aldus kunstenaar Jonas Ohlsson

«Mijn ideeën horen in de wereld»

Met grote letters, slordig op de muur gekalkt, wordt de bezoeker van Bureau Leeuwarden bij binnenkomst gewaarschuwd: «Let niet te veel op de teksten – de helft is in een opwelling en in dronkenschap opgeschreven. Besteedt wel aandacht aan de tekeningen en installaties.» Is getekend: Jonas Ohlsson, 8 april 2006.

Binnen is het een chaos. Het pronkstuk van de tentoonstelling Eeuwig kind vernedert dood is een felgekleurde installatie, een «levensmixer» in de vorm van een mengpaneel. Elke knop op het paneel staat via een slingerende, gefiguurzaagde arm in verband met een belangrijke levensbehoefte – koffie, snoep, seks, liefde – gesymboliseerd door een brooddeegsculptuur. Tegenover de installatie, midden in de ruimte, zit de Dood. Mr. Death heet hij, een figuur gehuld in een zwarte wollen jas, zijn zeis is een ijshockeystick.

Aan de muren hangen wilde tekeningen van sexy vrouwen, groteske gezichten, homo’s die hun anus laten zien en buttplugs die in het rond vliegen. In de teksten bezingt Jonas Ohlsson de anale fase, het olympisch goud van het Zweedse ijshockeyteam, bespot hij bedrijfsuitjes en hypes in de kunstwereld, en herdenkt hij zijn ouders, die beiden kort geleden stierven. «Death wants me to take him seriously, but I can’t stop laughing», staat in het hoekje van een wand waarop ook een tekening prijkt van een schedel die door een paar blote peuters wordt beklad, met stront bekogeld en ondergepist.

Een eindje verder op dezelfde wand schrijft Ohlsson over het verlies van zijn ouders en over De Waarheid en de eeuwigheidswaarde van kunst. Hier is hij plotseling bloedserieus. En een beetje dronken, dat ook. Voor Ohlsson is het leven een vrolijke anarchistische vrijplaats waar poep, kunst, buttplugs, liefde en bedrijfsuitjes allemaal even belangrijk zijn. Hij viert dat leven uitbundig, maar waar ik ook sta in de ruimte, overal voel ik de ogen van Mr. Death op me gericht.

Terwijl ik dit allemaal probeer te begrijpen, loopt een echtpaar in en uit met twee schreeuwende kinderen die lamlendig op het brooddeeg slaan en de Dood aan zijn mouw trekken. Even later wandelen twee stoere tieners met stekeltjeshaar binnen. Ze lopen door, aarzelen, halen hun schouders op en vertrekken. Ik blijf over met een roodharige vrouw in een zelfgebreid paars vest die onverstoorbaar schuifelend langs de muren alle teksten overschrijft.

«Dit is mijn beste tentoonstelling tot nu toe», zegt Jonas Ohlsson (1967) een paar dagen later in zijn atelierwoning in de Bijlmer, waar hij woont met zijn vriendin Jennifer Tee. De Zweedse kunstenaar ziet eruit als een viking: groot, stevig, lichtblauwe ogen en woest haar. Maar daar houdt de vergelijking op. Hij is veel kalmer en serieuzer dan ik had verwacht.

«Als je een bepaalde vorm van perfectie hebt bereikt, dan voel je dat», vervolgt Ohlsson, «Deze tentoonstelling ging niet alleen over mijn eigen ervaringen met de dood, maar over ideeën en gedachten die al heel lang door mijn hoofd spookten. Het kwam er allemaal uit als een soort vulkaan.» Boven zijn hoofd maakt hij het gebaar van een spuitende vulkaan.

Ohlssons moeder stierf in 2001 aan een hartkwaal en zijn vader overleed «een jaar en twee dagen geleden» aan longkanker. «Ik heb daar wel staan huilen», zegt hij over de nacht voor de opening, toen hij de laatste hand aan zijn tentoonstelling legde. «Om vijf uur ’s ochtends stond ik met een pen op de muur te schrijven. Ik dacht: nu ga ik slapen en dan zie ik morgen wel weer, waarschijnlijk is dit gewoon dronken bullshit. Gelukkig was ik er uiteindelijk wel tevreden mee.»

Toch mag er niet te veel op de teksten worden gelet.

«Tekst is heel dominant. Als mensen willen begrijpen wat ze zien, gaan ze meteen voor de tekst. Ik heb wel eens maanden aan een installatie gewerkt en op de dag van de opening een stomme tekst geschreven waarin ik een paar andere kunstenaars afzeek, of bijvoorbeeld grapjes maakte over Saskia Bos van de Appel. Achteraf had iedereen het over die tekst, terwijl daar maar één procent van mijn energie in zat.»

Uitspraken als «Death wants me to take him seriously, but I can’t stop laughing» moet ik dus niet te serieus nemen.

«Ik weet niet of ik dat meen. De dood is niet zoals ik hem me had voorgesteld, voor mij was hij namelijk ook inspirerend en bevrijdend. Net als iedereen was ik bang dat mijn ouders zouden sterven, maar toen dat eenmaal gebeurde, deden ze het heel goed. Ze waren allebei niet bang. Vlak voor hun dood heb ik veel lange gesprekken met mijn ouders gevoerd. Vooral mijn moeder vond het heel normaal om erover te praten. Voor mijn vader was dat in het begin moeilijker. Er zijn toch medicijnen, zei hij dan, misschien komt het wel goed.»

Wat vonden je ouders van je werk?

