Opheffer

Mijn land

Een aantal buitenlandse journalisten is geïnteresseerd in Nederland. Ze zien een verandering na de moorden op Fortuyn en Van Gogh en willen weten wat er aan de hand is. Ze komen bij mij, omdat ze op internet hebben gezien dat ik een boek over Theo van Gogh heb geschreven. Maar ze komen ook bij andere journalisten. Ik kan vaak aan hun vragen horen bij wie ze al geweest zijn.

«De multiculturele samenleving is pas laat in Nederland als een probleem gezien, is het niet?» O, die komen net van Paul Scheffer.

«Is het niet zo dat Nederland volstrekt naïef is, als het om moslims gaat?» O, die zijn zojuist bij Afshin Ellian geweest.

Hoe dan ook: iedere keer moet ik ook formuleren wat er met «mijn land» aan de hand is. Mijn land. Een volstrekt willekeurig historisch gegeven. Ik heb nooit iets gevoeld bij «mijn land». Ik herinner me nog dat we vroeger bij Het Parool discussieerden over wat nu precies «een Amsterdamse krant» was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een Rotterdamse krant. We kwamen niet verder dan dat er in een Amsterdamse krant meer Amsterdams nieuws moest – maar ergens voelde dat onbevredigend aan. Alsof een Amsterdamse identiteit alleen maar uit Amsterdams nieuws bestond. We formuleerden Amsterdamse criteria, maar die waren desondanks artificieel. Later keerde deze discussie terug bij de Amsterdamse zender AT5. Wat is precies een Amsterdamse zender? Dat bleek een zender met nieuws over Amsterdam. Meer niet. Iedere hoofdredacteur had weer een ander Amsterdam voor ogen.

En zo is het ook met mijn land. Mijn land – de absurditeit ervan zie je als er «blauwtong in Kerkrade» uitbreekt en er een cirkel wordt getrokken van 150 kilometer. Het grootste gedeelte van die cirkel ligt al niet in «mijn land».

Toch scheen «mijn land» veranderd. Er was sprake van een conservatieve reactie op abortus, rosse buurt, wietcafés en homohuwelijk. En die «change of mood» werd getypeerd door xenofobie, die uiteraard gepaard ging met een ruk naar ultrarechts.

Of de journalisten nu uit Frankrijk, Amerika of Engeland kwamen, iedere keer probeerde ik dit beeld te nuanceren. Ik had en heb geen hekel aan moslims, Theo van Gogh ook niet, we hadden alleen een hekel aan de islam. Pim Fortuyn was zeker niet links, maar ook absoluut niet ultrarechts; zijn rechtse fratsen kwamen eerder voort uit een vorm van baldadigheid dan uit een fascistoïde opvatting. Maar steeds merkte ik dat mijn buitenlandse collega-journalisten dat niet wilden horen.

Pim en Theo waren rechts, right wing.

Het enige programma dat het min of meer bij het rechte eind had, was het Amerikaanse Sixty Minutes, maar die hadden dan ook gedurende een week 55 man «op Nederland» gezet – voor een item van elf minuten. Theo werd neergezet als een «maverick», een tegendraadse gek, en dat was hij ook.

Theo is nu anderhalf jaar dood en om een of andere reden is het buitenland nog steeds in «mijn land» geïnteresseerd. Wat zijn de veranderingen in onze samenleving? Zijn we «rechtser» geworden? Hoe gaan we nu om met moslims? Het zijn de vragen die we dagelijks voorgeschoteld krijgen en ik kan er dan ook gemakkelijk antwoord op geven, maar ik merk teleurstelling bij mijn buitenlandse collegae. Het lijkt erop alsof het ze niet zint dat er een betrekkelijke rust is ingetreden, die misschien schijn is en zo kan omslaan, maar vooralsnog niet geleid heeft tot enorme rampen. Er zijn geen metrostations opgeblazen, geen regisseurs vermoord, terwijl we toch in Afghanistan zitten, we voor Israël zijn, we Ayaan Hirsi Ali het land uit hebben gepest. Ze zijn er zelfs zo teleurgesteld over dat ik ook ben gaan twijfelen. Is het een goed teken dat er maar een betrekkelijk kleine demonstratie was tegen Israël? Betekent dat niet veeleer dat alles zich onderhuids afspeelt, in de kleine zolderkamers in die buurten die je onmiddellijk herkent aan de schotelantennes? Ik weet het niet.

En dus ging ik met een Duitse televisieploeg op stap. Op zoek naar het nieuwe Nederland. Na anderhalf jaar keer ik terug naar de buurt van Mohammed B. in «mijn stad».

Maar gelukkig. Op het moment dat de cameraploeg uit de auto stapt, wordt er van ver door de moslimjeugd geroepen dat ze «geen camera’s» willen. Reden: de buurt is altijd slecht in het nieuws. Ik begrijp dat. De Duitse cameraploeg vraagt of ik naar de jongeren wil lopen.

«Nee», zeg ik. Dat doe ik niet.

«Waarom niet. Bent u bang?»

«Nee, ik vind het provocerend… Ik, de vriend van Theo van Gogh, moet niet verhaal gaan halen.»

«U bent dus bang.»

«Nee, ik ben niet bang.»

Ik krijg het de journalist niet uit zijn hoofd gepraat. Ik ben niet bang, en toch ga ik niet naar die jongens. Dat is net het soort moed waar ik niets mee te maken wil hebben. Ik noem het «commerciële moed». Het is wellicht aardig voor het kijkcijfer – al denk ik dat niet – maar ik vind het niet horen.

«Das tut man nicht.» De Duitsers zeggen dat ze me begrijpen en stappen weer in de auto.

«Nederland is angstig geworden», zegt de journalist.

«Nee, dat geloof ik niet.»

De Duitser zwijgt.

Even later parkeren we de auto. Een van de cameramensen vraagt of er een coffeeshop in de buurt is. Ik wijs hem er één en loop even mee.

«Dat durft u wel… Waarom durft u niet te erkennen dat u bang bent voor de moslims?»

Oké, ik ben bang in mijn land.