Mijn god, wat een misdadiger (8)

Het existentialisme had alles wat ik miste, en later in andere vorm bij het marxisme zou tegenkomen: een vorm van beïnvloeding. Het existentialisme beïnvloedde de mode, de muziek, de film, de literatuur. ‘De avonden’ van Reve werd bijvoorbeeld een existentialistische roman genoemd - door Vestdijk, nota bene. En zelfs Bob Dylan werd in het begin van zijn carrière als een ‘existentialist’ neergezet. En dat kwam allemaal door Sartre, De Beauvoir en Camus. Zoals destijds ook de kunst werd beïnvloed door de bijbel.

Ik moest Sartre ontmoeten. Daartoe moest ik wel zijn ‘Het Zijn en het Niets’ lezen. Dat boek bezaten wij thuis in het Frans - maar al na een paar minuten begreep ik dat ik het niet zou kunnen lezen, hoe ik alle woorden ook opzocht. En als ik het wel had gelezen, had ik er toen waarschijnlijk ook niets van begrepen. Maar elke dag kon ik weer in vuur en vlam geraken van de uittreksels in mijn eigen schrift.
'De vrijheid zal de wereld zinvol maken. Het bewustzijn bestaat namelijk alleen als een reflectie van de dingen, maar een vrije reflectie. De mens geeft met zijn bewustzijn betekenis aan de dingen. Deze activiteit maakt de vrijheid uit. Maar die vrijheid houdt ook een tegenspraak in: wij zijn vrij om onverschillig welke betekenis aan onverschillig welk ding te geven, maar wij zijn verplicht iets een betekenis te geven, te denken, te interpreteren, te kiezen. Deze verplichting, die de vrijheid oplegt, dat wil zeggen ons bewustzijn, bestaat slechts zolang het iets denkt, het bestaat slechts ten aanzien van een object buiten zichzelf. “Kennen wil zeggen, uitgaan naar… naar gene zijde buiten en boven zichzelf, gaan naar hetgeen het zelf niet is”, schreef Sartre eens.’
'Ik begrijp er geen reet van’, zei mijn vriendje Robert. Maar ik begreep alles - en ik wilde ervan getuigen: 'Luister nou, je mag aan alles betekenis geven wat je wilt, aan alle dingen. Dat doet je bewustzijn, dat is vrij om te doen wat het wil. Maar er is één maar; je hebt daardoor ook de plicht om de dingen een betekenis te geven.’
'Waarom?’
'Omdat je móét denken. Je kunt niet denken als je niet weet waarover, of over wat, of hoe.’
'Ik begrijp er niets van.’
Ik kon me daaraan ergeren, want ik begreep het volkomen. Dat je alles mocht denken, wat een vrijheid gaf dat.
Karel van het Reve zou later tegen me zeggen: 'Denken? Ik denk nooit. Hoe doe je dat dan?’ Precies dezelfde vraag als Robert eigenlijk stelde. Ik gaf Karel van het Reve geen antwoord. Ik wist het zelf niet meer. Maar toen, in 1969, wist ik het wel.
'Robert, het bewustzijn is leeg en eenzaam. We moeten het tot leven brengen, weet je wel. Hier, hier heeft Sartre gezegd: “Vergeten bewustzijn, verlaten tussen deze muren, onder de grijze hemel. En dit is de betekenis van het bestaan: het is het bewustzijn van overbodig te zijn.” En hij gaat door: “Het verdunt zich, het verspreidt zich, het tracht zichzelf te verliezen op de bruine muur, langs gindse lantaarnpaal, of ginds in de avondnevelen.” Dat zegt Sartre in “Walging”. Lees dat nou eens. Want in deze wanhoop verschijnt een lichtpunt: de vrijheid. Juist doordat het bewustzijn niet is wat het is, is het vrij; zijn grootheid ontstaat door zijn positie als uitgestotene. Met andere woorden: je kunt kiezen wat je bent, je kunt je bewust zijn van andere dingen. Alles is een keuze.’
'Ik heb een plaat gekocht van The Stones, kom je die luisteren?’ Gek, hoe ondoorzichtige dingen helder als glas kunnen lijken. En ik had er wat aan: het gaf mij vrijheid. Ik kon uit dat verdomde milieu ontsnappen waar de oorlog maar niet wilde eindigen.
(wordt vervolgd)