Mijn god, wat een misdadiger (1)

Mijn ouders geloofden beiden in God, tot ze gemarteld werden. De een - mijn vader - werd vervolgens door de ‘Jap’ overgebracht naar ‘de dodentent’. Ze dachten, nadat ze hem in elkaar hadden geslagen, dat hij nog maar een paar dagen te leven zou hebben. Hij was immers al uitgehongerd en ziek.

Toch overleefde hij het - niet God kwam hem te hulp, maar mijn vaders beste vriend, mijn oom Koen. Hij hielp mijn vader zoals mijn vader hem had geholpen; door het karige eten van minder sympathieke lotgenoten in het kamp te stelen. En zo overleefde mijn vader het kamp; op water en rijst van een ander.
Mijn moeder werd door de Jap met enige regelmaat bewusteloos geslagen om velerlei redenen; één daarvan was dat zij tegen een Jap had geschreeuwd die een kind wilde trappen. De Jap ervoer dit als een openbare vernedering en meende zijn gezicht te kunnen redden door deze vrouw eerst tegen de schenen te schoppen en haar daarna een vuistslag boven op haar schedel te geven waarvan ze haar leven lang last zou hebben.
God was er toen niet.
Of, in de woorden van mijn moeder: ‘God werd door die Jap uit mijn kop geslagen.’
Na de oorlog stonden mijn vader en moeder tegenover elkaar als twee wezens die niet tegen en niet met elkaar konden praten.
Er bestonden geen woorden die konden beschrijven wat ze hadden meegemaakt, noch wilden ze duidelijk maken wat ze voelden.
Direct na de oorlog viel er trouwens meer toekomst aan diggelen. Indië. Het land waar mijn vader was geboren, waar hij rechter was geworden en goede vooruitzichten had. Op het moment dat Indië onafhankelijk werd, in 1952, voer mijn vader met zijn zwangere vrouw en kinderen de haven van Amsterdam binnen; het was de eerste keer na de oorlog dat hij naar zijn vaderland mocht. Z'n studie was waardeloos geworden, want wat moest je nog met 'Indisch recht’ en 'Indologie?’
Een magisch jaar achteraf: 1952. Hij was werkloos toen hij voet aan wal zette in Amsterdam. Zijn broer - die door de Japanners in de mijnen was gezet en de bovengrondse wereld nooit meer zou begrijpen - liet hem boeken lezen over Amerika, en vader overwoog emigratie.
Hij deed het niet. En als ik terugdenk aan de reden waarom niet, word ik altijd razend. Vader emigreerde niet omdat hij vond dat hij… Nederland moest helpen.
Nederland helpen! Wat had Nederland voor hèm gedaan? Toen hij uit het kamp kwam - hij had drie jaar op een klein eiland bij Birma vastgezeten en had ook aan de Birma-spoorlijn gewerkt - had hij niets meer. Zijn vader was in het Indisch verzet doodgemarteld, zijn moeder was dement geworden en hij waande zijn vrouw en dochter eveneens dood. Hij wilde ze zoeken. Mocht niet van de Nederlandse regering. Hij moest in Indië blijven. Hij werd gedwongen Nederland te helpen, want het gepeupel in de kampongs morde, onder aanvoering van Soekarno. Mijn vader, een Indo, kende die Soekarno toch? 'Trouwens, ik zie uw vrouw en kind niet op deze lijst van overlevenden staan, dus die zullen hoogstwaarschijnlijk het kamp niet hebben overleefd’, zei de ambtenaar van de Nederlandse regering.
Toen de boot in de haven van Amsterdam aanlegde, kreeg mijn vader een stencil waarop Hare Koninklijke Hoogheid twee regels had geschreven: 'Dank u voor alles wat u voor ons voormalig Koninkrijk hebt gedaan. Moge God u in uw verdere werkzaamheden tot steun zijn. Wilhelmina.’
OPHEFFER (Wordt vervolgd)
Het vuur Sloeg Om Zich heen, Verzengend Beemd En vaart…; Hoe Kon ik Om zóveel Passie Heen, In zóveel Jaren Vergaard?
Winnie Sorgdrager