Mijn god, wat een misdadiger (3)

Toen God had toegestaan dat mijn moeder in het kamp werd geschopt en geslagen, werd de verhouding tussen hem en haar verbroken.

Een God die aan de kant van de Jappen had gestaan en nog erger, aan de kant van de Japanse Keizer die zich ook nog eens als een God liet aanbidden, zo'n God werd een God die zelfmoord had gepleegd. Juist door niet in God te geloven, vond mijn moeder de kracht om te overleven - dat klinkt dramatisch, maar het was nog veel dramatischer. ‘Het besef dat ik er alleen voor stond, dat niemand mij zou helpen, dat ik er alleen verantwoordelijk voor was, heeft mij erg geholpen’, zou mijn moeder later zeggen.
'Mijn God, er is geen God’, schrijft Multatuli in Het gebed van een onwetende - en zoals vaak vlucht Douwes Dekker in een paradox waar je eigenlijk alle kanten mee uit kunt. Maar voor mijn ouders was deze zichzelf bijtende slang een opluchting; juist omdat de slang zichzelf bijt en niemand anders, hoef je er ook geen last van te hebben. Mijn God, er is geen God - het was een zin die de wereld van vroeger verbond met die van nu.
Moeder voelde meer dan vader aan dat filosofie de wereld niet echt helpt; je moet iets doen. Een levensbeschouwing heeft alleen maar zin als je er vorm aan kunt geven. Zij werd geestelijk raadsvrouwe en ging mensen helpen die in geestelijke nood zaten.
Nu, nu mijn moeder over de tachtig is, denk ik wel eens: Had ze zelf maar eens zo iemand gehad. De oorlog heeft mijn ouders meer dan slecht gedaan; het vreemde is dat ik er nu kwader om kan worden dan zij er ooit over zijn geweest. Het overkwam hun - en daarna hadden ze geen tijd om erover na te denken. Ze lieten de wonden niet helen, want ze schaamden zich dat ze ze hadden; ze verborgen ze liever.
Toen mijn vader uit de oorlog terugkwam, was hij net zo oud als ik nu: 43. Hij wist dat hij altijd ziek zou blijven. Dat de mens de mogelijkheid heeft om zaken tijdelijk te verdringen, moeten we zien als een geschenk. De beelden die bij zowel mijn vader als mijn moeder naarmate ze ouder werden scherper en indringender werden, vernietigen ze uiteindelijk; als een bom die in de geest is ingeslagen en pas na het verstrijken van de jaren tot ontbranding komt.
Terug in Holland geloofden hun ouders en schoonouders, ooms en tantes nog allemaal in een Lieve God. 'Wil jij voorgaan in gebed?’ vroeg een andere broer van mijn vader eens aan mijn vader. Mijn vader twijfelde even. Het was een geste van mijn oom, het was aardig bedoeld, het was bedoeld om beider banden met hun jeugd te verstevigen; mijn vader werd door de broer even gezien als hun eigen vader. Maar mijn vader kon niet. Broer vroeg het nog een keer, hij begreep het niet: 'Wil jij voorgaan in gebed?’ Mijn vader schudde zijn hoofd en zei 'Liever niet’; hij hield zijn handen demonstratief naast zijn bord. Een onbedoeld protest - voor de lieve vrede had mijn vader het wel willen doen, maar bidden betekende contact maken met wat oorlog was geweest.
En zo groeiden de familieleden uit elkaar. Bloedverwanten werden vreemden, niet omdat ze vreemden waren, maar omdat ze elkaar niet meer begrepen en zich vreemd gingen gedragen. Vader en moeder stonden weer alleen. We werden omringd door ooms en tantes waar we langs liepen zonder te groeten; nu eens waren er neven die hartelijk waren en in het geheim kwamen, dan weer waren er pogingen om de boel te lijmen. Dit alles onder Indische mensen die even schlemielig waren als mijn ouders. 'Ik heb je toch gezegd niet met een jongen uit de kampong te trouwen’, zei mijn grootmoeder van moederszijde wel eens tegen mijn moeder. Met die kant waren we trouwens nog wel goed, geloof ik.
En toch moest ik op catechisatie.
(Wordt vervolgd)
De Wereld Is Een Tranendal En Uiterst Vervelend Nog Bovenal
Dirk-Jan Thomas Dreutelenmaijer