Mijn god, wat een misdadiger (7)

Achteraf heb ik het altijd vreemd gevonden: waarom voelde niet alleen ik maar de hele klas, zelfs de hele middelbare school zich opeens aangestoken door het existentialisme?

Het was 1969. In de gang verschenen foto’s - gemaakt door de fotoclub - van Sartre en Simone de Beauvoir. We kregen het toneelstuk ‘Le P… respectueuse’ te zien - wat ik absoluut niet kon verstaan, maar wèl begreep. (Die stomme puntjes achter de p was eigenlijk een goede truc om onze belangstelling te wekken.)
Maar het allermooiste vond ik toch het 'existentialistencafé’ dat de zesdeklassers in twee lokalen hadden gemaakt en waar we na schooltijd van drie tot zes (en op woensdagavond) cola mochten drinken. We discussieerden daar. Over de mens, over God, over communisme, anarchie en socialisme.
Op het schoolbord stond: 'De mens is wat hij is, maar hij is ook niet wat hij is… De mens is wat hij van zichzelf maakt…’ Op een ander bord stond: 'Of de mens vrij is, hangt af van het feit hoe je vrijheid definieert.’
Er waren 'kledingregels’ waaraan je je niet hoefde te houden: zwarte coltrui, zwarte broek. Als je het café binnenkwam, hoorde je Juliette Greco, Serge Lama, George Brassens en natuurlijk 'Ne me quitte pas’ van Jacques Brel.
Ik herinner me nog een discussie: of de essentie nu voorafgaat aan de existentie of dat de existentie voorafgaat aan de essentie.
'Je hebt eerst het ding, dan pas zijn bedoeling.’
'Nee, eerst is het concept, dan pas het ding.’
En uiteraard spraken we over God.
'De gedachte dat onze levensweg niet afgebakend is maar afhankelijk van ons wezen, dat we als het ware altijd weer opnieuw moeten beginnen, dat er geen formules bestaan die onze gedragslijn aangeven, geen systemen die onstoffelijk welzijn verschaffen en verzekeren, is een gedachte waarin God niet voorkomt’, zei een leraar. Woorden die ik ervaarde als een vorm van erkenning. Ik las 'La nausée’ (in Nederlandse vertaling), wist eigenlijk niet precies waar het boek over ging, maar ik was verloren toen ik hoorde dat het handelde over: 'De angst voor de menselijke verantwoordelijkheid die geen enkele leidsman erkent bij de toepassing van deze verantwoordelijkheid. De noodzaak voor de mens om zich in de wereld partij te stellen in plaats van zich te vergenoegen met wereldse genietingen. De noodzaak tot handelen in het aangezicht van de wereld en de omstandigheden.’ Zo staat het in mijn middelbare-schoolschrift. Woorden die ik nu niet meer begrijp, maar toen wel. Ik dronk ze in, een lekkerder drank bestond er niet.
Alles kreeg een plek.
Sartre had tegen God geschreven in 'Het existentialisme is een humanisme’. Hij had over de literatuur geschreven in 'Wat is literatuur’. Hij had zelf romans en korte verhalen geschreven. Hij deed alles wat ik ook wilde: schrijven, in cafés zitten, politiek bedrijven, leven in hotelkamers, een vrij huwelijk. Ik las dat Sartre eigenlijk hield van 'detectivjes’ en dat hij af en toe 'tripte’ en amfetamine gebruikte.
Ik had een held.
Ik had een God, zeg maar. Ik had een vader. Als een rattenvager blies hij op zijn fluit en ik ging mee. En ik kreeg er veel voor terug. Marx, Lenin, Kierkegaard, Péguy, Gide, Jean Genet, Unanumo, De Beauvoir, Malraux, en natuurlijk… Camus.
Ik was niet meer zo alleen.
We kregen een lezing op school over het existentialisme. En ik zat vooraan, in m'n zwarte coltrui en mijn zwarte spijkerbroek.
'Dominee Niftrik zal nu vertellen over het existentialisme’, zei de rector. Dominee Niftrik? 'Hij heeft zojuist een boekje over het existentialisme geschreven. Verwelkom hem met een warm applaus.’
Ik wilde weglopen.
(Wordt vervolgd)