Twintig jaar Rusland Argwaan voor de immigrant

‘Mijn jukbeenderen verraden me’

In het hedendaagse Rusland wordt geen enkele gastarbeiter nog vertrouwd. Er zijn te veel aanslagen geweest waar migranten iets mee te maken hadden, en ze pikken werk in. Aldus ‘Jack’, een Kaukasiër in Moskou.

TIEN JAAR GELEDEN was ik in Osj, Kirgizië. Daar kom ik een schoolverlater zonder diploma tegen, hij wil zijn Engels oefenen. ‘Call me Jack.’ Een paar jaar schrijft hij me ietwat kinderlijke brieven. Af en toe vraagt hij geld, voor een dood of ziek familielid. Ik stuur een kattenbelletje, soms een cheque. Na een paar jaar droogt de correspondentie op. Mijn schuld. Ik had het gevoel te betalen voor zieke familieleden die vorig jaar nog dood waren. Eind vorig jaar krijg ik opeens een e-mail. Hij heeft me op internet gevonden en wil graag weer contact. En o ja, hij woont tegenwoordig in Moskou… Uit niets blijkt dat hij weet dat ik daar nu ook woon.
Het ruikt verdacht. Er gaan in Rusland geen mensen meer de Goelag in. Maar de val van het communisme heeft de veiligheidsdiensten niet uitgeschakeld. Integendeel, met de ex-spion Vladimir Poetin als president spelen ze een rol van belang. En buitenlanders in de val lokken schijnt nog altijd populair te zijn. Met enige regelmaat worden journalisten en diplomaten het land uit gezet wegens wandaden.
Zou dit een opzetje zijn? Ik vrees dat ik te onbelangrijk ben. Wanneer de veiligheidsdienst FSB zo wanhopig is dat ze a) mij nodig hebben en b) dat via een half-geletterde Aziaat op touw zetten, ben ik nieuwsgierig naar de afloop. Ik mail terug dat ik ook in Moskou woon. Hij reageert blij maar niet verrast. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is Moskou een magneet voor arbeidsmigranten. De stad heeft vijftien miljoen inwoners, waarvan een onbekend aantal miljoenen uit landen als Kirgizië, Oezbekistan, Kazachstan, Tadzjikistan en Russische deelrepublieken als Tsjetsjenië. Hier is werk, hier is geld. Moskou is het New York van de steppe.
Jack antwoordt verder dat hij bij een garage werkt, adres bijgevoegd. Metropool of niet, die garage is bij ons om de hoek, metro Krasnije Vorota, Rode Poort. Sterker, onze auto wordt er gerepareerd. Deze mail houdt me drie weken bezig. Een jongen die ik tien jaar geleden ontmoette in Osj werkt nu in onze garage in Moskou. In een stad met vijftien miljoen inwoners is hij mijn buurman.
Ik leg het vrienden voor. Ze vinden dat het zaakje stinkt. Maar Russen vertrouwen geen enkele gastarbeiter, zoals ze hier heten. Er zijn te veel oorlogen en te veel aanslagen geweest waar migranten iets mee te maken hadden. Ik denk: spitsvondigheid verdient waardering, en ik antwoord dat we koffie gaan drinken. Op basis van de naïeve brieven kan ik me nauwelijks vals spel voorstellen. Ik maak goede voornemens: als-ie op geld uit is, laat ik me hooguit honderd euro afzetten, hoeveel neven ook in het ziekenhuis zouden liggen. En beter niet meteen mee naar het bordeel. Het wordt uiteindelijk tweehonderd euro, maar weken later, als bijdrage in de kosten van onder de tafel aan te schaffen papieren. En in de loop van de tijd af en toe nog eens vijftig euro voor het een of ander.
Jack komt sindsdien langs voor hand- en spandiensten, vooral sinds hij weet in welke erbarmelijke staat onze oude Volkswagen verkeert. Wanneer hij even geen werk heeft, is hij dagen bezig met schroefjes vervangen, vloeistoffen bijvullen en het poetsen van de auto. En, denk ik er soms achteraan, met het aanbrengen van microfoons of het doorknippen van de remleidingen. Maar dat zie ik dan wel weer.
De meeste tijd steekt hij in het schoonmaken van de banden.
'De banden moeten zwart zijn.’
'Je bent niet wijs. Dit is een vieze stad. Auto’s wassen heeft sowieso geen zin.’
'Het is niet goed. Ik houd niet van vieze auto’s.’
'Leer me liever schelden in het Russisch of vertel over je werk.’
'Welk werk? Ik was masseur, kok, afwasser, monteur.’
'Waarom ben je weg bij die garage?’
'Ze hadden me al drie maanden niet betaald. Ik woonde daar, werkte er zeven dagen in de week. Voor duizend roebel per week. En zelfs die kreeg ik niet.’
Duizend roebel is 25 euro.
'En wat ga je nou doen?’
'Morgen begin ik als kok in een Chinees restaurant.’
'Hard werken?’
'Van twaalf tot twaalf.’
'Ook Russen daar?’
'Nee. Die werken in management of beveiliging. Nooit in de keuken.’
Je moet hem over Russen de bek niet openbreken. De Russische bevolking moet weinig van hem en de andere tsjornii zjop, 'zwartkonten’, hebben. De immigranten pikken zogenaamd werk in, al is het dan vies en slecht betaald werk dat Russen zelf mijden. De immigranten heten ook gewelddadig te zijn. Er zijn regelmatig botsingen met skinheads. Soms komt Jack niet opdagen op een afspraak. Dan is hij aangehouden. Af en toe gearresteerd, dat hoort erbij. Ik heb bij anderen wel eens gezien dat dat niet zachtzinnig gaat. Hij haalt zijn schouders op.
'Een paar klappen, ach.’ Hij is breed. Als hij me begroet, tilt hij me met één arm op. Als ik hem vraag hoe het zit met skinheads, trekt hij minachtend zijn wenkbrauwen op.
'Russen zuipen. Ze zijn niet fit.’
'Je bedoelt dat je ze makkelijk aankunt?’
’…’
'Hoe vaak is dat?’
'Een keer per maand? Twee keer? Ze vallen me lastig in de metro, altijd drie tegen één.’
'Houd je niet ook gewoon van vechten?’
Hij laat littekens zien.

