Gered door de nazi’s

Mijn joodse vader, mascotte van de SS

Vijftig jaar lang hield de man zijn levensgeschiedenis geheim. Tot hij zijn verhaal opbiechtte aan zijn Australische gezin: als joodse weesjongen werd hij gered door de nazi’s. Zoon Mark Kurzem schreef op hoezeer het verhaal hem verbaasde en hoezeer het holocaust-experts heeft verdeeld.

Mijn vader had er zijn hele leven over gezwegen. In de tijd dat mijn broers en ik opgroeiden in het zonnige Melbourne, in de jaren zeventig, dachten we er niet aan om vragen te stellen over waar hij vandaan kwam of wie zijn familie was geweest. Mijn moeder Patricia deed dat ook niet. Zo ging dat in Australië in mijn jeugd. En nog steeds is het meer het land van de vergetelheid dan van de herinnering. Na de oorlog ontvluchtten immigranten het sombere, verwoeste Europa en ook mijn vader kwam als jongen van vijftien in Sydney aan. Veel van die immigranten verdrongen de trauma’s van het duistere verleden en richtten hun blik op de toekomst, op het intens kleurrijke leven dat Australië had te bieden. Dat deed mijn vader ook.

Net als alle anderen had mijn vader verhalen over zijn verleden, over zijn jeugd in Europa tijdens de oorlog. En hij stond erom bekend dat hij prachtig kon vertellen; hij was een charismatische persoonlijkheid. De hele kamer hing aan zijn lippen, en hij had ons allemaal in zijn ban. Zijn verhalen waren doortrokken van tragiek, zoals die van veel mensen die hun toevlucht hadden gezocht in Australië. Hij kon zich weinig details herinneren van wat hem was overkomen, dus haalde hij foto’s en souvenirs uit de haveloze, oude koffer die hij had meegenomen uit Europa, als rekwisieten om zijn wat grimmige sprookjes mee aan te kleden. Ons lievelingssprookje ging ongeveer als volgt: op een dag, in het begin van de oorlog, verloor hij zijn ouders, die herders waren, uit het oog. Hij kon ze niet meer terugvinden, verdwaalde in het bos en vergat uiteindelijk hoe hij heette. Maar volgens hem was hij toentertijd zo’n vijf jaar oud en van Russische komaf.

Hij overleefde in zijn eentje in het bos, zocht overal naar eten en voedde zich met bessen en dergelijke. Zo nu en dan kreeg hij een maaltijd en een bed bij een boer. Maar in de ochtend werd hij altijd weer weggestuurd.

Ten slotte werd hij gered door Letse soldaten. Dat was het slot van zijn verhaal waar we allemaal verrukt van waren en de stilte was bijna tastbaar als we op zijn woorden wachtten: op een ochtend vroeg in de zomer waren die soldaten in het bos op zoek naar partizanen, toen ze hem slapend onder een boom vonden. Ze namen hem mee naar hun basiskamp, waar ze hem te eten gaven en hem een militair uniformpje aantrokken. En omdat hij zich niet kon herinneren wie hij was, gaven ze hem een naam — Uldis Kurzemnieks. Kurzemnieks betekende «iemand uit Kurzeme», een streek in Letland. In de jaren daarna trok hij met ze mee op hun missies in het door de oorlog verscheurde Oost-Europa. Al die tijd zorgden ze voor hem alsof hij een van de hunnen was. Die mannen hadden hem gered, en mijn vader, de jongen zonder geheugen, werd hun mascotte.

Dat was het verhaal dat we allemaal voor waar aannamen. En Kurzem was de naam die we droegen. Wij waren de familie van Alex Kurzem, de Aussie-versie van een naam die te moeilijk was om uit te spreken.

Tot mijn vader ineens, op een avond zes jaar geleden toen we samen een kopje thee zaten te drinken, aankondigde dat hij een bloem op het graf van zijn moeder wilde leggen, waar dat zich ook mocht bevinden, en dat hij vóór hij doodging wilde weten hoe hij echt heette. Ik luisterde toen hij impressies uit zijn jeugd en vage herinneringen begon op te halen. Hij biechtte op dat hij ons leugens had verteld. Nou ja, geen regelrechte leugens, maar halve waarheden. Het was alsof hij me een geheime zonde bekende, die hij lang verborgen had gehouden.

