Mijn god, wat een misdadiger (10)

Naar Parijs. Wij gingen liften, twee jongens en een gitaar - dus er stopte zelden een auto. Die gitaar was een blok aan mijn been, maar had ik toch niet graag willen missen. Enfin, we deden er drie! dagen over, en kwamen volkomen kapot in Parijs aan waar we op Pont Neuf werden afgezet. Om aan geld te komen, ging ik pieren - dat woord bestaat niet meer, maar betekent ‘muziek maken om geld te verdienen’. Repertoire: ‘Blowin in de Wind’, ‘House of the Rising Sun’, ‘Gloria’. De franc was toen zeventig cent, een glas wijn kostte dertig centimes, en als u weet dat ik ongeveer in een uur meer dan tien franc ophaalde, dan zegt dat iets over mijn stem en mijn spel!

Ik zal u de verschrikkelijke tocht langs jeugdherbergen besparen, maar uiteindelijk vonden we iets. Ik zette mijn gitaar neer en we gingen naar La Coupole, want we kwamen tenslotte voor Sartre.
Het was de tweede keer dat ik in Parijs was - de eerste keer was met mijn ouders geweest, dus de Eiffeltoren, het Louvre, Sacré Coeur, Place de l'Etoile, Moulin Rouge, Place du Têtre et cetera had ik allemaal al gezien. Ik wilde wijn drinken, ik wilde ‘filosoferen’ en ik wilde dichten en muziekmaken.
Maar ik moest wel elke dag naar huis bellen, want mijn ouders maakten zich zorgen. En elke dag oefende mijn vader invloed op mij uit dat ik 'medicijnen’ moest studeren, terwijl ik zei dat ik helemaal niet ging studeren. 'Ja, filosofie bij Sartre.’
Maar wij zaten in La Coupole, op een citron pressé en één wijn. We lazen oude kranten, en ik heb daarvan meer Frans geleerd dan van school. We hielden nauwlettend de deur in de gaten. Maar na acht uur zitten zagen we nog steeds niets. Obers kwamen vragen wat we deden, en gek: we mochten blijven zitten! Ze vonden het leuk. 'Ja, Sartre komt hier elke dag. Komt hij vandaag niet, dan komt hij morgen wel. Arlette was hier wel, trouwens.’
Arlette? Bleek later een soort aangenomen dochter te zijn, maar wisten wij veel. Al snel waren we de jongens die op Sartre wachtten. De volgende dag zaten we weer rond twaalf uur in La Coupole. En toen…
Ik heb het elders al eens eerder beschreven, maar de deur ging open en we zagen Simone de Beauvoir.
Boudewijn dook onder tafel en begon te lachen en riep: 'Ga erheen, ga erheen, ga erheen!’ Ik voelde angst, maar toch, waarom niet. Ik stond op en ik liep die vijf meter en zei: 'Madame’ Simone, vergezeld door een man die haar aan haar arm vasthield, keek me verbaasd aan. En ik vervolgde: 'Nous sommes deux étudiants Hollandais, et nous voulons rencontrer Sartre. Il vient ici peut-être?’
'Comment?’ zei de grootste filosofe van Frankrijk. Het zweet voelde ik langs mijn rug druppelen. Boudewijn, die inmiddels zijn hol onder de tafel had verlaten, stompte me op m'n schouder, maar ik zei het nog een keer, nu in het Engels, wat makkelijker was. We zijn 'Dutch students’, en we willen 'meet Jean Paul Sartre’.
Ja, ze lachte. En ze zei in een nog krukkiger Engels dan wij: 'Mijnheer Sartre zal zo wel komen. Hij komt altijd als hij honger heeft.’
'Dank u, mevrouw.’
Ik maakte geloof ik nog een lichte buiging, zoals ik had gedaan toen ik de bediende speelde in het schooltoneelstuk. We gingen terug naar onze tafel. We hadden Simone de Beauvoir gesproken….
'Wat is ze oud’, zei Boudewijn, 'ik had me haar veel jonger voorgesteld’. Ik was onder de indruk. Maar waarom had ik niet meer met haar gesproken?
'Daar is-ie!’ zei Boudewijn. Zijn blik verstrakte. Ik keek naar de deur.
Et voila.
Sartre kwam binnen.
(Wordt vervolgd)