Mijn leven met sartre

Ooit waren Sartre en De Beauvoir zijn morele helden. Maar allengs sloeg de twijfel toe. En toen hij de brieven en dagboeken van het duo ging vertalen, bleef er nog maar een gevoel over: walging. Frans de Haan over zijn leven met ‘het meest authentieke paar van de eeuw’.
‘KINDERLIJKE LEUGENS, politieke domheid, geraffineerde vertekening, vooringenomenheid, geweld, verraad, bedrog, inconsistenties, contradicties, argumenten ad hominem, valse bescheidenheid, drankzucht, gegrien, overschatte literaire kwaliteiten…’

Dat zijn zware beschuldigingen. Nee, voor minder doet Frans de Haan het niet. En hij staat voor elk woord, heeft bij elke beschuldiging een verhaal. Hij kan alles documenteren, heeft de bewijsstukken klaar liggen, tientallen jaren lang heeft hij ze verzameld. En nu gaat hij het allemaal opschrijven. Hij werkt aan een reeks ‘subjectieve essays’ over Sartre en De Beauvoir, vermengd met persoonlijke herinneringen. Het wordt zijn definitieve afrekening met de twee die ooit 'het meest authentieke paar van de twintigste eeuw’ heetten, zo meldt hij in een stuk dat in Maatstaf zal verschijnen en waarin hij alvast de punten van zijn aanklacht opsomt. Zie citaat.
Is hier sprake van teleurstelling in wat ooit een grote liefde was?
'Nee hoor, het is gewoon regelrechte vadermoord’, bekent De Haan, romanist, vertaler. 'Het is mijn afscheid van een periode die heel vormend voor me is geweest, maar die ik definitief achter me heb gelaten.’
Vadermoord. Hij zegt het luchtig, met Franse nonchalance. Je ziet het voor je. Zwart-witbeelden uit een Franse film, jaren vijftig, zestig. Een natte straat, mistflarden rond de lantaarnpaal. De moordenaar - zwarte coltrui, zwarte broek - staat met de armen over elkaar, het pistool leunend op de linker onderarm. 'Le salaud’, zegt hij zonder zijn lippen te bewegen.
Het is al een aantal jaren na de moord. Maar de zwarte coltrui en de zwarte broek zijn er nog steeds. Voor de gelegenheid aangetrokken? Ze staan in ieder geval goed bij het interieur van de gloednieuwe flat aan de Amsterdamse Da Costakade. Kaal en strak. Zwarte boekenkasten met erg veel erg Franse ruggen: cremekleurig, met de titels in kleine lettertjes, horizontaal geplaatst. En natuurlijk een plank met zijn eigen oeuvre. Vertalingen van dikke historische werken. Paul Hazard, George Duby. Ook enkele jeugdzonden: de radicalist Regis Debray, de situationist Raoul Vaneigem. En zijn hoofdzonden: Sartre en De Beauvoir.
Recent vertaalde hij de monumentale biografie van Condorcet door het echtpaar Badinter. 'Dat werd mijn grote liefde na mijn episode met Sartre: de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting. En toen ik Condorcet onder handen had, wist ik: nu heb ik de man te pakken die het precieze tegendeel van Sartre is. Dezelfde sublieme intelligentie, maar met een volstrekt afwijzen van geweld. Hij was tegen de doodstraf, verwierp iedere vorm van destructie, werkte integendeel constructief aan een onderwijsprogramma, aan een grondwet. Hij had niets van die anti-houding van Sartre.’
MAAR OM DIE 'anti-houding’ was het hem wel ooit begonnen. Dat was in de grauwe jaren na de oorlog - 1952 om precies te zijn. Frans de Haan, zeventien jaar, zat op het Amsterdamse Vossiusgymnasium. Zijn vrienden gaven hem Sartre te lezen. De walging, De muur, De wegen der vrijheid. Hij voelde de opstand in zichzelf groeien. Tijd voor een daad. Hij pakte een velletje papier, schreef er in zijn netste handschrift een zin op die hij bij Sartre had gelezen, en hing het aan de muur van zijn zolderkamertje.
'Les resolutions les plus inebranlables, ce sont les pires.’ 'De meest onwrikbare beslissingen, dat zijn de slechtste’, zo vertaalt hij nu. 'Het was mijn protest tegen de onvrijheid en beperktheid van mijn omgeving. Sartre leerde me dat je verantwoordelijk bent voor wat je doet en dat je je vooral niet moet laten meeslepen door hoe het moet.’
