Mijn god, wat een misdadiger (11)

Jean-Paul Sartre. Hij was klein, hij was scheel, hij was oud, maar hij had een zeer aantrekkelijke Blonde Stoot naast zich en wij waren zeer onder de indruk van hem. De Blonde Stoot leek op een Noorse Schone.

‘Ga kennismaken met Sartre’, zei Boudewijn. Dat durfde ik niet, maar ik liep naar de Noorse Schone en stelde me weer voor. In zo goed mogelijk Engels.
'Joe want toe tok toe Saart, well… yes, aai sienk that’s ok’, zei ze. Sartre zelf zei geen woord. Boudewijn en ik wilden hem nog een hand geven, maar dat ging niet. We werden aan een tafeltje genood. En daar zaten we. Wat moesten we zeggen? Wie was wiens gast? Ik dacht: laten we maar een fles wijn bestellen. En dat deden we. Het was een fles van dertig franc - voor ons was dat ongeveer honderd gulden. Sartre was absoluut niet in ons geïnteresseerd. Hij haalde uit zijn cameljas een Libération en begon die te lezen, terwijl wij zaten te lachen tegen de Noorse dame. Ze had enige belangstelling voor ons. Waar kwamen we vandaan? Nederland? O, wat leuk. Nee, ze was nog nooit in Nederland geweest. Wat deden we? Studeren? Ach, wat interessant. En wat studeerden we dan wel? 'Filosofie’, loog ik. 'Dutch… literature’, loog Boudewijn. Nou, dat vond de Noorse ook al interessant. Waarom wilden we eigenlijk Sartre spreken?
Ja, wat wilden we eigenlijk met Sartre bespreken? Het schaamrood steeg me naar de kaken. Ik kon moeilijk zeggen: 'Eigenlijk weet ik alles al’, hoewel ik dat wel dacht op dat moment. Op het moment dat ik wilde antwoorden, werd de fles wijn aan tafel gebracht. Ik zag het jaartal, 1968, en onmiddellijk zei ik dat wij in Amsterdam ook onze 'May 68’ hadden gehad. En ik vertelde over de Maagdenhuis-affaire alsof ik er zelf bij was geweest, terwijl ik toen vijftien was, en van mijn ouders niet eens in de buurt van het Spui mocht komen. 'Very interesting’, zei de Noorse. En Sartre bleef maar in zijn krant lezen. Ik probeerde wanhopig een vraag te formuleren: 'Mijnheer Sartre, ik denk dat God een taalkundige noodzaak is. Denkt u dat ook? Ik denk dat God de meestvergrijsde metafoor van de menselijke existentie is, vindt u dat ook?’ Ik durfde niet.
Opeens gaf Sartre te kennen dat het gesprek afgelopen moest zijn. Hij knikte naar de Noorse en de Noorse knikte terug. Ja, hij moest natuurlijk wat zeggen, en dat deed hij ook. Sartre keek ons nauwelijks aan en vroeg waar we vandaan kwamen.
'Uit Amsterdam’, herhaalden we.
'Yes… Amsterdam…’ Hij knikte. En toen zei hij: 'Daar ben ik wel eens geweest. En toen had ik een ziekte. Ik ben toen naar een dokter geweest in de hoerenbuurt. En die zei: “U heeft venerial disease, geslachtsziekte…’
Dat zei Sartre. Daarna stond hij op, de Noorse ook, en hij hield zijn hand op. En ik gaf de voormalig geslachtszieke een hand. Totaal verbouwereerd over wat ik had gehoord.
Twintig jaar later spreek ik de cabaretier Freek de Jonge en vertel hem dit verhaal. Hij zegt: 'Ja, dat klopt. Die arts was dokter Groothuyse, de dokter van Gerard Reve. Zijn vrouw was lerares Frans bij mij op school. Op een dag kwam ze de klas binnen en zei: "Jongens, wie denken jullie dat mijn man gisteren op de praktijk had? En wat denken jullie dat hij had?”’
Die fles uit '68 hebben wij overigens niet hoeven te betalen. We hadden Sartre gezien - daar ging het ons om. De missie was voltooid. We raakten er niet over uitgepraat, Boudewijn en ik.
We hadden onze God gezien.
Maar we verzwegen iets tegenover elkaar.
Hij was ons bitter tegengevallen.
(Wordt vervolgd)