Mijn god, wat een misdadiger (12)

En ondertussen kwamen de aartsvaders van het Humanistisch Verbond - lange tijd heb ik ze ook voor de aartsvaders van het Humanisme gehouden - nog steeds thuis bij mijn ouders vergaderen. Jaap van Praag, Piet Spigt, Max Rood, Anton Constandse, Max Knap. Wat ze bij ons thuis kwamen doen, weet ik niet precies, maar de dag erna werd er verteld over euthanasie, homoseksualiteit of Humanistisch Jeugd Onderwijs. Op zondagochtend, bij wijze van alternatieve kerkdienst, luisterden we naar de radio; na ‘Weer of geen weer’ van Bert Garthoff had het Humanistisch Verbond namelijk tien minuten zendtijd. Aldus werd mijn denken gevormd.

God - ik was erover uitgedacht toen ik naar de universiteit ging. Ik geloofde in het humanisme. Dat was een mooie levensbeschouwing. Was, zeg ik met nadruk.
Het Humanistisch Verbond is thans op sterven na dood. Het Verbond is een gezelligheidsvereniging geworden. Bij grote maatschappelijke vraagstukken lopen ze altijd achteraan, en de voorzitters zijn carrièrejagers en angsthazen. Wie God speelt, verliest de mensen uit het oog.
Wat Van Praag, Spigt et cetera destijds beoogden was het leggen van een Humanistisch fundament voor mensen die geen geloof hadden. ‘Bevrijdend humanisme’ noemden ze dat - en ik heb dat toen ook zo ervaren. Waar de kerk bol en stijf stond van regeltjes, bood het Humanisme uitzicht op nieuwe horizonten.
Maar wat ik niet begreep, was dat je op God niet mocht schelden. 'Heb respect’, zei mijn vader, en ik dacht steeds: 'Waarom?’ Het zal mij altijd een raadsel blijven waarom je een levensbeschouwing van een ander moet respecteren. Vooral als de ander een levensbeschouwing heeft die hij mij wil opdringen.
Geloof niks en niemand. Wie zijn geloof wil opdringen, is een misdadiger. Geloof leidt tot misdadigheid, misdadigheid tot geloof. God dobbelt niet, want hij wint altijd.
Geloof het niet.
Ik geloof niks.
Althans….
Hoe dan ook: Sartre had mij de ogen geopend, en met mijn humanistische bagage in de knapzak kon ik het leven aan. Tot ik door de studie met totaal andere mensen en dingen in aanraking kwam. Lsd, hasj, drank, liefde, haat, strijd, nog meer lsd, nog meer hasj, nog meer liefde, en geen liefde….
En ook deed de dood zijn intrede.
God en de dood.
Ik moest weer aan God denken toen ik hoorde dat Herman uit Zwolle zelfmoord had gepleegd. Ik kende hem redelijk goed - wel eens met hem gediscussieerd over drugs. En we zijn nog een keer samen in een auto naar het Amsterdamse Bos gereden toen daar een feest was. Hij kon onze goddeloze wereld niet aan, hij voelde zich buitengesloten, hij had God nodig, zei hij. Ik dacht aan een grapje. Negentien jaar oud. God had hem geroepen, schreef hij in een afscheidsbrief aan een dispuutsgenoot, en nu ging hij naar God toe. Hij zou opgenomen worden in een groot, wit licht. Er zou altijd vrede zijn, en God had hem nodig om de boel te ordenen. Dat woord gebruikte hij: ordenen. Dat had hij ook in de discussie gebruikt. 'Ordening - daar gaat het om.’
Ik leefde nog in de tijd van de chaos. De tijd van de omwentelingen. En nu was er iemand die we inderdaad gek vonden, maar ook aardig, en die zei, dat hij 'geroepen’ was door God.
En toen die begrafenis! Wij, studentjes, die het niet aankonden en er totaal stoned heengingen, wat niet zo'n goede manier was om het verdriet buiten te sluiten. En die dominee die walgelijk praatte! En die ouders! Blind waren ze. En doof. En daardoor gelukkig! Verdomd, ik zag het. Hun zoon was geroepen door God! (Wordt vervolgd)