Hij woonde nog bij zijn ouders thuis, in de edelstenenbuurt - ja, daar waar ook Gerard Reve was opgegroeid. 'Het huiselijke milieu was zeer kleinburgerlijk, eenvoudig, arm. Voor de oorlog was mijn vader zeven jaar werkloos geweest. Toen kwam de oorlog er nog overheen. De jaren van mijn puberteit waren kaal en grijs.’
Tot hij door het existentialisme werd geinfecteerd. 'Dat had als zeer ingrijpend gevolg dat ik met mijn ouders brak. Ze vonden dat het ras van het meisje waarmee ik ging niet deugde. Ik zeg altijd heel spottend: mijn ouders waren uiterst tolerant, ze hadden alleen iets tegen buitenlanders, joden, katholieken en protestanten. Uiteindelijk is mijn broer met een Francaise getrouwd, ik met een jodin, mijn oudste zus met een katholiek en mijn jongste zus ging om met een domineeszoon. Maar ik was de enige die echt met mijn ouders brak. In zekere zin was die breuk onherstelbaar.’
Op het Vossius volgde de universiteit. Donkere studentenkamers, kaarsen, slechte wijn en sigaretten, veel sigaretten. En Olofspoort. 'Dat was een soort anti-studentenvereniging, waar een sfeer heerste van vrijheid zoeken, nieuwe wegen zoeken. Daar werd heel wat afgediscussieerd. Bijvoorbeeld over de vraag: stel dat je in de oorlog geen zeven of acht was geweest, maar zeventien of achttien, hoe had je je dan gedragen? Dat hadden we in een Franse film gezien, Les tricheurs heette die geloof ik, De bedriegers. Het “waarheidsspelletje” noemden we het. Zou je de moed hebben gehad om in het verzet te gaan? En als je die moed niet had gehad, hoe ver zou je dan in je lafheid zijn gegaan? Ja, heel sartriaans, dat spelletje. Vuile handen of geen vuile handen, daar ging het om. Het was een zoektocht naar morele normen. En daarbij vloog het sartriaanse jargon je om de oren. Keuze, conflict, verantwoordelijkheid, relevantie. En “kwade trouw” natuurlijk: Welke inhoud moet je aan je authenticiteit geven? In hoeverre moet je eerlijk zijn? Daar voerden we diepgaande discussies over, al denk ik dat we uiteindelijk allemaal even onbetrouwbaar waren als Sartre zelf. Je kunt wel streven naar volstrekte eerlijkheid, maar daar kom je in het dagelijks leven niet geweldig ver mee. Wat te doen als je een vriendinnetje hebt en je wordt verliefd op een ander meisje? Eindeloze debatten hadden we daarover.’
DE KOUDE OORLOG kwam op stoom. Het 'waarheidsspelletje’ kreeg een andere, actuelere inzet. Voor of tegen de communisten, dat was de kwestie. En kiezen moest.
Wat koos Frans de Haan?
'Ik bewoog me in een kring die anarchistisch links was, zou je kunnen zeggen. Maar vooral anti-Amerikaans. Tijdens de Olympische Spelen vonden we het veel leuker wanneer er een Rus won dan wanneer het een Amerikaan was. Ja, zo kinderlijk lag dat. Het gevolg was wel dat je een soepele houding aannam tegenover dingen die in de Sovjetunie gebeurden. Je maakte troebele keuzen. Neem 1956, het jaar van de Hongaarse opstand, maar ook die van de aanval van de Fransen en de Engelsen op Egypte. Ik was vreselijk kwaad over de eenzijdige veroordeling van de Russen, terwijl er tegelijkertijd bommen vielen op Suez. Zo kwaad dat ik onmiddellijk lid werd van de communistische studentenvereniging Perikles. Al heb ik het daar maar zes weken uitgehouden.
Uiteraard speelde in die Koude-Oorlogstijd ook het conflict tussen Sartre en Camus een grote rol. Camus beweerde dat als iets slecht is, je het ook slecht moet noemen. Dus als ook maar het vermoeden bestaat dat er in de Sovjetunie concentratiekampen zijn, dan moet je daar onmiddellijk tegen ingaan. Waarop Sartre dan antwoordde dat je op die manier de tegenstanders van de vooruitgang, oftewel de voorstanders van de Amerikanen, in de kaart speelde. Dat viel zeker in Frankrijk in goede aarde, want anti-Amerikaanse gevoelens zijn er wijdverbreid, van links tot rechts.’
Na enig nadenken: 'Eigenlijk vond ik toen al Camus heel wat sympathieker dan Sartre. Al kan dat net zo goed een constructie achteraf zijn.’
