‘mijn hart en mijn maag zitten in afrika, mijn verstand hier in nederland’

‘DE EERSTE JAREN in Nederland zat ik nog met veel bitterheid en woede en behoefte aan wraak. Het ironische is dat toen ik erover begon te schrijven de behoefte aan wraak verviel. De titel Sonate voor wraak komt voort uit ironie: op het moment dat je je wraakbehoeften op papier gaat zetten, moet je de confrontatie aangaan, en zodra je die confrontatie aangaat, vervalt de behoefte. Het opmerkelijke is dat ik nog steeds als een ongelooflijk agressief schrijver word gezien. Ik vermoed dat ik niet zozeer agressief ben, maar dat ik agressie uitlok met wat er staat. Dat ik met mijn vinger in gewetens wroet. Een Zuidafrikaans criticus heeft dat ook gezegd: ik confronteer blanken met hun geweten nu ze denken dat alles inmiddels goed is. De agressie die ik in Zuid-Afrika uitlok, is dezelfde die ik in persoonlijke vriendschappen krijg. Mensen zeggen: je moet geen oude koeien uit de sloot halen, het is een nieuwe tijd, we moeten nu vooruit kijken, de kunst moet weer in het esthetische gaan. En dat doe ik voorlopig nog niet.

Ik heb een broertje dood aan boeken die een duidelijke politieke boodschap hebben, maar ik denk dat schrijvers wel degelijk een beetje het sociale geweten van de gemeenschap zijn. Zoals schilders dat in bepaalde tijdperken ook waren. Zij schilderden dikwijls in opdracht en die opdracht kwam altijd van een bepaalde sociale klasse. Ze kregen toch andere klassen erin door het raam ook naar de andere kant van de gemeenschap open te zetten. In veel opzichten zijn schrijvers de tijdsvertegenwoordigers. Daar ben je toch expert in, in je eigen tijd.
Het is ironisch dat je in Zuid-Afrika kunt schrijven tot je blauw ziet en toch maar weinig lezers hebt. Als je vanwege het onderwijs en de lage geletterdheid alleen maar door een bepaald groepje wordt gelezen, dan is je rol ook beperkt. Ik schrijf in het Afrikaans en dat is een taal die wordt gelezen door een groep die mij waarschijnlijk juist niet graag leest. De groep die mij kan bekostigen, die zoveel rand op de tafel kan neerleggen om een boek van mij te kopen, is de groep die mij letterlijk irritant vindt omdat ik in hun geweten zit. Maar ik word ook op de universiteit gelezen door zwarte studenten die Afrikaans studeren - dat is eigenlijk het publiek waar ik voor schrijf. Wat ik mijn eigen mensen noem.
Jawel, ik ben wit, maar ik zou niet zeggen dat ik wit schrijf. Ik denk dat heel veel mensen - ook in Zuid-Afrika - denken dat ik mij niet aan een kleurgrens houd. Ik heb mij ook fysiek niet aan een kleurgrens gehouden, daarom schrijf ik denk ik ook van binnenuit. Mijn journalistieke verleden heeft mij waarschijnlijk over grenzen geholpen waar veel witten nooit zijn gekomen.
In de periode dat ik Berigte van weerstand schreef, was ik nog semi-journalist. Ik was de mediawerker van de Raad van Kerken in de Kaap. Wat je toen zag, kon je zelden opschrijven, vanwege censuur of vanwege het politieke belang. Ik schrijf vooral over de gewone, kleine mens. Als je iets schreef in die tijd, in een verzetsblad of zo, ging het altijd over de leiders, over politieke uitspraken, maar het leed van een individu kwam nooit aan bod. Het was in Zuid-Afrika precies hetzelfde als hier in Nederland: mensen worden blase. Ze lezen journalistieke stukken en er gebeurt niets met ze. Maar kom je in de verhalende vorm, ga je de realiteit verbeelden, dan nemen mensen het wel tot zich. Dan raakt het ze. Het is een beetje veiliger, want ze kunnen altijd nog zeggen: Huismans verzint het. En Huismans verzint veel, Huismans maakt wel degelijk gebruik van fantasie en verzinsel. Hoewel ik nooit iemand zal laten sterven, dat respect heb ik voor de dood. Niemand sterft in een boek bij mij of komt aan een gewelddadig einde als dat niet in het echt is gebeurd. Als je uit Zuid-Afrika komt, you never have to fictionalize that. Het specifieke belang de kleine dood, de dood van die eenling, van die ene zoon van een moeder is in feite van net zoveel belang als de dood van Chris Hani. De enige manier waarop je dat duidelijk kunt maken is dan door schrijver te zijn.’
‘IK HEB OOK ondergedoken gezeten. Mijn baas werd opgepakt en kwam met de boodschap uit de gevangenis dat ik niet ook gevangen moest worden, want met verhoren speelden ze de een tegen de ander uit. Toen ik moest onderduiken, heb ik een typemachine meegenomen en begon ik Requiem op ijs. Ik heb toen de eerste vier hoofdstukken geschreven. Tegelijk had ik er moeite mee, omdat het zo'n persoonlijk verhaal was. In die periode was ik zo betrokken bij de strijd dat ik niet iets persoonlijks durfde te schrijven. Ik ben daarmee opgehouden en met Berigte van weerstand begonnen. Het Afrikaanse manuscript daarvan heb ik afgemaakt in Zuid-Afrika. Ik kwam met dat manuscript in het Afrikaans in Nederland aan. Daarna heb ik Requiem op ijs afgemaakt, want in Nederland was er weer ruimte voor het persoonlijke. Het eigenaardige is dat wanneer je midden in zo'n strijd zit, je al het persoonlijke wegcijfert. Soms is dat heel effectief, maar je kunt er ook aan onderdoor gaan. Je raakt zo bij een bepaalde politieke zaak betrokken dat je eigen ik heel onbenullig wordt. Het wordt gewoon een instrument dat alles zo vlug mogelijk moet opschrijven.’
