Mijn god, wat een misdadiger (9)

Eindexamenjaar. Er waren toen twee boeken die ik voortdurend las. ‘De avonden’ van Simon van het Reve en ‘De mandarijnen’ van Simone de Beauvoir. ‘De avonden’ las ik omdat het me troostte, ‘De mandarijnen’ bood uitzicht op het leven dat ik wilde leiden.

‘De mandarijnen’ is gebouwd rond 'dilemma’s.’ Bijvoorbeeld: Moet je na de oorlog nog iemand vermoorden die in de oorlog fout is geweest? Kan je nog iemand vertrouwen die ooit onbetrouwbaar is gebleken, en als je zelf in een bepaalde periode een moordenaar was, waarom zou je dat nu dan niet meer zijn?
Ik zag pas veel later dat de zogenaamde 'dilemma’s waardoor wij gedwongen zijn een keuze te maken, een keuze die onze vrijheid bepaalt’ (zo was toch die existentialistische redenering?) tevens een schitterende truc zijn om je verhaal spannend te houden. Weet je niet meer hoe je verder moet? Verzin een dilemma. Het dilemma als deus ex machina van het denken.
Ik las het boek keer op keer. Niet om wat er gedacht werd, maar om de sfeer. Die heerlijke naoorlogse sfeer van vrijheid, van jazz-cafés, van vrijmoedigheid, van schrijven, nadenken, van maatschappelijke bonje, van het nemen van initiatieven, het schrijven in krantjes, het oprichten van krantjes…
Omdat ik vlakbij het Stedelijk Museum woonde, ging ik daar mijn eindexamen voorbereiden. Daar studeren, maar eerst, in de ochtenduren, ging ik er schrijven. Ik wilde - niet lachen - nog helderder dan Sartre dit al had gedaan in zijn 'Critique de la raison dialectique’ (nooit zelf gelezen) een poging doen om het existentialisme en het marxisme met elkaar in verband te brengen.
Welja! En de eerste regel van mijn essay had ik al: 'Hoe dient er zonder bewustzijn gedacht te worden?’ Al snel kwam ik uit bij God en waarom die niet kon bestaan. 'Daar slechts de dingen bestaan door de menselijke aanwezigheid’, schreef ik toen op, wat ik nog steeds goed bedacht vind op mijn achttiende. Maar wat een gelul over 'en-soi’ en 'pour-soi’ vloeide er uit mijn balpen. Maar het donderde niet; ik was lekker bezig. En ondertussen leerde ik mijn lessen. En uiteraard schreef ik stiekem existentialistische gedichten, met zinnen als: 'De vrijheid is een leeg blik/ zie God er in te stoppen/ Naai hem dicht, deze oude sok.’ Niet slecht, eigenlijk, al weet ik niet meer wat ik er toen mee bedoelde.
Ik deed mijn eindexamen in tamelijk moeilijke omstandigheden (weggelopen van huis, vriendin, existentialisme in mijn hoofd, maar ook af en toe hash, gepakt door politie, dreiging van school gestuurd te worden, et cetera). Het was april, en ondanks de ruzie waren mijn ouders trots op me. Wat nu?
Het was 1971. Boudewijn en ik besloten naar Parijs te gaan. Om Sartre te ontmoeten.
'Gitaar mee?’
'Natuurlijk.’
'Boeken mee?’
'Alleen de songboeken van Bob Dylan, Slauerhoff en Lodeizen’, zei ik. Ik durfde Sartre niet mee te nemen, bang dat hij het zou zien en me dan zou tentamineren.
Er was een of ander Stade Municipal van de Franse Communistische Partij waar we zouden kunnen slapen. In de buitenlucht, maar wel overdekt.
'Wat willen we eigenlijk weten van Sartre?’
'Gewoon’, zei ik, 'wat ter tafel komt.’
Ik zei niet tegen Boudewijn dat ik Sartre wilde voorleggen wat ik over God had gedacht.
Ondertussen was mijn vader ook Sartre gaan lezen.
'Je vindt het zeker niks’, zei ik.
'Ik begrijp het niet’, zei hij, ’“Voir” is bij hem hetzelfde als “regarder” - dat zijn twee verschillende dingen volgens mij.’
Ik haalde diep adem en ging maar weer 'De avonden’ lezen.
(wordt vervolgd)