Mijn god, wat een misdadiger (2)

Na de oorlog was de God van je tante niet meer de God van je ouders. God was bij het grofvuil gezet. Wegens bewezen slechte diensten. Een God na Auschwitz? Er zit zelfs in het stellen van de vraag iets onbeschaafds.

Mijn moeder begon zich te interesseren voor Sartre, mijn vader begon fanatieker Multatuli te lezen. Net als Douwes Dekker was hij assistent-resident geweest in Indië, zelfs in het zelfde resort. Mijn vader was van ‘de Ethische richting’ die vond dat de inlander 'verheven’ moest worden; hij was in zijn tijd tamelijk vooruitstrevend, al moet ik eerlijk zeggen dat ik veel later ontdekte dat hij nogal wat vooroordelen had wat betreft de inlander. ('Luister, daar weet jij niks van, en ik wel, want ik ken die mensen, en ik zeg je, die inlanders willen niks dan wat vis en wat rijst!’). In Nederland was mijn vader zelf inlander geworden - en hij wilde meer dan een bootje, wat vis en wat rijst.
Tot de familieverhalen behoort het volgende. Mijn vader - kamp achter de rug, in Indië assistent-resident geweest - gaat in Nederland op zijn veertigste jaar weer rechten studeren, en wat gaat hij doen om aan zijn geld te komen? Hij wordt goochelaar. 'De Indische goochelaar Professor Snappidatnow’.
Hij is dit tot ver in de jaren zestig blijven doen - en mijn allereerste verhaal dat ooit werd gepubliceerd (in het studentenblad Propria Cures) ging over het goochelen van mijn vader. Ik meen dat de vader van de schrijver Cherry Duyns ook goochelde; ik heb hem daar helaas nooit naar kunnen vragen, omdat de heer Duyns niet met mij wenst te spreken.
Toveren bestond niet; er bestond geen kracht buiten de mens om. Wanneer je dingen zag die er niet konden zijn dan deed de goochelaar dit. Balletje in hand, hand dicht, hand open, balletje weg. Zakdoek leeg, zakdoek opgevouwen, zakdoek uitgeschud, bos bloemen uit zakdoek. Man in kist. Kist dicht, kist open, kist leeg. Het is de beste grap van de voorstelling, het is de overwinning op de dood. Hoe kan dat nou? Hij zat toch in die kist? En nu is hij weg…
Nee, het was een truc.
Wat God onderscheidt van de goochelaar is dat Hij geen trucs kent. God verbergt niets in zijn mouw. God kan niet goochelen - en niet eens toveren. Man in kist. Kist dicht, kist open - man nog steeds in kist. Daar heeft niemand applaus voor over.
Wat is God? Mensen in gaskamers, gaskamers dicht, mensen dood - dàt is God. En dáárom is het onbeschaafd in God te geloven! Als God zou bestaan, kan hij beter niet bestaan. Hij kan beter wegblijven, zoals hij destijds ook is weggebleven.
We hebben goochelaars nodig. Goochelaars die trucs kennen en verzinnen. Die oplossingen weten. Zinsbegoochelingen veroorzaken.
Professor Snappidatnow legde zijn goochelstok als bladwijzer in de werken van de opkomende existentialisten, en ook van Nederlandse filosofen als H.J. Pos en Leo Polak. Ik herinner me boeken van Ernst Cassirer. Maar Multatuli bleef hem het meest boeien.
Ik zie, als ik in mijn herinnering duik, naast zijn bureau het blad van de Vrijdenkers liggen. Ik kan nog de stem horen van ene mijnheer Kieft die op bepaalde tijden op de radio was. En toen, op een dag, besloot mijn vader humanist te worden, althans: lid van het Humanistisch Verbond. Was het omdat mijn vader voor deel 9 van het Verzameld Werk van Multatuli wat passages uit het Maleis mocht vertalen van het Multatuligenootschap? Raakte vader onder de indruk van de woorden van Garmt Stuiveling? Zeker was hij onder de indruk van Piet Spigt, filosoof, multatuliaan, schrijver.
God werd een overbodig woord. De lege hogehoed van de goochelaar; wie een konijn in zijn mouw verstopt had, kon uit die hoed een konijn halen.
OPHEFFER (wordt vervolgd)
Leid, Heer, Uw Tamme Schapen… En Laat Mij Verder Slapen…
Pjotr Oblomov