Mijn kleine oorlog

Lieve Marscha, dochter van me. Opaps heeft godverdomme vrijdag geen tijd om op de kleinkinderen te passen en omams ook niet.

Als je nog iets leuks te lezen hebt, hou ik me van harte aanbevolen, maar het moet echt iets zijn waarvan jij weet dat ik ervan hou; dus geen boeken met geraffineerde plots en intelligente wendingen. Ik wil mooie zinnen en persoonlijkheid, meer niet.

Herinner jij je Peter P. nog? Dat was de vorige minnaar van M. met wie je vader daarna een verhouding aanknoopte? Nou, die is dood. M. belde mij om dat te melden, en ik dacht: waarom bel je mij? Ik heb toen jou van hem afgepakt. Maar ze gaf zelf het antwoord door te zeggen dat Peter mij altijd ‘bewonderde’. En hij vond dat ik hem altijd ‘met respect’ behandelde. Ik snapte er helemaal niks van. In mijn gedachten heb ik hem vernederd door – bijna veertig jaar geleden al weer – zijn vriendin af te pakken, maar misschien heeft hij dat wel gezien als een aardige geste van mij. Gek, ik herinner me dat ik de wereld toen al krankzinnig vond, en die is alleen maar krankzinniger geworden. De logica is uit het dagelijks leven verdwenen en atypisch gedrag is de norm. Beleefdheid is beheersing en regulering van dat wisselvallige gedrag, en die verdwijnt dus regeert Koning Onbegrip.

En ken jij Maria H. nog? Die vriendin van jouw oma? Die is op 103-jarige leeftijd gestorven. Zo zie je maar, als je lelijk bent en een rotkarakter hebt en neerkijkt op alles en iedereen, kun je nog heel oud worden.

Zeg, ik hoorde dat jouw vriend J. naar een misdadig land vertrekt om reportages te maken. Kun je vragen of hij daar voor mij een wapen wil kopen? Een licht handwapen graag, met kogels die dodelijk zijn. Dat kun je daar gewoon in de supermarkt halen. Ik betaal hem alles terug. Het is voor mezelf, dus helemaal in orde.

De reden van deze brief is dat ik mijn excuses wil maken voor mijn sombere, ­rancuneuze gelul

Ik weet dat ik de kleinkinderen te weinig zie, en dat dat mijn schuld is, maar ik moet nog steeds schrapen om de boel financieel rond te krijgen. Waar het mij aan schort is een gebrek aan geldzorgen. Ik bedoel: ik maak me nooit druk om geld en ben dus niet zuinig, terwijl ik dat wel moet zijn, en dan is het opeens weg en dan zit ik in de ‘merode’. (Woord dat we vroeger gebruikten om aan te geven dat je in de problemen zat. Vermoedelijk Jiddisch.)

De reden van deze brief is dat ik inderdaad mijn excuses wil maken voor mijn sombere, rancuneuze gelul waarmee ik je de hele tijd lastigval. Je had volkomen gelijk om niet meer naar dat gezever te willen luisteren, maar ik voel me nu eenmaal ellendig en eigenlijk is dat geklets van mij mijn oorlog tegen mezelf; ik wil niet zijn wat ik ben. Integendeel. Ik verafschuw het dat ik langzaamaan kruip in de zure geestesgesteldheid van opa, mijn vader, toen hij net zo oud was als ik; hij had de oorlog nog om alles te verwijten, ik alleen mezelf. Ik probeer het anker van vreugde weer op te trekken, zodat het schip weer verder kan varen, maar dat lukt me niet. Tot groot misnoegen van T. die het ‘gevaarlijk’ vindt, loop ik ’s nachts, als ik niet slapen kan, weer door de buurt. Ik probeer mijn wrok er dan uit te lopen om mijn galbalans op orde te krijgen, maar nu Moor niet meer mee kan wandelen omdat zij stervende is, hoewel haar staartje nog vrolijk zwiept, gaat dat slecht.

Liefde: mijn vader vertelde zelden verhaaltjes, maar als hij dat deed begon hij vaak met de zin: ‘De held in dit verhaal is mama.’

Liefs: Opaps.