Hij was geen Russische herdersjongen, maar hij had geen idee wie hij wél was of waar hij vandaan kwam. Het enige aanknopingspunt zou kunnen liggen in twee woorden — «Koidanov» en «Panok» — die hij almaar in zichzelf had herhaald in de lange jaren waarin hij had gezwegen. Hij was misschien zo’n vijf jaar geweest toen het volgende had plaats gevonden. Hij herinnerde zich de komst van soldaten in de stad, en het willekeurige geweld waarmee ze de bewoners optrommelden en bijeendreven in een omheind gebied waar ze moesten gaan wonen. Hij herinnerde zich dat de soldaten op een nacht inbraken en familieleden met knuppels bewerkten. Hij herinnerde zich dat zijn moeder de slagen opving om hem en de andere kinderen te beschermen; het bloed droop van haar gezicht terwijl hij zich onder haar verborg. Hij kon zich niet herinneren wat er met zijn vader was gebeurd, alleen dat zijn moeder hem had verteld dat hij dood was.

Hij herinnerde zich dat hij op een ochtend in een groep werd gezet en onder bedreiging van geweren werd gedwongen een pad af te lopen. Er klonk gegil, geschreeuw, hij hoorde schoten, en daarna werd het doodstil. Zijn moeder greep zijn hand en probeerde twee jongere kinderen te dragen, een jongen en een meisje. Misschien zijn broertje en zusje. Toen hij verder het pad af liep, zag hij het grasveld aan de rand van de stad liggen. Hij voelde hoe zijn moeders hand de zijne steviger vastgreep terwijl ze begon te trillen. Er gebeurde iets, maar hij begreep niet wat er precies aan de hand was.

Plotseling barstte er een noodweer los. In de stortvloed raakten mensen in paniek. De soldaten dwongen iedereen weer de heuvel op te lopen en hun huis in te gaan. Hij herinnerde zich dat zijn moeder hem later die avond op haar knie nam en hem vertelde dat ze de dag erna allemaal zouden sterven, dat hij dapper moest zijn en haar moest helpen met zijn broertje en zusje en dat hij niet bang moest zijn. Zij zou bij hem blijven.

Zijn geheugen nam een sprong naar een later moment in diezelfde nacht. Hij herinnerde zich dat hij wakker werd en dacht: ik wil niet dood. Hij klom uit bed, kleedde zich aan, kuste zijn slapende moeder gedag, ging het huis uit en klom door een gat in de omheining waardoor hij al vaker was «ontsnapt», meestal met zijn vriend wiens naam hij niet meer wist.

Hij stond op het grasveld. Het geluid van een vaag gekreun dat uit de aarde zelf leek te komen joeg hem angst aan en hij liep verder, een heuveltje op. Boven viel hij in slaap. ’s Ochtends werd hij wakker van het geluid van schoten. Vanachter een boom keek hij naar beneden naar het grasveld. Vrouwen, kinderen en oude mannen werden uitgekleed, doodgeschoten en met een bajonet in een gat in de aarde geduwd dat uit zichzelf leek te bewegen. Hij zag zijn moeder en zijn verdere familie bij de kuil staan. Hij beet op zijn hand om niet te schreeuwen. Hij draaide zich om en rende dieper het bos in. Toen hij wakker werd, was het donker; het beeld van wat hij die ochtend had gezien, wilde maar niet weggaan. Hij vertelde dat het in zijn netvlies was gebrand. «Dat is alles», zei hij, terwijl hij nog een lepel suiker in zijn thee deed, «afgezien van nog één ding. Ik ben joods.»

Die avond werden alle vragen die ik was «vergeten» te stellen, uit zichzelf beantwoord toen mijn vader zich verder openstelde voor zijn verleden. Hij vertelde dat hij maandenlang in de bossen had gedwaald terwijl het winter begon te worden. Op een morgen stuitte hij op het lijk van een soldaat en trok hem zijn jas en zijn laarzen uit. Hij leefde op bessen en wat hij verder maar kon vinden. Soms werd hij er ziek van, zo leerde hij in de loop van de tijd wat wel en niet eetbaar was.

