Mijn god, wat een misdadiger (14)

Dat stoer doen met filosofen - wat ik heb gedaan - is een vorm van escapisme. Wat schreef ik in mijn dagboekje, nadat ik iets over Wittgenstein had gehoord: ‘Wittgenstein zou beter zijn dan Sartre, ik moet Wittgenstein lezen, und ich sprich kein Deutsch!’

Gelukkig had ik daar toen Willem Frederik Hermans voor. De existentialistencafés moesten plaats maken voor de Wiener Kreis. Ik probeerde wel eens iets van Wittgenstein te lezen, maar ik begreep er geen snars van. Hermans vertelde wel veel over Wittgenstein, maar legde hem nauwelijks uit. Hoe kon Hermans Wittgenstein ‘een ziener en een profeet’ noemen, maar eigenlijk 'geen geleerde’, zoals in 'Het sadistische universum 2’ te lezen valt, terwijl Wittgenstein toch strikt 'logisch’ was? Waarom was Wittgenstein eigenlijk een ethicus en geen wetenschapper? Wel begreep ik dat Wittgenstein iets met woorden wilde, iets met grammatica. Maar wat precies? Hij probeerde iets met taal en logica te doen, maar wat?
Ondertussen schreef ik nog steeds gedichten en moest ik voortdurend denken aan de relatie tussen taal en gedachten. Ik slikte lsd, rookte hasj, hallucineerde zo erg dat ik er bang van werd, kreeg last van steeds erger wordende doodsangst, maar voortdurend bleef ik me afvragen: wat is nou waarheid, wat is werkelijkheid, wat is zijn?
Romantische jongensvragen. Was wat ik onder invloed van lsd zag, minder de werkelijkheid dan wat ik zag als ik nuchter was? En hoe dan met mijn ouders, die geneesmiddelen tegen de oorlog slikten. Die geneesmiddelen deden ook iets met hun geest; wat was hun werkelijkheid dan? Als er mensen waren die God konden zien als ze tripten, was dat dan minder waar dan wanneer ik tripte en driehoeken en vierkanten tussen mensen zag - en die ik 'begreep’? Wat ikzelf bedacht boezemde me steeds meer angst in. Ik besloot er niet meer aan te denken, en ik was verbaasd over dat besluit. Blijkbaar kan je niet meer aan iets willen denken.
Taal en filosofie. Ik had er geen zin meer in. Sartre probeerde ik op logische fouten te betrappen, maar steeds vaker drong het tot me door dat ik Sartre ook niet meer snapte. Ik was zo onzeker geworden dat ik mijn vader vroeg mij te testen op mijn intelligentie.
Dat werd een teleurstelling: ik haalde 126 punten. Niet bijster intelligent, goed voor de HBS en een studie in de rechten, zei de psycholoog. Mijn ouders waren er 'tevreden’ over; mijn ego knakte. Ik had mezelf altijd als 'anders’ ervaren, en nu bleek ik op het gemiddelde te zitten. Dat was door de wetenschap bewezen!
Achteraf vind ik het een stomme fout van mezelf: ik had mezelf nooit moeten laten testen! Ik ging nog meer hasj roken, nog meer trippen, en nog meer gedichten schrijven.
En ik ging Nederlands studeren - ook al in de verkeerde veronderstelling dat je daar schrijven zou leren.
En daar kreeg ik les in het 'transformationeel-generatieve model’ van Chomsky. Het was de tijd van 'Colourless ideas sleep furiously’. 'Elke poging’, zei Chomsky, 'om een semantisch gefundeerde definitie van grammaticaliteit te vinden, is ten dode opgeschreven.’ Ik leerde 'dat grammatica gezien moet worden als een regelsysteem waardoor de betekenis van de zinnen aan fysische klankweergave wordt gerelateerd’. Maar voor mijn tentamens zakte ik: 'Leg uit hoe de transformatie verantwoordelijk is voor het verschil tussen: “Alle Vlamingen spreken twee talen”, en de passief-transformatie daarvan: “Twee talen worden door alle Vlamingen gesproken.” Zijn deze zinnen elkaars parafrasen?’
Ik zou nog niet weten hoe ik deze vraag zou moeten beantwoorden, terwijl ik wel het verschil tussen beide zinnen weet.
En toch begon ik in die tijd het licht te zien.
(Wordt vervolgd)