Jones-Gorlin, Rose bonbon & André Gide, Le ramier

Mijn liefje mijn duifje

De Franse rechter moet zich uitspreken over de publicatie van een pedofilieroman. Ironisch genoeg verschijnt tegelijkertijd een teruggevonden verhaal van André Gide, die nooit een geheim heeft gemaakt van zijn knapenliefde.

«Nooit snoepjes aannemen van vreemde meneren.» De angst voor de kinderlokker wordt er bij iedereen vroeg ingeheid. Frankrijk verslikte zich dit najaar in het snoepje dat de jonge schrijver Nicolas Jones-Gorlin het lezers publiek aanbood. De hoofdpersoon van zijn tweede roman, Rose bonbon, is een praktiserend pedofiel, die in de eerste persoon wordt opgevoerd. Deze Simon vergaapt zich in het donker van de bioscoop aan de opgewonden kinderwangen bij Sneeuwwitje, zo wordt zijn «batterij weer opgeladen». Tot hij op heterdaad wordt betrapt met een klein meisje op de wc: «Ik suck, ik lik, ik zuip de heldere plas van Dorothée, het zoet uit haar maagdenbron». In plaats van gevangenisstraf kiest hij voor psychisch begeleide chemische castratie. Hij krijgt een baantje als clown in een pretpark en raakt betrokken bij een wereldwijd pedofiel complot.

Alleen de titel al schoot de goedbedoelende maar slecht lezende dames en heren van Enfant Bleu, een organisatie tegen kindermisbruik, in het verkeerde keelgat. Waarschijnlijk opgeschrikt door de aanbiedingsfolder van uitgeverij Gallimard, waarin Rose bonbon werd aangekondigd met het buikbandje «amours mineures», stuurden ze nog vóór verschijning van het boek een protestbrief aan de uitgever. Hun advocaat stapte naar de rechter op grond van artikel 227-23 en 227-24, dat het verspreiden van pornografische beelden van minderjarigen verbiedt. Dat sluit volgens hem «het geschreven woord niet uit». De voorzitster van Enfant Bleu acht een roman minstens zo gevaarlijk als beelden, omdat een boek «beelden en fantasieën oproept in het hoofd van de lezer». Een regelrechte roep om fantasiepolitie: er moet niet alleen meer blauw op straat, maar ook meer blauw in ons hoofd. De actie kreeg bijval van de conservatieve Fondation Pour l’Enfance en de aan Bruno Mégret verwante, extreem rechtse vereniging Promouvoir. Nu de overheid zich terughoudender opstelt inzake censuur maken privé-organisaties zich druk om het zedelijk welzijn van de lezers.

De uitgever reageerde aanvankelijk behoudend: er waren tweeduizend exemplaren verspreid van een eerste oplage van vierduizend, en daarbij zou het blijven. Men wilde niet scoren met een schandaalsucces. Maar na een paar weken stripte Gallimard het buikbandje van het boek, stak het in een afsluitend cellofaanjasje, voorzag het van driedubbele waarschuwingen dat het hier om fictie ging en hervatte de distributie.

De zaak ging een tweede ronde in toen minister van Binnenlandse Zaken, Sarkozy, na de vakantie met opgestroopte mouwen weer aan het werk ging. Ook in Frankrijk klinkt de roep om normen en waarden, sécurité en retour à l’ordre moral zijn de steekwoorden van de rechtse regering. Antoine Gallimard werd op het matje geroepen om «nadere informatie» te verstrekken aan de minister, die dreigde met een verkoopverbod aan minderjarigen.

Gezien het leesgedrag van de Franse jeugd klinkt dat potsierlijk, maar de minister baseerde zich op de wet van 16 juli 1949, destijds bedoeld om de jeugd in die naoorlogse jaren te beschermen tegen verderfelijke Amerikaanse invloeden via cartoons en comics. Later werd de wet opgerekt als middel tegen pornografie en zedenbederf in de literatuur in het algemeen. Eerder werd werk van schrijvers als Guyotat, Bataille, Genka en Burroughs op deze manier verboden.

