Mijn gesprek met frida vogels

Frida Vogels ken ik al heel lang. Zij studeerde met mijn tante, die bij ons in huis woonde. Voskuil moet ik bijvoorbeeld als kind regelmatig hebben gezien. Frida wil geen publiciteit, maar voor, zoals zij het noemt , ‘een onecht interview’ in mijn column in De Groene wil ze een uitzondering maken. Ook omdat we elkaar al zo lang kennen.

Ik spreek haar twee dagen voor de uitreiking van de Libris-prijs, die zij zou kunnen winnen. Ze is bij velen favoriet. Frida was, toen ik haar sprak, net terug uit het buitenland.

  • Frida, ik heb je ‘Harde kern 2’ gelezen en ik moet zeggen: het gaat toch eigenlijk gewoon over incest? Waarom zeg je dat niet? 'Omdat ik dat niet alleen een intellectueel misplaatste term vind, maar ook bezijden de waarheid. Incest als maatschappelijk begrip is plat. Vader doet het met dochter. Of, zoals in mijn geval wordt gesuggereerd: broer doet het met zuster. Maar mijn hele boek is niet meer dan een wetenschappelijke queeste - je volgt de gang, de reis van het onderzoek die tot de ontrafeling van de gebeurtenissen in Bretagne moeten lijden. Dat moet je niet plat benoemen met een woord: incest. Je moet denk ik die suggestie van incest meer in zijn metaforische context zien.’
  • Volgens mijn tante en jouw vriendin is dit boek totaal verzonnen, terwijl de pers suggereert dat het hier toch een autobiografie betreft. 'Dat is een van de redenen waarom ik geen publiciteit wil. Ik wil tegen niemand vertellen wat waar is in het boek en wat niet, maar ik wil wel zeggen dat ik het, ondanks de fantastische kritieken die ik heb gehad, vreemd vond dat niemand het artistieke in mijn boeken bewonderde. Het is verzonnen! En daarom is het literatuur. Maar er is een soort wens bij de Nederlandse recensenten om de echte waarheid te willen achterhalen. Alsof een verhaal dan meer waarde heeft.’
  • Maar als het verzonnen is, is dan de suggestie van incest… 'Hou nou eens op over die incest. Mijn vriendin K. is psychiater en die zei ook meteen: incest. Maar daar gaat het niet om. Ik wil het niet uitleggen, maar je dwingt me. Je hebt een meisje met gescheiden ouders. Dat meisje bewondert haar vader, maar die vader stelt haar steeds teleur. Dan heb je een moeder die het beste met haar voor heeft, met wie ook een band is. Dan heb je een broer. Dan heb je mannen, vrouwen, dramatische gebeurtenissen. De analyse is het literaire spel. Ik heb geen grote taalvaardigheid. Ik ben geen mooischrijver. Ik wil wetenschappelijk schrijven, een synthese vinden tussen de beschrijving van de emotie en die emotie zelf. Op een bepaald niveau kan ik de liefde tussen broer en zus niet meer overtreffen, omdat in de analyse al die anderen al zo veel liefde hebben gehad: vader, moeder, de mannen. Maar met die broer is het iets speciaals, plat gezegd. Ik zie aan je gezicht dat je het niet begrijpt, daarom wil ik ook geen interviews. Ik wil er niet meer over praten! Ik kan er ook niet over praten.’
  • Maar je levert je wel uit per boek en geeft je bloot. Hebben lezers geen recht op je uiterlijk en je manier van denken en praten? 'Onzin, onzin, onzin. Ik kies mijn eigen woorden als ik schrijf. Ik kies niet de manier waarop ik gefotografeerd en verspreid word. Ik heb niets tegen foto’s. Integendeel. Zelfs jij hebt me gefotografeerd met je dochter, maar ik wil niet dat die foto’s in de krant komen. Ik wil alles zelf in de hand hebben. Want je bent per definitie slordig als je spreekt. Dat wil ik niet. Dat doet ook afbreuk aan het boek. En het recht dat de lezers hebben, is het recht op een goed boek. Meer niet. En daar doe ik mijn best voor.’
  • Laatste vraag: als je die honderdduizend gulden wint, wat ga je dan doen? 'Dan gaan we eerst eens lekker eten met Gemma en Wouter (Gemma Nefkens en Wouter van Oorschot- oph) en daarna denk ik dat we wat mooie instrumenten gaan kopen. Ik heb ergens een mooi klavecimbel gezien. En misschien maken we nog een reis. Maar ga je dit nu allemaal opschrijven?’