'VOOR MIJ WAS de keuze om naar Nederland te komen niet de soft option. Het is voor mij nu nog steeds makkelijker om dagelijks te bestaan in Zuid-Afrika dan hier. In Zuid-Afrika verdwijn ik in de omgeving, ik verdwijn in de zaak. Hier moet ik er elke dag naar grijpen. Maar mentaal was het noodzakelijk dat ik uitweek. Principieel geloof ik echt niet dat geweld een oplossing is. Dat heb ik eigenlijk sinds ik vertrokken ben bevestigd gezien. Maar als je in de townships bent en als je het verzet pleegde zoals wij dat destijds deden en je zag wat ervan terecht kwam… In het begin stap je er heel idealistisch in, maar als je er een poosje in zit, ervaar je dezelfde machteloosheid die mensen als Mandela in 1960 moeten hebben ervaren toen zij nog dachten de omwenteling aan de onderhandelingstafel te kunnen afdwingen. In die tijd is de militaire vleugel opgericht. Voordat je het weet, ga je uit pure machteloosheid ook aan het geweld meedoen. En op het moment dat je eraan gaat meedoen, gaat het geestelijke in je kapot. Ik ging zelf kapot aan dat geweld. Misschien dat het zelfs, hoogst zelfzuchtig, een reddingspoging van mij was om te vertrekken.
Aan mijn huis kun je het ook zien, ik leef echt alleen maar voor boeken en muziek. Je kunt van mij alles wegnemen, maar dat niet. Ik had in het begin altijd een walkman bij me met Mahler en al die lui. Als je dan in de townships kwam, kwamen de bewoners dikwijls even luisteren naar wat je op je walkman had staan. Maar dat was zo irrelevant op dat moment, het klopte gewoon niet meer en ik begon me schuldig te voelen over al dat westerse gedoe achter mij. Ik zeg niet dat ik het goed had, maar zo raak je je perspectief kwijt. Ik begon naar Bob Marley te luisteren. Dat was wel leuk, maar het was niet zielsvoedend voor mij. En ik las geen boek meer. Ik voelde me niet schuldig omdat ik wit was, ik voelde me schuldig over al die dingen die ik als privilege had.
In Europa is daar weer ruimte voor. Terwijl ik als kind in Zuid-Afrika opgroeide, onderdrukte ik alles aan mij wat Nederlands was. Ik had grote moeite met mijn ouders, die redelijk Nederlands bleven. Hun woonkamer in Afrika was volkomen Nederlands. Na hun dood belandden al die attributen in mijn kamer en ik richtte hem precies in volgens de traditie, met de eettafel in het midden. Maar ik onderdrukte verder alles. Al mijn lastige eigenschappen deed ik af als: dat moet Nederlands zijn. Nu ik een paar jaar hier in Nederland zit, laat ik mijn Nederlandse kant toe en merk ik dat het ook waarde heeft. Pas nu realiseer ik me dat je twee dingen tegelijk kunt zijn. Misschien is het iets uit mijn calvinistische opvoeding, dat je geen twee goden mag aanhangen: je moet de een liefhebben en de ander haten. Tweeslachtigheid werd nooit goedgekeurd.
Ik begrijp nu ook dat ik hartstikke Zuidafrikaans ben. Met mijn gevoelsleven zit ik enorm aan Afrika vast, aan dat temperament: het directe, het niet nadenken, to display what you are. Het leven is hier veel verstandelijker. Zelfs het schrijven is hier verstandelijker. Ze vinden emotionaliteit ook wel een beetje lastig. De combinatie van die twee is voor mij van grote waarde. Ik denk soms echt dat mijn hart en mijn maag in Afrika zitten en mijn verstand hier in Nederland. Pas nu vind ik dat een vruchtbare tegenstelling.
Het hoofdkarakter in Requiem op ijs kon eigenlijk helemaal niet kiezen. Die kiest op het laatst voor Zuid-Afrika, voor haar gevoel. Maar in Sonate voor wraak is het duidelijk dat je niet hoeft te kiezen tussen die twee. Ik ben gewoon beide. Op dit moment van mijn leven ervaar ik ontheemdheid niet langer als een negatief etiket. Ik begin ontheemdheid als een waardevol instrument te gebruiken. Ik weet niet wat het tegenovergestelde is van ontheemdheid. Geheemdheid? Maar ik word nooit in mijn leven meer niet-ontheemd. Als ik op de Veluwe, in Bennekom, waar ik geboren ben, was opgegroeid, was ik waarschijnlijk niet ontheemd. Maar ik ben op vijfjarige leeftijd hier weggegaan en dat maakte mij al ontheemd. Vanaf de eerste schooldag, toen ik in de gemeenschap begon te functioneren, was ik anders. Mijn leven lang zit ik met dat anders-zijn. Dat is niet alleen het verschil van zwart en wit, ik was ook anders in mijn eigen gemeenschap. Het eerste deel van mijn jeugd heb ik gebruikt om niet opvallend anders te zijn, maar het heeft mij ingehaald, mijn ontheemdheid was sterker dan mijn neiging tot aanpassing, ik werd toch de dwarse in Zuid-Afrika. Ik zit nu met hetzelfde in Nederland. Het zou voor mij makkelijker zijn geweest als ik verschrikkelijk Nederlands kon zijn. Ik begin te merken dat ik veel effectiever kan zijn door gewoon allochtoon en autochtoon tegelijk te zijn, en de een voor de ander te laten werken.’