DE HAAN VERRUILDE de Universiteit van Amsterdam voor die van Caen, in Normandie. Hij woonde er in een huis bestemd voor buitenlandse studenten. Veel Afrikanen. Zwarte sartrianen die debatteerden over de imperialistische oorlog en de bevrijding van de zwarte volkeren. Mocht daar geweld bij worden gebruikt? Sartre vond van wel. En Stan Adotevi, De Haans huisgenoot die op Sartre promoveerde, dus ook. Hij schopte het tot minister van Cultuur in Dahomey. De Haan: 'Mij is verteld dat hij later werd teruggevonden op het strand. Geexecuteerd.’
In de Franse pers nam in die tijd, eind jaren vijftig, de kritiek op het existentialisme steeds heftiger vormen aan. Het bedierf de jeugd, het leidde tot anarchisme en losbandigheid, tot ongewenste zwangerschappen, het ondermijnde de fundamenten van de Franse beschaving. Ook in Nederland, zo moest De Haan na zijn terugkeer vaststellen, lag het existentialisme onder vuur. 'Met name in het weekblad van de jezuieten, De Linie. Maar ook in kringen van de PvdA en de Vara moest men er niets van hebben. Want het zoop, het rookte, het gebruikte allemaal pepmiddelen, het haalde hele nachten door. Dat was de tijd dat je op PvdA-vergaderingen al met scheve ogen werd aangekeken als je een sigaret opstak. En drinken was er al helemaal niet bij, het leven mocht vooral niet leuk zijn.’
Hij kwam er dus wel, op die vergaderingen?
'Ja, je maakte natuurlijk persoonlijk een hele ontwikkeling door. Mijn puberale anarchisme en mijn neiging tot verzet evolueerden op den duur naar een heilig geloof in de sociaal-democratie. Ik geloofde absoluut niet meer in de revolutie, en ook absoluut niet in geweld. Ik herinner het me nog goed, het was de ochtend na de Nacht van Schmelzer, toen heb ik iemand van de partij opgebeld en hem gezegd: nu word ik lid!’
Waar De Haan zich al met al het meest aan stoorde, was Sartre’s heiligverklaring van verzet en geweld. 'Zijn houding en ook die van De Beauvoir’, schrijft hij voor Maatstaf, 'is er een van voortdurend verbaal protest, soms terecht, vaak extreem en zelfs extremistisch, tegen de bourgeoisie, tegen de Amerikanen en Amerika, tegen de liberalen, tegen de reformisten en de revisionisten, tegen de “valse” intellectuelen, tegen het parlementaire stelsel, soms ook tegen de communistische partijen, nooit tegen het communisme - en dat alles verpakt als strijd voor vrijheid en authenticiteit, tegen imperialisme en onderdrukking. Daarmee is onverbrekelijk verbonden de theoretische verheerlijking van geweld en terreur en van revolutie, waardoor vele nazaten van het kinderloze paar zich van Parijs tot Biafra in de praktijk lieten inspireren. “La passion de la destruction est une joie creatrice”, vergezeld van een instructie voor de vervaardiging van molotov-cocktails, 2/3 benzine + 1/3 zoutzuur, in fles met bodempje zand, lont in hals.’
'Geweld’, zegt hij peinzend, 'maakt een einde aan mensen die maar een leven hebben.’ En dan ineens weer op hoge toon: 'En Sartre wist maar al te goed hoe hij buiten schot moest blijven! Net een klein jongetje dat op het schoolplein aan de kant staat te stoken: “Sla hem op z'n bek, sla d'r op.” Ondertussen genoot hij complete onkwetsbaarheid. Niemand deed hem iets. Zoals De Gaulle zei: “Een Voltaire arresteer je niet.” ’
DAT WAS HET POLITIEKE afscheid. Een lang afscheid, dat in de jaren vijftig begon met twijfels over Sartre’s politieke stellingnamen, om in de jaren zestig te verkeren in regelrechte walging van zijn verbale terrorisme.
Maar de diepste teleursteling moest nog komen. Die kwam in 1981, toen kort na Sartres dood Het afscheid verscheen, Simone de Beauvoirs weergave van haar gesprekken met Sartre. Onder de puinhopen van de politieke bovenbouw bleek een totaal verrot filosofisch fundament te zitten. Vrijheid? Authenticiteit? Kwade trouw? Het bleken piepschuimen concepten, facademateriaal, dat bij de geringste aanraking week, om zicht te bieden op kelders vol ijdelheid, leugenachtigheid, eenzaamheid en verbittering.