ER IS NIET ZOIETS als 'de Russische droom’. Het is ieder voor zich. Misschien eenderde van de Moskovieten heeft echt een goed leven, met mooie banen en mooie huizen. Zoals Stjopa met wie ik wel eens ski, die als software-ingenieur werkt, de regering belachelijk vindt maar de activisten tegen de regering nog veel belachelijker. Nog eens eenderde kan de boodschappen net betalen, mits ze werken tot ze neervallen. Zoals Volodja die kolonel was ten tijde van de inval in Afghanistan. Nu maakt hij als grootvader nog lange dagen in de beveiliging. Er zijn ook de oudjes die leven van honderd euro pensioen per maand, massaal verlangend naar de glorie en de gedeelde karigheid onder het communisme. En dan dus de arbeidsmigranten, overwegend krabbelaars in de greep van grote en kleine bureaucraten. In de winter zou Moskou plat liggen wanneer ze niet alle sneeuw ruimden. En in de zomer zou iedereen permanent struikelen over alle lege flessen op straat. Iemand moet vegen.
Op een dag gaan we naar Jacks huis. We reizen een uur met de metro, naar het einde van de donkerblauwe lijn en dan is het nog een half uurtje lopen. We hoeven niet eens in een marsjroetka, een volgepropt busje. We lopen tussen haveloze schoenendozen door, vervallen flats tien hoog. Er zijn geen straatnamen, alleen huisnummers. Als je zo'n buurt voor het eerst ziet schrik je. Na een tijdje leer je beter kijken, dan zie je dat er geen zwerfvuil ligt, dat de speeltuin oud is maar net geschilderd, dat er gewone mensen wonen.
Hij waarschuwt me. 'Spielberg zou het niet verzinnen.’
'Wat?’
'Waar ik woon. Ik mag er eigenlijk niet eens naar binnen overdag.’
We gaan met een houten liftje naar de derde verdieping. Hij klopt aan, een anoniem vrouwtje laat ons binnen. Er staan zeker veertig paar schoenen in het gangetje. Het appartement bestaat uit twee kamers en een keuken. De kleine kamer is drie bij drie. Er staan een tv, een kast en een bank. Daar woont Jack. Met zijn vriendin die er nu niet is en met de verhuurder van de flat en diens vriendin. En met nog een stel dat sinds vorige week ingetrokken is. Jack en zijn meisje delen het bankstel. Tweehonderd euro per maand, inclusief afkopen van de politie. In de grote kamer huizen de andere achttien bewoners.
Op de bank kijken we in zijn fotoalbum. 'Dit is mijn moeder. Ze is hier in Moskou verdwenen. Ik kwam hier voor het eerst toen ik haar ging zoeken.’
Zijn moeder was in de war toen ze naar Moskou vertrok. Hij heeft na zijn twintigste nooit meer wat van haar gehoord. Ze was Tadzjieks, niet Kirgizisch zoals zijn vader. Door die combinatie ziet men Jack voor een Tsjetsjeen aan. Dat is goed in zijn ogen. Want voor Kaukasiërs zijn Russen tenminste bang. Ik merk het, de keren dat we in een café zitten worden we niet geholpen totdat ik Engels blaf in plaats van Russisch brabbel. 'Je zou je haar moeten verven’, zeg ik voor de grap. 'Dan heb je nergens last meer van.’
