Interview met Ramin Visch

‘Mijn ingreep moet kraakhelder zijn’

Heldere gebouwen met een duidelijke functie, zo ziet ruimtelijk ontwerper Ramin Visch het graag. Zoals het Centraal Station in Eindhoven, of een wolkenkrabber. Simpel. ‘Mensen moeten door architectuur intuïtief komen waar ze willen zijn.’

Met een trap kun je lopen in de lucht. Via de treden kom je op een plek waar dat eerder niet mogelijk was. Ruimte die wel bestond, maar geen functie had, geen vorm, kan worden gebruikt. Ramin Visch (37) is gek op dat soort ruimtes. Daarom is hij interieurarchitect geworden, architectonisch vormgever, of beter nog: ruimtelijk ontwerper. ‘Een soort beeldhouwer, maar dan met ruimte.’ Grote, open, hoge plekken, bijvoorbeeld omhuld door de muren van een rijksmonument, waarbinnen nog van alles mogelijk is. Die lenen zich goed voor die manier van beeldhouwen. Alain de Botton betoogt in zijn boek De architectuur van het geluk dat mooie gebouwen tot doel hebben mensen in contact te blijven brengen met het streven naar het goede. Ons eraan te helpen herinneren dat het belangrijk is daarin te volharden. Omdat dat gelukkig maakt, zin geeft: ‘We zijn het aan de wormen en de bomen verschuldigd om ervoor te zorgen dat de gebouwen, waaronder we ze bedelven, de belofte zullen vormen van de hoogste en intelligentste vormen van geluk.’ Ramin Visch houdt er vooral van als de functie van een gebouw duidelijk is. Het Centraal Station van Eindhoven bijvoorbeeld, met het uiterlijk van een ouderwetse radio, gebouwd in de richting van de passerende treinen. Hij tekent het even. Daar tegenover staat voor Visch een wancreatie als Station Duivendrecht.

Ramin Visch: ‘Hoe kun je van zo’n helder gegeven als een station zoiets onduidelijks maken? Iets waar je zo moet zoeken, naar de trap, de lift, de bedoeling? Of het Centraal Station van Utrecht. Totale chaos. Dat dwingt je consument te zijn, terwijl je reist. Een gebouw moet zo functioneel mogelijk zijn. Helderheid en rust uitstralen. Het moet één beeld afgeven. Er bestaan gebouwen waarin elke bezoeker als hij binnenkomt eerst even stilstaat om erachter te komen waar hij is en wat hij nu moet doen. Dat lijkt me het ergste wat er is, als je dat gecreëerd hebt.’

Want goede architectuur moet een gast of gebruiker leiden, vindt Visch. De gast als vanzelf brengen waar hij of zij zijn moet, bij voorkeur zonder het gebruik van bordjes en pijlen. Want dan is het ontwerp eigenlijk mislukt. ‘Bij de eerste filmvertoning hier in het Ketelhuis liepen driehonderd mensen zó in één keer naar de rode deur waarachter de bioscoopzaal is.’

Geslaagd dus?

‘Ja. Het gebouw leidde hen, en ze kwamen intuïtief naar de plek waar ze moesten zijn.’

Het Amsterdamse Ketelhuis op het terrein van de vroegere Westergasfabriek herbergt al lang geen kolossale ketels meer. De overgebleven bakstenen wanden die er al tientallen jaren staan, zag Visch als een schil, of een doos, waarin hij nieuwe dozen kan bouwen: ‘Blokken, zo noem ik het. Die een soort tijdelijkheid uitdrukken, alsof ik bang ben er iets blijvends neer te zetten.’

Is dat zo dan?

Ramin Visch: ‘Nee, dat toch niet. Het gaat mij vooral om het benadrukken van het contrast tussen wat er al was en wat ik eraan toevoeg. En daarvoor vind ik die blokvorm nu het meest geschikt.’ Blokken, die bijvoorbeeld bioscoopzalen blijken te zijn, hangend boven de foyer, bereikbaar met de trap door de lucht. De beschikbare oppervlakte is even groot als voorheen, maar lijkt door het toevoegen van nieuwe gebruiksruimtes aanzienlijk groter geworden. Leegte wordt nu gebruikt: ‘Ik respecteer wat er staat. Dat maakt het oude mooier, zorgt dat het ineens weer gezien wordt, en het nieuwe komt er ook beter door in beeld. Het voedt elkaar.’

Het plafond, de robuuste, oude draagbalken, de overgebleven sporen van techniek en functionaliteit laat Visch overigens onaangetast. Onopgeknapt. Pleisterwerk bladdert af, roestplekken mogen blijven: ‘Maar dat is ook een praktische keuze. Al het beschikbare geld stop ik in het nieuwe ontwerp; mijn ingreep moet kraakhelder zijn, in alle opzichten.’

Visch zit een beetje als een boer met kiespijn in de foyer van het Ketelhuis. De filmzalen zijn er, de trap is er, en de bar ook. Maar de tafeltjes en stoelen zijn nog niet goed: ‘Dit is een rommeltje. Er moet een grote leestafel komen, bijvoorbeeld. Banken, schemerlampen. Een ruimte moet de chaos die er onvermijdelijk in ontstaat kunnen overleven. Asbakken, prullenbakken, coniferen, brandmelders, affiches aan de muur. Hier lukt dat op deze manier niet, vind ik. Ik ga er snel werk van maken.’ Bovendien is door deze slordige opstelling af en toe iemand geneigd onder een gevaarlijke hoek van de trap door te lopen. ‘Heel erg, als je iets maakt en mensen stoten vervolgens voortdurend hun hoofd.’

