Mijn hoofd op je schouder

Zijn dichters onaangepaste eenlingen, rusteloze zwervers of mompelende profeten in doorrookte zolderkamers? Het sjabloon stamt uit de negentiende eeuw, maar hoewel figuren als Hölderlin, Byron en Rimbaud aardig aan de beschrijving voldoen, moeten we vaststellen dat ook toen de meeste dichters keurige heren of dames waren, die op tijd naar bed gingen en nooit laveloos door de stad struinden. Desondanks zit er een kern van waarheid in het romantische cliché, zij het dat we het dan moeten toepassen op de aard van de poëzie zelf. Het gedicht, althans het goede gedicht, is eenzaam en ongebonden, zelfs al lost de dichter braaf zijn hypotheekschuld af en stemt hij op d66.

Menige dichter beschouwt zichzelf tegenwoordig als cultureel ondernemer, en bekwame netwerkers slagen erin een stabiel bestaan op te bouwen door zich in het literaire veld bezig te houden met de randprogrammering van het echte schrijven: blaadjes redigeren, workshops geven, festivals organiseren en zitting nemen in jury’s en commissies die subsidies verdelen. Het is goed dat dat allemaal gebeurt, dan kunnen de luttele onaangepasten zich in hun cellen terugtrekken om doorgaans onleesbare meesterwerken te scheppen.

Thomas Möhlmann (1975) is al tien jaar een spilfiguur in het randstedelijke poëzieleven, waar hij heilzaam werk verricht, maar ook als dichter is hij terecht geliefd. Aan de titel van zijn nieuwe bundel, Ik was een hond, zou je het niet aflezen, maar dit boek presenteert zich van de eerste tot de laatste bladzijde als een sociaal fenomeen. Zoals Horatius en Vondel gedichten voor vrienden schreven en hun poëtische activiteit als een maatschappelijk project zagen, laat Möhlmann zien dat zijn werk niet alleen is ingebed in een literaire infrastructuur, maar ook gedijt in de context van een degelijk gezin. Als het woord niet zo’n negatieve klank had, zou je hem een bij uitstek burgerlijk dichter kunnen noemen, in de zin waarin ook Leo Vroman en Rutger Kopland dat waren.

Daarbij komt dat Möhlmann, misschien moet hij wel omdat hij jonge kinderen heeft, zich hier een ras-optimist betoont, want al in het lange openingsgedicht zegt hij, na een beschouwing vol mededogen over de toestand in de wereld:

en zo

ongeveer kwam ik met mijn hoofd op je schouder

terecht. We leven nog, alles wat je denkt, alles wat

je wilt, kunnen we wat mij betreft nu nog worden.

Het gedicht krijgt een pendant op de laatste pagina, waar de dichter zijn liefste voorhoudt dat ze samen het beste van alle levens zullen leven, althans voor zover dat menselijkerwijs mogelijk is:

alle vogels die hun vleugels uitslaan, tegelijk, niet om te willen

vliegen maar uit pure schrik, ze zullen net als wij mijn lief

maar voor het zover is, zullen we, zullen wij, wat we zouden

in die hele rij van gezegende jaren die we nog hebben, zullen we.

Ik denk spontaan aan de gedichten die Willem Bilderdijk ieder jaar voor de verjaardag van zijn vrouw schreef.

Met het huwelijk van de dichter zit het wel goed, maar intussen is er in de samenleving van alles aan de hand. In Tussenstop kijkt Möhlmann met verwondering en bezorgdheid naar reizigers in de vertrekhal van een vliegveld, allemaal jonge, maar vermoeide mensen met ‘over hun huiden/ verschillende lagen beveiligingsuniform/ koffieketen-, vrijetijds- en vruchtbare/zakenlunchuniform’, met paspoorten en mobieltjes in hun handen, tevergeefs op zoek naar vertier dat de dood op afstand houdt. In een ander gedicht zit een man op een bank te zappen terwijl hij fantaseert over de levens die hij niet leidt, want hij blijkt iemand te zijn geworden die ‘in een kamer, afgekoeld en slecht verlicht/ bij onzorgvuldig ondertitelde aanprijzingen van afvalmethoden/ de afstandsbediening teder uit zijn handen glijden laat’. Het gedicht ernaast spreekt van Chinezen die ‘weer vermiste huisdieren aan hun nijdig sissende wok’ voeren, een vrouw die zich droevig klaar vingert tussen Jamie Oliver-recepten en een verongelijkte buurtgenoot die ‘gedempt zijn beurse vrouw’ afblaft. Enkele malen refereert Möhlmann ook aan de grote crises van dit tijdsgewricht, zoals migratie en klimaatverandering, maar hij is toch op zijn best als hij wat dichter bij huis blijft.

De tweede helft van de bundel wordt ingenomen door een reeks van 26 gedichten waarvan de titels steeds dezelfde vorm hebben: We ademen, We blijven, en zo door tot We xeroxen, We ijlen en We zullen. De alfabetische opzet suggereert volledigheid, alsof alles wat ertoe doet in taal gevangen kan worden. Al deze gedichten bestaan uit zes strofen van twee regels, en ze zijn stuk voor stuk opgedragen aan met naam en toenaam genoemde personen, veelal goede vrienden uit het literaire circuit, maar ook David Bowie en Thom Yorke staan in de lijst. Waar het om dichters gaat valt hier en daar een verwijzing naar hun werk te noteren, maar Möhlmann maakt er gelukkig geen gezellig citatenspel van.

Als de dichter ergens duidelijk maakt dat we als mensen een collectief van onzekere maar niettemin vastberaden ploeteraars vormen, is het in deze reeks. Met een echo van Nijhoffs dwaze bijen schrijft hij:

We staan tot onze enkels in de sneeuw, alles wat

niet opstijgt valt, huiswaarts omlaag de wereld

tegemoet, de wolkjes die je maakt als je ademt

duren te kort om iets van te maken, iets in te zien

We proberen, zegt hij, de anderen voor gevaren te behoeden, ‘bijeen/ te houden wat op ontbinden staat’, in de vage hoop dat iemand voor ons hetzelfde zal doen, maar belanden uiteindelijk ‘ontzworven tussen// de korven’. In een dergelijke wereld is huiselijke geborgenheid geen overbodige luxe.

onder elke huid

Het is niet zo moeilijk om stil te zitten

als om stil te blijven zitten, mijn vingers

om je pols te leggen als om ze daar

te laten liggen, je aan te blijven kijken

als we uitgesproken zijn, vouw

een ezelsoor in ons gesprek, wrijf

met je wijsvinger over je lippen, staar

langs me heen het raam uit, het uitzicht in

waar zich altijd wel ergens een wolk of golf

ophoudt, en natuurlijk: in elke wolk de wind

in elke golf de zee, maar het razen

van de hele wereld in je pols.