Menno Hurenkamp

Mijn lichaam

Sloop- en breekwerk met inzet van brandbare middelen behoort tot het vaste repertoire van achtjarige jongetjes. Het mocht niet, maar wie hield ons tegen? Met verschroeide wenkbrauwen en wimpers keken mijn vriendjes en ik opgewekt naar de schade. Totdat degene in of rond wiens huis we de aanslag uitvoerden, werd ontdekt door zijn ouders en ongenadig op zijn falie kreeg. Bang smeerden de anderen zich en stelden in naburig struikgewas hun onschuld vast.

Bram Peper is die pechvogel. Eerst jarenlang met vuur spelen met andere politici en journalisten. Dan gaat het mis bij hem thuis. Een jaar na dato constateert de rest in De Balie dat ze wel wisten dat dit niet goed kon gaan. In Amsterdam nota bene. Als Peper met de gemeenteraad op bedrijfsuitje ging, nam hij ze mee naar de Amsterdamse haven. «Kijken naar een stilleven», noemde hij dat.

Het zou zijn eigen schuld zijn. Omdat hij onaardig was. Maar dat is weinig subtiel. Zijn ondergang zit in het adagium uit zijn bestuurderstijd: «Ik ben een openbaar lichaam.» Hij stond naar zijn mening 24 uur in dienst van de gemeenschap, overal en altijd. Zodoende de verwarring over de bonnetjes. Het is een intrigerend zelfportret. Een openbaar lichaam heeft iets ranzigs, maar het is in het aangezicht van Pepers drama ook een bijna messiaanse verzuchting — dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt. Hij was ons lichaam, in grote werken (Manhattan aan de Maas, Wim Kok zijn sociaal-democratische veren laten afschudden, ondergrondse essays schrijven) en ook in dingen vergeten (prettig mens zijn voor je omgeving, als bestuurder het goede voorbeeld geven met belastinggeld).

Een publiek lijf. Dan gaat vanzelf laag tuig ongenood en met genoegen over jou en de jouwen heen. Eén voorbeeld. In het boek Afrekenen met Peper van de Parool-journalisten Soetenhorst en Zonneveld staat een facsimile briefje van mevrouw Van Ravesteyn, de voorzitter van de commissie die onderzoek deed naar het financiële gedrag van Peper. Die was in het kader van dat speurwerk heel benieuwd naar wat mevrouw Peper zoal had uitgespookt. Van Ravesteyn had een gerucht vernomen over een reisbureau. Een raadselachtige kwestie, misschien dat ze juist daarom, in een erbarmelijke brief vol spelfouten, mevrouw Peper vroeg of ze misschien dat reisbureau kende. Wat kon mevrouw Peper doen? Liegen dat ze het grootste reisbureau van Rotterdam niet kende? De waarheid spreken, en met onbekende gevolgen ons lichaam in gevaar brengen?

Een openbaar lichaam is grenzeloos. Wat de wet niet verbiedt mag, leek Peper onbedoeld te denken. Er komen meer van deze kwesties, voorspelden de wetenschappers Rosenthal en Van den Heuvel in De Balie. We willen meer toezicht op de maatschappij: de roep om camera’s op straat vertaalt zich politiek in de eis van transparant bestuur. In reactie op het ontbreken van heldere normen voor bestuurlijke integriteit roepen bestuurders bij conflicten de wet aan — ze interpreteren hun verantwoordelijkheid zo eng mogelijk. Zoals ook justitie minister Korthals zich van 58 doden in Dover afmaakte door op de wet te wijzen die hem onschuldig verklaarde. We hebben goede voorbeelden nodig. Ik verklaar me hierbij alsnog medeplichtig aan een willekeurig aantal calamiteiten in de woonomgeving van mijn jeugd.