«Je kunt het je niet voorstellen, Mark. Soms zoog ik op de mouw van de jas en deed net of het brood was. Maar toen het warmer werd, waren er genoeg aardbeien te vinden… onder de lijken die ik overal tegenkwam. De aardbeien werden groot en sappig van de lijken.»

We zwegen allebei. Hij kuchte nerveus en schraapte zijn keel, een gewoonte die hij al had zo lang ik me kon herinneren. «Ik was vooral bang voor vreemde geluiden in het bos. Het ergste van alles was het geluid van de wolven. Ik was blij dat ik toen ik klein was, had geleerd om in onze appelboom te klimmen, want nu kon ik in iedere boom klimmen die ik maar tegenkwam. Daar kregen de wolven me niet te pakken. Voor ik in slaap viel, bond ik mezelf met een lap aan de takken van een boom.»

In de stilte van de vroege morgen zag ik voor me hoe hij zo behendig als een aapje naar beneden klom en weer verder trok, een komisch figuurtje, met de panden van de zware, militaire jas die achter hem aan sleepten en zijn te grote laarzen die meer op peddels leken terwijl hij door de sneeuw waadde, op weg naar nergens.

Soms kwam hij langs een afgelegen boerderij. Als het aardige mensen waren, mocht hij er ’s nachts slapen. Ze stelden geen vragen als ze hem weer wegstuurden. Door de aanhoudende shock en honger vergat hij hoe hij heette. Omdat hij pas vijf was, heeft hij nooit precies geweten waar hij vandaan kwam.

Zijn redding door Letse soldaten bleek ook niet zo gegaan te zijn als hij altijd had beschreven. In werkelijkheid was een boer hem in het bos tegengekomen; hij zag dat mijn vader joods was en sloeg hem in elkaar. Hij sleurde hem naar een schoolplein in een dorp in de buurt waar leden van een nazi-doodseskader of een Einsatzgruppe joden en partizanen doodschoten. Krankzinnig van de honger liep mijn vader naar voren en smeekte of hij nog één keer een stuk brood mocht proeven. Een soldaat, Jekabs Kanis, griste de jongen weg uit de vuurlinie. Kanis nam mijn vader mee de school in. Hij schonk hem een stuk brood en zijn leven. Op voorwaarde dat hij nooit zou vertellen dat hij joods was.

«Ik had geen idee wat joods betekende, maar ik had geleerd dat het riskant was. Vanaf die dag heb ik het feit dat ik joods was, verborgen gehouden.» (Ik herinnerde me nu ook dat mijn vader zich in mijn jeugd nooit naakt aan ons vertoonde. Waarschijnlijk was hij zelfs bang dat zijn eigen zoons zouden zien dat hij joods was.) «Ik zal je één ding zeggen, jongen: ik zou zelfs met de duivel zijn meegegaan voor een stuk brood!»

Toen ze uiteindelijk teruggingen naar het basiskamp gaven ze hem de naam Kurzemnieks, maar nu kreeg ik te horen dat er in plaats van een «onschuldig» militair uniformpje, een klein, Lets SS-pakje voor hem werd gemaakt. Het stond hem prachtig, zoals op foto’s is te zien. Een paar weken later werd ook de officiële versie van zijn redding en zijn vroegere identiteit als Russische jongen bedacht door de commandant van de troepen, een man die Karlis Lobe heette.

(Lobe vertelde me eenzelfde versie van de gebeurtenissen toen ik hem in Stockholm achterhaalde, en zo staat het ook in zijn memoires.) Mijn vader werd «gefatsoeneerd», letterlijk en figuurlijk. Ik zal nooit te weten komen waarom de soldaten besloten hem in leven te laten. Wellicht realiseerden ze zich, in die dronken orgie van geweld, even dat ze menselijk waren. Maar ze hielden zich allemaal aan die stilzwijgende afspraak. Er werd nooit meer over gesproken dat mijn vader joods was.

In de loop van de nacht had mijn vader opgebiecht dat hij in de jaren dat hij met de troepen mee trok, getuige was geweest van vele wreedheden waarover hij nog steeds niet kan praten. (Toen ik later het spoor volgde van Lobe en anderen uit het Kurzeme- bataljon kwam ik meer te weten over hun vuile werk. Het waren geen «onschuldige» jagers op partizanen. Ze waren betrokken geweest bij talrijke gruweldaden. Lobe werd er ook van beschuldigd nauw betrokken te zijn geweest bij de organisatie van het Rumbula-bloedbad even buiten Riga waarbij meer dan dertigduizend Letse joden omkwamen.)