'Dat heb ik geprobeerd. Maar dit verraadt me.’ Jack wijst op zijn hoge jukbeenderen. Is het nog waar ook? Hij doet vaker naïef aan.
Als het op het nieuws over dit soort jongens gaat is het geen goed nieuws. De banen zijn er eerst voor de Russen, meldt Poetin zo nu en dan. Of er is ergens een aanslag gepleegd en er zijn alvast wat Tsjetsjenen gearresteerd. Onder intellectuelen en buitenlanders is het een geliefd thema om te speculeren of er binnenkort weer een revolutie komt. Dat de vorige twee revoluties (1917, 1991) door niemand voorspeld werden, maakt het spel alleen maar aantrekkelijker. Deze keer zou een mogelijke aanleiding het nationalisme kunnen zijn. En inderdaad, als je de voxpop over immigranten hoort is het altijd strijdvaardige taal: 'Wegwezen met die lui’ of 'We hebben ze nu genoeg geld gegeven, laat ze hun eigen land maar onderhouden’.
Al wordt dat laatste meestal meteen weer ingeslikt. Want Russen houden van elk stukje van het rijk, ook als er lastpakken wonen. Het verlangen naar herstel van de grenzen van de Sovjet-Unie is levend.
Jack knikt. Spontaan zegt hij: 'Lermontov kwam al naar de Kaukasus om het Russisch te maken.’
Het is een vervelend trekje van mensen uit het schoolsysteem hier dat ze boeken gelezen hebben. Weet een willekeurige arbeidsmigrant in Nederland wie Multatuli is?
'Maar de mensen in de Kaukasus weten niet beter dan vechten. Ook mijn Tsjetsjeense vrienden hier niet. Een pistool is geen opvallend bezit.’
'Kost dat?’
'Een Makarov? Honderd, tweehonderd euro. Een vriend zit in de gevangenis. Zogenaamd vanwege zo'n pistool. Maar ik denk dat het is omdat hij een echte moslim is.’
'Je bedoelt met een echte baard?’
Hij knikt. Het is me opgevallen dat hij de laatste tijd ook een baardje onderhoudt, kort en een beetje op zijn Chriet Titulaers geschoren, met blote flanken. 'Ga jij naar de moskee? Je drinkt ook al geen bier meer.’
'Ik ging wel. Als je geen werk hebt, niks, dan is het eenzaam. Maar de imams komen uit Jemen. Ze spreken Arabisch. Dus wat moet ik er?’

IK KIJK af en toe waar Jack werkt. Mijn ticket naar de onderkant van de Russische arbeidsmarkt, denk ik dan, al is dat flauwekul. Zolang je in de Moskouse horeca werkt, bik je geen steenkool op tweehonderd meter diepte. Op een dag gaan we dus uit eten, vrouw en kinderen mee. Er zijn in deze stad chiquere restaurants dan waar ook in Europa. Het is hier alsof de bouwsteentjes van het Parijse zestiende arrondissement en die van de buitenwijken van Boekarest door elkaar zijn gegooid. We worden eerst vriendelijk onthaald, zoals altijd. Maar zodra Jack uit de keuken komt om ons te begroeten, denken de meisjes van de bediening dat we gek zijn. Europeanen bevriend met een Kavkaz? In een ijzige sfeer zetten ze ons de gerechten voor die hij buiten ons gezicht gemaakt heeft. Bij ons vertrek komt hij niet uit de keuken.