'Het afscheid is een boek vol rancune tegenover Sartre’, zegt De Haan. En hij kan het weten, want hij heeft, als vertaler, ieder woord ervan gesmaakt. 'Overal proef je de voordien zo zorgvuldig weggestopte jaloezie over zijn vrouwenavonturen, de verbittering over het verlies van de eerste plaats die zij in zijn leven had. Want inmiddels had Sartre een pleegdochter genomen, aan wie hij de zorg voor zijn nalatenschap toevertrouwde. En omringde hij zich met jonge maoisten, die haar naar de achtergrond drongen. Ze leken altijd zo eendrachtig met elkaar op te trekken, Sartre en De Beauvoir, en elkaar zo veel vrijheid te laten, maar dat was slechts schijn.’
En hoe zat het dan met de authenticiteit?
'Dat was een groepsnorm, die zwaar op de mensen drukte. Wie zich daar niet aan conformeerde, wie het emotioneel niet aankon, moest zijn gevoelens maar onderdrukken. En Simone de Beauvoir kon het dus niet aan. Het is bekend dat ze niet alleen stevig dronk, maar ook regelmatig leed aan hysterische huilbuien. En hoe authentiek is ze altijd geweest als je haar bekentenis in ogenschouw neemt dat ze pas in haar relatie met de Amerikaanse schrijver Nelson Algren een volledig orgasme heeft gekend?’
Als het over het liefdesleven van het duo gaat, neemt De Haans afkeer heftige vormen aan. In zijn Maatstaf-stuk laat hij het uiten van die walging nog over aan minnaar Algren, die naar aanleiding van De Beauvoirs bekentenis zei: 'Verdomme, liefdesbrieven worden geacht prive te zijn. Ik ben in hoerententen waar ook ter wereld geweest en overal deden de vrouwen altijd de deur dicht, of het nu in Korea of India was. Maar deze vrouw smeet de deur open en noodde publiek en pers naar binnen.’
Desgevraagd weet De Haan nog legio andere voorbeelden. 'Het meest schrijnende geval is dat van het meisje dat in de boeken voorkomt als Louise Vedrine. Dat was een zeventienjarig joods meisje, waarmee De Beauvoir in 1939 een verhouding begon. Vervolgens speelde ze haar door naar Sartre, om haar even later, toen de oorlog begon, op een klootzakkerige manier te laten vallen. Vedrine heeft er altijd over gezwegen. Na de oorlog, toen ze uit de onderduik en het verzet terugkwam, heeft ze zelfs het contact weer hersteld. Pas na de dood van Sartre en De Beauvoir is ze vreselijk kwaad geworden, omdat zij in de boeken van anderen te kijk werd gezet als het domme ezelinnetje dat zich door meneer en mevrouw heeft laten gebruiken. Toen heeft ze er, onder haar eigen naam Bianca Lamblin, een woedend boek over geschreven.
Ik ben overigens momenteel bezig met een studie van Sartre’s Reflections sur la question juive. Ik moet bekennen, en dat wordt versterkt door die affaire met dat meisje Lamblin/Vedrine, dat mij het gevoel bekruipt dat Sartre een antisemiet was…’
WAS SARTRE TE kwader trouw?
'Ja, want hij was zo intelligent dat hij precies wist wat hij deed. Dus kun je gerust ook spreken van leugenachtigheid. Neem de twee verhalen die hij over de oorlogstijd vertelde: zijn ontsnapping uit het Duitse krijgsgevangenkamp en zijn rol in het verzet. Om te beginnen is hij niet ontsnapt; hij is ontslagen, omdat hij aannemelijk kon maken dat zijn gezondheid slecht was en dat hij niet goed kon zien. En wat het verzet betreft: hij heeft even geprobeerd een verzetsgroepje op te zetten, maar dat verzandde binnen de kortste keren. Ondertussen bleef hij wel zijn toneelstukken presenteren; ik geloof dat de laatste premiere zelfs op 4 of 5 juni 1944 plaatvond, voor een publiek van Fransen van wie minstens de helft collaboreerde, plus een niet onaanzienlijk aantal Duitse Wehrmacht- en SS-officieren, met wie hij op de receptie na afloop vrolijk een glas wijn dronk. Dan vraag je je af: is het alleen maar ijdelheid, of is het onderdeel van een uitgekiende strategie om een belangrijke plaats in de wereld te veroveren. Ik vrees dat laatste.’
Was Sartre een slecht mens?
'Ach, wat is slecht… Hij heeft nooit iemand vermoord, nooit iemand bestolen. Hij was uiterst genereus met geld, hielp altijd vrienden in nood, ook als hij zelf geen cent had. Ach, slecht…’