Uiteindelijk werd besloten dat mijn vader in Riga moest worden ondergebracht bij een vriendelijk Lets gezin, de familie Dzenis. Zij waren erg aardig voor hem en zorgden dat zijn leven weer enigszins normaal werd. Ik kreeg ook gedetailleerder te horen hoe Lobe ervoor had gezorgd dat mijn vader in die periode bekend kwam te staan als Letlands jongste, patriottische soldaat. Zijn faam begon zich in de streek te verspreiden nadat er artikelen over hem in de krant waren verschenen. Er werd zelfs een nazi-propagandafilmpje over hem gemaakt toen hij zeven jaar was, compleet met uniform en pistool. Later werden hiervan nog zeven minuten ontdekt in de Letse filmarchieven. Dat filmpje had daar zestig jaar lang zomaar in een stoffig hoekje van een opslagkamer gelegen, zonder dat iemand het had bekeken.

Toen het bijna licht was geworden, bleef mijn vader zwijgend zitten. Ik keek hem even steels aan. Natuurlijk had hij nog steeds iets van de zorgeloze man die hij altijd was geweest — de excentriekeling die me het ene jaar een aap gaf voor mijn verjaardag en het volgende een paar geiten; de bekende persoon in de buurt die op hete zomermiddagen buiten klusjes opknapte; een komische figuur, met zijn magere, tengere lijf gehuld in een wijde short. Maar het was alsof ik nu door een sluier naar hem zat te kijken.

Ik kon niet in slaap komen. Waarom had hij ervoor gekozen om niemand hierover te vertellen, zelfs mijn moeder niet, de vrouw met wie hij 48 jaar getrouwd was? Ik dacht na over het verhaal dat hij in mijn jeugd altijd had verteld. Ik begreep nu dat hij ons al die tijd aan het aftasten was geweest. Misschien wilde hij de verschrikking van wat hij had ervaren op een of andere manier aanvaardbaarder voor ons maken. Of misschien zocht hij naar een manier om het verleden te sussen, alsof het minder gruwelijk zou worden als hij het telkens weer afzwakte. Of kwam het door het idee waarvan Lobe en anderen hem tot in zijn diepste wezen hadden doordrongen — dat zijn identiteit een zonde en een misdaad was en dat zijn lot erdoor werd bepaald? Hij was niet anders dan al die anderen die door de soldaten waren vermoord, en toch hadden diezelfde mannen hem gered; dus konden ze hem, wanneer ze maar wilden, evengoed doden. Wat zijn redenen ook geweest waren, ik vroeg me af welke schade hij had ondervonden van die vreemde misvormingen van het verleden, die ervoor hadden gezorgd dat hij het had overleefd. Daar kon ik geen antwoord op geven.

In de daaropvolgende dagen vertelde hij de waarheid aan mijn moeder en mijn broers, Martin en Andrew. Later, toen ik naar ons ouderlijk huis ging, was iedereen daar bij elkaar, maar we konden niets tegen elkaar zeggen, er was geen troost. Niets kon ons bevrijden van wat we nu wisten. De pijn zou niet makkelijk weg te nemen zijn. Er daalde een doffe, grauwe wanhoop op ons neer.

Mijn broers hebben er tot op de dag van vandaag niet meer over gesproken. Mijn moeder was ten diepste aangetast door de onthullingen van mijn vader. Ze was een verlegen, teruggetrokken vrouw die nooit over haar gevoelens sprak. Maar wat ze niet in woorden zei, werd duidelijk gemaakt in haar daden. Ze bleef standvastig in haar loyaliteit aan mijn vader. «Je vader is een eerlijk mens. Hij zou nooit liegen», zei ze simpelweg. Toen ze nog leefde, was ze mijn vaders beste vriendin, en een meelevende kameraad op de vele reizen die hij vervolgens maakte naar zijn verleden.

