Mijn god, wat een misdadiger (13)

X. was een jongen die op mij een enorme indruk maakte - en over wie ik nog steeds een verhaal wil schrijven.
Ik kwam dagelijks bij hem thuis, en ofschoon hij deed aan astrologie, handlijnkunde en het lezen van tarotkaarten, mocht ik hem zeer.

‘Er is iets buiten ons om’, zei hij, 'er is magie.’
'Er is niks buiten ons om’, zei ik.
'Meen je dat?’ vroeg hij.
Hij liet me vertellen wat ik had bedacht, en de volgende dag had hij mijn woorden opgeschreven in een schrift dat hij altijd bij zich droeg en daarbij had hij zijn commentaar geschreven.
X. en ik rookten en slikten wat we te pakken konden krijgen. We hadden lol, want het leven vonden we een feest. Er was altijd wat te doen, we hadden altijd wel iets te bepraten, of te beluisteren, en vaak lachten we zomaar om niets.
Om niets…
Er was vriendschap, en regelmatig aaide X. mij over mijn hoofd. En dat steeds regelmatiger. Hij wilde me kussen, en hij wilde me tongzoenen geven, en dat wilde ik helemaal niet.
Ik was verliefd geraakt op A.
en ik zagen elkaar niet meer zo vaak - ik had het te druk met langs het huis van mijn geliefde lopen, met het schrijven van liefdesgedichten en love-songs.
En toen kwam de wraak.
X. hing zich op - en pas daarna ontving ik van hem een brief waarin hij vertelde dat ik daarvan de schuld was. Hij was verliefd op mij geworden - en ik wilde hem niet.
Het hele verhaal vertel ik nu in zo'n twintig regels, en ik doe het daar onrecht mee. Ik ging naar de kerkdienst, want X. was katholiek, en weer werd ik geconfronteerd met God.
Er werd Hem steeds om vergiffenis gevraagd voor iets wat ìk had gedaan. Het was toch 'mijn schuld’ geweest?
Woede en verdriet - het zijn krachten die op elkaar werken met als gevolg dat je in elkaar klapt, verlamd raakt.
Mijn ouders stuurden me meteen naar een psychiater. Dokter J. van der L. in Santpoort.
(En terwijl ik ondervraagd word, en vertel over hasj, lsd, alcohol en opium, zitten mijn vader en moeder in hun Ford Taunusje te wachten tot het spreekuur is afgelopen.)
'Studeren helpt’, was het enige devies van mijn vader - en ik geloof dat de zenuwarts dat ondersteunde, want ik wilde zelf ook iets doen.
'Word dokter’, zei mijn vader.
'Ik wil dichter worden’, zei ik, 'dus ik ga Nederlands studeren, of filosofie.’
Ik dacht vaak na over de doden.
Ik zag ze vaak hangen. Ik hoorde ze schreeuwen. Ik zag ze in hun kist en werd dan angstig, al zat ik onder de valium. Ik zag regelmatig de begrafenissen langskomen.
Iedereen putte troost uit God, maar ik geloofde niet in Hem en ik kon dus ook niet worden getroost.
Waarom zei niemand: 'God, waarom heb je deze jongens dood laten gaan? En waarom, als je ze hebben wilt, laat je dan één van hen mij de schuld geven? En waarom krijg ik geen troost, terwijl het mijn schuld helemaal niet is.’
Ik hield mijn gedachten voor mij en ik vond het droevig dat alleen ik leek te zien dat waar geloof heerste, tegelijkertijd altijd onrecht was. Ondertussen hoorde ik, terwijl ik in mijn kamertje was, boven mij het bestuur van het Humanistisch Verbond praten over euthanasie, vrede, homoseksualteit, humanistisch onderwijs, humanistische zendtijd op de televisie en een humanistische leerstoel.
Ik ging lezen. Reve, Hermans en Mulisch, zoals gebruikelijk in die tijd. Mulisch vond ik niets. Dat waren romans en verhalen met een te duidelijke boodschap en daar hield ik niet van. Reve gaf mij troost. Hermans kon het mooist redeneren. Hij had het voortdurend over een bepaalde filosoof, Wittgenstein.
(Wordt vervolgd)