«Mijn vader vond het een beetje te confronterend. Toen ik nog in Zweden woonde was ik een abstracte schilder, dat was zijn favoriete periode. Zelf vond ik dat werk te stil, ik ben juist iemand die graag verhalen vertelt. Mijn moeder was een echte fan. Alles wat ik maakte was goed.»

Ook die buttplugs?

«Ja. Mijn vader zei altijd: moet dat nou, probeer je weer te shockeren? Daar hebben we veel discussies over gehad. Hij hield van kunst, wist er ook wel wat van, maar hij vond dat je alles ‹mooi› moest doen. Mijn vader was boekhouder in een bedrijf dat machines maakt waarmee glazen flessen worden geproduceerd. Dus je hebt machines die glazen flessen maken en machines die die machines maken. Ik heb het idee dat hij veel meer met zijn leven had kunnen doen. Hij speelde fantastisch gitaar, piano, bas en tuba, maar hij maakte zich veel te veel zorgen over geld. Eerst geld verdienen en dan je dromen waarmaken, vond hij. Hij komt dan ook uit een arme familie. Mijn moeder was een hippiekind. Zij had eigenlijk kunstenaar willen zijn, maar werd uiteindelijk kleuterjuf.»

Heb je zelf het gevoel alles uit het leven te moeten halen? Ben je bang dat je dat niet lukt?

«Nee. Veel van mijn werk gaat over vreugde, over de liefde voor tekenen, muziek maken en het bouwen van dingen, ook al gaan die dingen soms over de dood. Ik ben niet bang om ouder te worden, want mijn leven wordt elk jaar leuker. Het gaat nu ook steeds beter met mijn werk: ik heb een tentoonstelling in Los Angeles en ga binnenkort naar de Manifesta.»

Was je vroeger wel eens bezorgd dat het succes zou uitblijven?

«Soms natuurlijk wel. Jennifer was bijvoorbeeld heel succesvol. Dan zit je daarnaast en denk je: hoe gaat het eigenlijk met mijn carrière? Maar ik wist altijd dat het goed zou komen. Ik heb gewoon het idee dat ik iets te vertellen heb, niet op zo’n Jezus-manier, of ja, misschien wel een beetje. Soms heb ik bijna dat religieuze gevoel: ik weet niet of ik degene ben die dit zegt. Dat klinkt natuurlijk heel megalomaan, maar dan denk ik echt dat die ideeën niet van mij komen. Ze horen gewoon in de wereld.»

Speelt je ego geen enkele rol?

«Jawel, ik vind mezelf natuurlijk ook heel leuk. Mijn ideaal was altijd om een outsiderkunstenaar te worden, om zoals Gauguin naar Tahiti te gaan en daar in zo’n hoela-hoela-rokje kunst te maken. Maar dat bleek niet goed te werken. Het kost namelijk veel tijd om te begrijpen hoe je een installatie maakt, dat was een belangrijke les in nederigheid. Nu heb ik acht jaar op kunstacademies gezeten, eerst drie jaar in Zweden, daarna de Rietveld en het Sandberg Instituut. Dus die droom is voorgoed kapot!»

Ohlsson laat een dramatische stilte vallen: «Zal ik je nu wat muziek laten horen?» In zijn werkkamer zet hij een plaat van Dj Lonely op, de naam waaronder hij regelmatig optreedt. Ook maakt hij experimentele muziek met de IJslandse kunstenaar Heimir Björgúlfsson. In de experimentele muziek_-scene_ – zijn eerste passie – vond hij «vrijheid en openheid», zo verklaart hij op de website van zijn galerie (De Praktijk). De kennismaking met Throbbing Gristle, Z’ev, Einstürzende Neubauten, Faust en Test Department leidde tot de ontdekking van andere subculturen: het futurisme, dadaïsme, surrealisme, art brut, situationisme, fluxus en de beatniks. «Ik was dol op manifesten.»

«Zoals ik muziek maak, maak ik ook installaties», zegt Ohlsson, terwijl Dj Lonely op de achtergrond zingt over zijn innige relatie met de hedendaagse kunst («hedendaagse kunst en ik, we are thís close»). Hij zoekt naar de onzichtbare verbanden tussen geluiden, objecten, ritmes, kleuren en woorden. «Mijn muziek moet steeds onverwacht klinken, die moet vooral niet te mooi zijn.»

Dat was dan zeker niks voor je vader.

«Nee, inderdaad.» Hij laat een kalligrafieset zien die hij ooit van zijn vader kreeg. «Daar wil ik nog altijd iets mee doen. Kalligraferen gaat trouwens niet alleen over mooi, maar ook over een soort boeddhistische sereniteit: het maken van de perfecte lijn. Mijn vader vond dat je iets goed moest kunnen en het anders niet moest doen. Ik heb niet zo’n last van zelfcensuur. Sterker, vroeger greep ik alles aan wat op mijn pad kwam. Dan maakte ik van minder goed werk toch een tentoonstelling. My Desire to Exhibit is Stronger than My Shows heette die.»

Op een van de tekeningen aan de muur staat een runenteken dat vaker in Ohlssons werk opduikt. «Dat teken droegen vikingen op hun helm wanneer ze mensen gingen afslachten. Om hun angst voor de dood te bezweren.»

Gebruik je humor om je angst te bezweren?

«Misschien. Maar ik heb mijn grapjes nu beter onder controle.»

Eeuwig kind vernedert dood

Bureau Leeuwarden, Fries Museum. T/m 21 mei