Mijn moeders gevoel voor rechtvaardigheid en fair play werd in de maanden daarna op de proef gesteld. Mijn vader werd een tikje krankzinnig en had een meedogenloze behoefte om iedereen zijn verhaal telkens opnieuw te vertellen. Hij werd net een kwebbelend lijk dat weigerde te gaan liggen. Hij bleef het onuitspreekbare maar uitspreken zodat ons hele wereldje uit het lood werd geslagen. Sommige leden van de Letse gemeenschap in Melbourne begonnen afstand van hem te nemen. Hij werd geconfronteerd met een oorverdovende stilte. Vrienden namen een laconieke Aussie-houding aan, die voorschrijft dat je gewoon doorgaat met je leven. «Is dat zo gegaan, Alex? Vreselijk, echt verschrikkelijk. Maar evengoed ben je er nog, in het beste land ter wereld. Tel je zegeningen, makker. Jij bent een van de gelukkigen, je hebt het getroffen, je leeft nog!» Het was duidelijk dat een heleboel mensen de oude Alex terug wilden hebben.

Maar wat we helemaal niet hadden verwacht, was de venijnige kritiek die mijn vader te verduren kreeg toen hij besloot een holocaust-getuigenis af te leggen in Melbourne. In plaats van dat hij meelevend werd behandeld als een «ondersteunende getuige» kreeg hij vreselijke beschuldigingen naar zijn hoofd geslingerd. Een medewerker van het Holocaust Centrum hield vol dat het verhaal nergens op sloeg — er waren geen natrekbare details. Mijn vader werd als leugenaar gebrandmerkt; als een soort Wilkomirski, een fraudeur, een bedrieger, een belediging voor de nagedachtenis van de holocaust. Iemand anders beweerde zelfs dat mijn vader op een bedrieglijke manier holocaust-compensatie probeerde te krijgen.

Er verschenen nog meer «poortwachters van de herinnering» — een term die ik gebruik voor diegenen die mijn vaders weg naar zijn verleden blokkeerden — op het toneel toen het nieuws van zijn verhaal zich verspreidde. Die mensen suggereerden dat mijn vader leed aan het «valse-herinneringensyndroom» en dat hij de boel dus niet met opzet bedroog. Een derde categorie poortwachters stelde zich agressiever op. Als het verhaal waar was, dan had mijn vader zijn mond moeten houden. Hij had zich moeten schamen omdat hij «per slot van rekening vrijwillig bij de SS was gegaan toen hij vijf was» en dus «medeplichtig was aan de moord op zes miljoen joden».

Achteraf gezien was het naïef om te geloven dat die poortwachters blij zouden zijn dat dat jongetje het had overleefd. Het hele verhaal van zijn overleving — waarvan we later hebben bewezen dat het waar was — was een hinderlijke aanval op de keurig afgebakende categorieën goed en fout, die waren geformuleerd om de collectieve ervaring van de holocaust enige integriteit te verschaffen. Het laatste wat ze wilden, was wel een joods kind dat het had overleefd omdat SS’ers van hem gehouden hadden en voor hem hadden gezorgd.

Mijn vaders zoektocht naar zijn verleden was niet eenvoudig. Omdat hij geen hulp kreeg van de joodse gemeenschap stond hij van het begin af aan alleen in zijn strijd om de waarheid te legitimeren. In die periode herinnerde hij me aan zijn wens om het graf van zijn moeder te bezoeken en om erachter te komen wie hij was. Hij vroeg of ik hem wilde helpen, en samen keerden we de cynische, verbitterde mensen die hem beschuldigden de rug toe.

Ons uitgangspunt was: proberen de betekenis van de woorden «Koidanov» en «Panok» te achterhalen. Na weken research te hebben gepleegd, ontdekten we wat Koidanov betekende. Het was de naam van een dorp in het vooroorlogse Belarus, Wit- Rusland. (Het dorp staat nu bekend als Dzersjinsk.) Was hij daar getuige geweest van die gruwelijke massaslachting? En dat tweede woord, Panok, was dat zijn oorspronkelijke achternaam?

Om antwoord te krijgen op die vragen moesten we naar Wit-Rusland. In 1998 gingen we er voor het eerst heen. Het was een gedenkwaardige reis, waarin het verleden van mijn vader zich voor hem opende. Van alle dingen die hij had verteld, troffen we bewijzen aan.

