Mijn god, wat een misdadiger (6)

Toen ik achttien was, moest ik worden gekeurd voor millitaire dienst. Het was in die tijd dat ik over de dood begon na te denken. Waarom moest ik een opleiding krijgen om mensen te doden, en waarom moest ik zelf gedood worden om een land te beschermen?

Mijn vader - hij zat, door het kamp, de hele dag op de plee - zei dat het mijn plicht was. ‘Had jij je dan voor Nederland laten doodschieten toen je in Indië zat?’ riep ik tegen de deur van de w.c. 'Ik wel ja’, klonk het, terwijl ik uit elk woord z'n kramp voelde, 'En Indië was toen Nederland’
In de Kazernestraat in Amsterdam werd ik gekeurd. De eerste persoon die ik daar op de gang tegenkwam was een priester. Hij liep langs mij heen - ik zag dat witte boordje. En ik - net pacifist - dacht: 'Kijk, God wil een leger, God wil aan landjepik doen, God wil executies, martelkamers, explosies.’
Viet Nam leefde nog. We moesten in een grote zaal gaan zitten waar ons een test zou worden afgenomen. Een soldaat - ik weet niks van rangen - stond voor ons en zei: 'Ik ben dominee van beroep maar ook soldaat. En een verdomd goeie soldaat. Steek je vinger eens op als je dat gek vindt.’ Hou je vinger onder tafel, wist ik. Nooit in de eerste linies gaan zitten, want dan gaat ook als eerste je kop er af. Een moedige jongen stak z'n vinger op. 'En waarom vind jij dat vreemd?’ vroeg de dominee-soldaat. 'Omdat ik dacht dat u alleen in de kerk stond en niet mocht schieten.’ 'Waar kom jij vandaan, jongen?’ 'Uit Bunnik, mijnheer.’ 'Ah… dominee Van de Berg hè? Goede vriend van me, aardige man…’ Ik beet in mijn vinger, voelde schaamte en moest tegelijkertijd lachen: de vraag van de jongen werd niet beantwoord! De dominee draaide ten overstaan van iedereen! Ik keek rond, maar het was of niemand het had gezien.
De dominee-soldaat nam ons de test af. Na de test zei hij: 'En onderaan zien jullie een belangrijke vraag: Welk geloof heb je. Daar moet je altijd iets invullen. Anders raken we hier in de war. Mag ik vragen wie van jullie geen geloof heeft?’
Die vraag moest beantwoord worden? De ontwikkeling van een woede: krijg de kolere, dacht ik. Jij oplichter… Ik stak, bang, mijn vinger op en ik zei: 'Ik heb geen geloof mijnheer.’ 'Jongens, luister, hier is iemand zonder geloof. Geloof je dan helemaal in niks? Dat kan namelijk niet als je in niks gelooft.’ Er lachten jongens. 'Ik geloof nergens in’, zei ik. 'Oké jongens, hier hebben we iemand die niet gelooft dat hij ogen heeft, niet gelooft dat hij een mond heeft, niet gelooft dat hij benen heeft, niet gelooft dat hij voeten heeft… iemand die niet gelooft, maar ik geloof, want ik heb wel een geloof, dat hij geen hersens heeft.’ Nu lachte iedereen.
'Ik ben humanist, mijnheer.’
'Dan schrijf je bij “geloof” humanist op - of geloof je ook niet dat je kunt schrijven?’ Het was absurd. Ik verloor mijn angst ter plekke - ik was dit allang voorbij. 'Ik schrijf helemaal niks op’, zei ik en ik keek de dominee-soldaat aan en ging achterover in mijn stoel hangen. 'Dan niet’ zei hij - hij maakte er geen grapje over.
Ik werd afgekeurd en ging naar huis. Daar wachtte mijn vader op mij. Als ik tegen hem opkeek, zag ik altijd een zieke man, en er kwam weer een teleurstelling bij. 'Waarom ben je niet moedig?’, vroeg hij. De toon was zacht; de vraag werd gesteld terwijl hij zich omdraaide; hij werd gevolgd door een schouderophalen; als ik had geantwoord, had ik dat tegen z'n rug moeten doen. Hij wilde niet dat ik iets terugzei.
Ik heb later begrepen dat hij deze vraag waarschijnlijk aan zichzelf stelde.
(Wordt vervolgd)