Want Visch staat dicht bij de gebruiker van zijn creaties. Maar in praktische zin; op woorden die zelfs maar lijken te neigen naar esoterie reageert hij allergisch. ‘Ik heb niks met overgevoeligheid en softheid. Ik kom van de Vrije School en ben daar altijd kritisch over geweest’, verontschuldigt hij zich. ‘Mijn vader is beeldhouwer, mijn moeder schrijft kinderproza. Mijn zus en ik moesten eindeloos mee naar musea. Ook op vakantie. Maar ik wilde liever naar zee.’

Zelf ook iets in kunst gaan doen was dan ook niet Visch’ eerste idee: ‘Economie studeren leek me wel wat. Al was het maar om iets heel anders te gaan doen dan mijn vader.’ Maar het bloed bleek te kruipen waar het niet gaan kon, en Visch ging naar de kunstacademie in Tilburg. Daar volgde hij het propedeusejaar en studeerde daarna een jaar beeldhouwen.

Ramin Visch: ‘Eigenlijk was dat in die musea al die jaren ook het enige wat me echt kon boeien. Voor een schilderij moet je zo stilstaan; ik hield van de ruimtelijkheid van beeldhouwwerken, het eromheen kunnen lopen, er op een fysieke manier contact mee maken.’ Maar het was het toch niet helemaal, en hij zocht verder. Op de Rietveld Academie vond hij zijn plek: de studie architectonische vormgeving: ‘Werk van Richard Serra vind ik bijvoorbeeld prachtig; hij maakt volumes waar je niet omheen kunt. Soms letterlijk. Heel zware stalen platen waar je echt een paar meter voor om moet lopen, die iets met de ruimte doen en jou als medegebruiker daarvan dwingen bepaalde keuzes te maken. Dat sculpturale hoop ik terug te zien in wat ik zelf maak.’

Min of meer toevallig is het ontwerpen van een nieuwe inrichting voor een oud gebouw Visch’ specialiteit geworden. Het begon met een scheidingswand in een ruimte voor drugsgebruikers aan de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam, gevolgd door het transformeren van de voormalige productiehallen van een fietsenfabriek naar een reclamebureau. Het Ketelhuis en de Espressofabriek op het terrein van de voormalige Westergasfabriek zijn zijn laatste grote creaties. Het gaat Visch niet om de valse romantiek van een authentiek (fabrieks)gebouw, maar om een helder nieuw gebruik van bestaande ruimte.

‘Ik hou van grote hallen; het Grand Central Station in New York, de Beurs van Berlage, of de entree van het oude ABN Amro-gebouw aan de Vijzelgracht, beter bekend als De Bazel. Daar zul je voelen dat je klein bent en bij een grote instantie op bezoek bent. Kraakhelder, duidelijk communiceren vind ik dat. Economisch onvoordelig, dat wel, daarom zal er nu niet meer zo snel op die manier gebouwd worden. Al die ruimte, groot, leeg, waar je voor zoveel huur per maand zoveel kantoortjes of winkeltjes zou kunnen neerzetten. Of neem een wolkenkrabber, ook prachtig: een deurtje onderin en verder alleen maar loodrecht omhoog. Kijk naar modelspoorbouw: alle gebouwtjes zijn duidelijk, je ziet direct de functie.’

‘Kraakhelder’ is een woord dat Visch graag gebruikt. Omdat het staat voor waar hij van houdt en wat hij zelf graag maakt. Met ‘schoon’ of ‘strak’ heeft het niks te maken: ‘Nee, want ik houd er juist van als een ruimte duidelijk gebruikt wordt, als vloeren vies worden en een stalen trap gaat roesten. Als het leeft, dat vind ik prettig. Ik gebruik ook graag echte materialen, zoals beton, staal, glas, hout. Die nemen een bepaalde robuustheid mee. Nadeel ervan is dat het geluid er als een gek in weerkaatst, dus dat moet ik dan weer in het ontwerp ondervangen. Café De Jaren in Amsterdam vind ik een mooie plek, maar na een half uur word ik gek van het geluid. De akoestiek heeft ook een enorme invloed op hoe je je ergens voelt.’

Een van de meest rampzalige gebouwen vindt Visch het Joods Museum in Berlijn, van Daniel Libeskind: ‘Omdat je je daar hoe dan ook rot gaat voelen.’ Die inleving kan dan wel de bedoeling van de architect zijn, in een poging om met zijn gebouw iets van het desolate van het kampleven te laten voelen, maar zó sturend hoeft architectuur voor Visch ook weer niet te zijn.

Liever denkt hij terug aan zijn bezoek aan het witte kerkje Notre Dame du Haut van Le Corbusier, in Ronchamp: ‘Daar werd ik heel gelukkig van. Omdat dat een ongelooflijke ruimte-ervaring geeft; het is eigenlijk een gebeeldhouwde kerk, met een gleuf waar licht doorheen komt. Ik denk dat daar nog nooit iemand naar de deur heeft gezocht.’

www.raminvisch.nl