’s ­middags te spijbelen en naar de bioscoop te gaan. In ledigheid kun je je toeleggen op de grotere, ­belangrijkere vragen. Zoals: wat maakt een grote staatsman? Wat moet zijn erfenis zijn?’

Wat is jouw erfenis als actieve PvdA’er?

Hij leunt achterover, met de vier vingers van zijn handen onder zijn oksels gestoken, alleen zijn duimen zijn los. ‘Als voorzitter was ik te jong. In die beginfase was ik zeer productief, maar we hadden de inhoudelijke koers scherper moeten stellen. Ik heb er lang over nagedacht, of ik het moest aanvaarden. Ik was toen 34, De Balie was op zijn hoogtepunt, maar het bleef een republiek binnen de republiek Amsterdam. Wilde ik echt iets veranderen, dan moest ik daar uitbreken. Aan de andere kant wist ik van de vernauwing die de politiek nu eenmaal met zich meebrengt, van het stigma dat ik zou oplopen. Maar ik vond dat ik het moest doen. De tijd van vrijblijvendheid was voorbij. En de traditie van de sociaal-democratie was duf geworden, stoffig, de pvda was een gesloten bolwerk van grijze muizen, regenten en ambitieuze narcisten. Mijn erfenis is dat ik dat doorbroken heb. Het stigma bestaat eruit dat mij, wanneer ik in een taxi stap, altijd wordt gevraagd hoe het met mijn partij is.’


Het decennium

Tien gesprekken, met tien deelnemers, ieder geboren in een ander decennium. Te beginnen bij de jaren nul van de vorige eeuw. Voor De Groene Amsterdammer gaan Daan Heerma van Voss en Daniël van der Meer in op belangrijke gebeurtenissen, het afgelopen decennium en het werk van de geïnterviewden. Met de eerste vier afleveringen wonnen ze in april de journalistieke Tegel in de categorie Interview.