Mijn god, wat een misdadiger (15)

Wittgenstein of Chomsky? Uit het dagboekje in 1973:

  1. Ik geloof niet in God. 1.1. Hij ook niet in mij.

1.2. Wat heeft Wittgenstein nou precies bedacht in die zomer van 1918 toen hij de Tractatus voltooide?
1.2.1. Waarom raak ik vooral vanaf stelling 6.3. e.v. in de Tractatus het spoor bijster?
1.2.1.1. Welke eigenschappen moet je bezitten om Wittgenstein te bereiken.
1.3. Zou je kunnen zeggen dat Wittgenstein een aanval heeft geopend op de formele logica die een verbond was aangegaan met de filosofische analyse? Of is zijn manier van denken alleen maar logisch?
1.3.1. Ik las in de syllabus dat Wittgenstein probeerde de ethiek te maken tot een empirische, inductieve wetenschap, waarvan de structuur tegelijkertijd wordt geformaliseerd volgens het axiomatische patroon dat gebruikelijk is in de wiskunde? Kan je niet net zo goed zeggen: Wittgenstein probeert een logische ethiek te construeren?
1.4.1. Waarom begrijp ik toch zo slecht hoe Wittgenstein de betekenis van samengestelde proposities kan analyseren met behulp van “waarheid-functionele” methoden?’
Waar hield ik me in die tijd mee bezig? Waarom kan ik niet meer terughalen hoe ik 24 jaar geleden dacht? Ik weet wel dat ik een vorm van paniek voelde destijds. Paniek ontstaat wanneer zich iets voordoet dat je niet kunt doorgronden en je bent genoodzaakt te handelen. In die tijd had mijn vader zijn eerste hartaanval gekregen en daar was ik bij: hij viel weg met een van pijn vertrokken gezicht die in mijn geest tot een aapachtige glimlach is verworden, een hand ging naar zijn hart en ik moest iets doen, snel handelen: paniek.
Hoe helder vond ik Chomksy. Zijn theorie kun je opeens doorhebben. Je ‘zag’ er dingen door, het verhelderde. Van oppervlaktestructuur naar dieptestructuur - de zin die je zegt heeft vele vervormingen, veranderingen, generalisaties en weglatingen ondergaan - ja, dat was duidelijk. En de grammaticale categorieën zorgden ervoor dat je kon achterhalen wat de betekenis was.
Het was in die tijd dat ik het leuk vond om overal de vooronderstellingen in te zien en te horen. Ik ging zelf expres zinnen met vooronderstellingen gebruiken.
'Ik vind Chomsky fijn om te lezen.’ Alsof ik hem toen al helemaal doorgrondde. 'Wittgenstein mag in de mode zijn, Chomsky gaat het helemaal worden.’ Alsof ik in staat was om daar iets zinnigs over te zeggen.
Door Chomsky werd taal niet meer behandeld als een communicatiemiddel, maar als een model van de geest. Taal als foto waarop je de inrichting kon zien van de binnenkamer: de gangen van het doolhof - het woord labyrint zou nadien populair worden - werden door hem geopend.
En God? God en seks werden één. 'Ik geloof in God’, zei Ingrid toen we bij elkaar in bed lagen.
'Zie je dan niet dat God in jouw zin - oppervlaktestructuur - niet meer is dan een generalisatie van een proces?’ zei ik. Ik zag het die nacht heel duidelijk. Ik begreep 'in een flits’ dat Wittgenstein destijds het argument niet kon weerleggen dat 'ethiek en godsdienst op zichzelf staande levensvormen zijn en dat, binnen deze levensvormen, ethische en godsdienstige taalspelen, op hun eigen wijze even uitspreekbaar en zinvol (of zelfs onwaar) worden als alle andere’. Ieder zijn eigen taal; iedereen mag zelf kiezen hoe hij zijn geest inricht.
Over God spreken kon niet - in de taalkunde was God zowel vuilnisvat als schatkist. Ieder had zijn eigen god, ook al was dat dezelfde god. Ik bekeek nog eens de vraag: 'Geloof je in God?’
Wordt vervolgd