Binnen één dag vond hij het spoor van bijna zestig jaar geleden terug, toen de massavernietiging van zijn dorp had plaatsgevonden. Van vreemden die naar buiten waren gekomen om te kijken wie die vreemde bezoeker was, hoorde hij de details van het bloedbad in Koidanov, dat zich op 21 oktober 1941 had afgespeeld op het grasveld dat hij had beschreven. Hij keek zwijgend naar de helling waarover hij als kind naar beneden had moeten lopen.

Er volgden nog meer ongelooflijke toevalligheden, waarvan de belangrijkste een ontmoeting was met iemand die mijn vader in contact bracht met een man die wellicht zijn halfbroer is. Deze man, Erick Galperin, liet hem een huis zien dat precies overeenkwam met zijn beschrijving van de plek waar hij tijdens zijn te korte jeugd had gewoond. In de tuin stond de appelboom waarin hij als jongen was geklommen.

Binnen kreeg mijn vader foto’s van Ericks familie te zien. De gezichten die naar hem opkeken, vertoonden een griezelige gelijkenis met het zijne. Mijn vader begon te accepteren dat hij misschien familie was van Erick, dat hij een Galperin zou kunnen zijn. Erick vertelde hem dat Panok de naam was geweest van het gezin dat voor de oorlog naast hen had gewoond en dat was omgekomen bij het bloedbad. De gebeurtenissen die hierboven zijn beschreven, waren nog maar het topje van de ijsberg. Aan het eind van de reis was mijn vader ervan overtuigd dat hij van oorsprong de kleine Ilja Galperin was, zoon van Solomon en Hana uit Koidanov. Als laatste daad legde hij een bloem op het massagraf waar, naar hij nu geloofde, zijn moeder en andere familieleden lagen begraven.

In de jaren daarna heb ik geprobeerd meer stukjes van het verhaal bij elkaar te krijgen, en daarvoor zijn mijn vader, mijn moeder en ik diverse malen teruggekeerd naar Wit-Rusland en Letland. Iedere reis haalt nieuwe, levendige herinneringen in mijn vader naar boven. Iedere reis levert meer bewijsmateriaal op dat zijn verhaal ondersteunt: een vervalst geboortebewijs uit 1942, foto’s en natuurlijk dat korte propagandafilmpje. Het is ook duidelijk geworden dat hij was opgepikt door soldaten van het Kurzeme-bataljon. Dit zou al gebeurd kunnen zijn in januari 1942, maar waarschijnlijker is het juni 1942 geweest. Het heeft allemaal echt plaatsgevonden; alle twijfels die ik ooit had, zijn verdwenen.

Nu lijkt er bijna dagelijks een nieuw stukje van de puzzel op te duiken en we doen ons best om dat een logisch plekje te geven — als er al enige logica zit in dit geheel. We zijn vele richtingen op geleid, naar nog schokkender en verbazingwekkender details. Er hebben zich mensen gemeld die zich de kleine mascotte herinnerden, en daarna zijn er weer nieuwe poortwachters van de herinnering — oorlogsmisdadigers, illegale patriottistische groeperingen, mensen die op oorlogsmisdadigers jagen — opgestaan die weer nieuwe intriges en raadsels opwierpen om zich het verleden van mijn vader toe te eigenen.

Misschien zal het een verhaal blijken te zijn zonder einde, zonder de bevrijding die je zou moeten ervaren als het verleden gaat spreken. Soms ziet mijn vader de wrange humor van het geheel in, dat hij een naam heeft, Ilja Galperin. Op andere momenten zegt hij: «Soms heb ik het gevoel dat er twee mensen in me huizen. Jarenlang hebben ze gezwegen, maar nu zijn ze ontwaakt. Ze kunnen het niet zo goed met elkaar vinden.» Dan glimlacht hij. «Zo is het in het leven nu eenmaal gelopen.»

Tja. Ik kan niet goedmaken wat mijn vader is afgenomen. Maar ik ben vast van plan de waarheid boven tafel te krijgen, waar anderen geprobeerd hebben hem het zwijgen op te leggen. Dat is niet eenvoudig, want de waarheid kan een last zijn.

Copyright Mark Kurzem, 2003

Vertaling: Tineke Funhoff