De Liga voor de Rechten van de Mens (LDH) en de nationale uitgeversbond (SNE) tekenden krachtig protest aan. Ook de minister van Cultuur, Aillagon, sprak zich openlijk uit tegen «iedere vorm van literaire censuur». Hij werd bijgevallen door Fillon, zijn collega van Sociale Zaken, en door parlementsvoorzitter Debré. Tevergeefs, leek het. Vrijdagochtend 11 oktober meldden de nieuwsberichten dat de minister Rose bonbon zou verbieden. Op internet verschenen de eerste reacties van de vereniging van boekverkopers, van de uitgevers op de boekenbeurs in Frankfurt en van Gallimard. Op het allerlaatste moment wenste Sarkozy zijn handen blijkbaar toch niet te branden aan deze affaire: vrijdagmiddag verklaarde hij in een officieel schrijven «na rijp beraad» genoegen te nemen met Gallimards plastic voorbehoedmiddel en niet tot censuur over te gaan. Hij speelt de bal terug naar de rechter, die zich alsnog zal moeten uitspreken over de klacht van Enfant Bleu. Dat kan een gevangenisstraf van vijf jaar en een boete van 75.000 euro opleveren.

De dertigjarige Nicolas Jones-Gorlin is beduusd door wat hij met zijn boek heeft losgemaakt. «Ik wilde een modern sprookje schrijven, een aanklacht tegen deze maatschappij waarin de pedofiel het ultieme kwaad, een moderne Blauwbaard is», zegt de jonge vader en huisman op de radio. «Autofabrikanten zijn toch ook niet verantwoordelijk voor de doden die in het verkeer vallen?»

Censuur verkoopt: van Rose bonbon zijn inmiddels meer dan tienduizend exemplaren over de toonbank gegaan, niet slecht voor deze zeker niet briljante roman. En censuur leidt tot roem: Jones-Gorlin wordt ineens in één adem genoemd met literaire reuzen als Nabokov, Genet en Gide. Alsof de duvel ermee speelt verschijnt er nu, eveneens bij Gallimard, een onlangs teruggevonden kort verhaal van André Gide (1869-1951, Nobelprijs van 1947), die nooit een geheim heeft gemaakt van zijn knapenliefde. Deze liefdesgeschiedenis met een jongen van vijftien is geen fictie en zou volgens de maatstaven van Enfant Bleu vast tot kwalijke pedofiele beelden in het hoofd van de lezer kunnen leiden.

Le ramier (De houtduif) is het verhaal van een liefdesnacht die Gide 28 juli 1907 beleefde met een boerenjongen, Ferdinand. Gide logeerde bij zijn vriend, de schrijver en landbouwkundig ingenieur Eugène Rouart (1872-1936) die een landbouwbedrijf had in Barjols-en-Grenade, bij Toulouse. Ferdinand was door Rouart met nog een paar andere jongens ingehuurd als fietskoerier om de uitslagen door te geven van de verkiezingen voor de arrondissementsraad, waaraan hij deelnam. Die avond was er een dorpsfeest met dansen en vuurwerk in het naburige plaatsje Fronton. Gide en Rouart reden er per auto naartoe. Na een stevig boerenmaal met slakken, pens en een «benedenmaatse» kip, waar hij zich met lange tanden doorheen werkt, kan Gide haast niet wachten tot hij met de jongens, die aan het tafeltje naast hem zitten te eten, de straat op kan. Als de eerste vuurpijlen de lucht ingaan legt de bijna 38-jarige schrijver quasi toevallig een hand op Ferdinands knie. De boerenknecht wordt in Gides ogen een exotische schoonheid in zijn wijde linnen broek die door de bandjes van zijn sandalen strak om zijn kuiten gesnoerd wordt, «hij zag eruit als een mammeluk».

Op de terugweg naar Barjols fietst Ferdinand achter de auto aan. Rouart zet Gide bij een kruising af. Ferdinand zal hem verder te voet naar huis loodsen. Zodra ze samen onder de bomen in het maanlicht lopen voelt Gide alleen nog maar «vreugde, roes, begeerte, poëzie». Tegen een hooimijt vallen ze elkaar in de armen. «En terwijl ik mijn lippen op de zijne drukte maakte hij een zacht koerend geluid.» Gide smokkelt hem Rouarts huis binnen, waar hij de onschuldige Ferdinand in zijn kamer voor het open raam inwijdt in de liefde. «Hij gaf zich aan het liefdesspel met een overgave, tederheid en gratie die ik nog nooit had meegemaakt. Zijn gebruinde huid was zacht en gloeiend, ik overdekte hem met kussen.» Het kost hem moeite afscheid te nemen, al gebeurt het «zelden dat ik, wanneer ik bevredigd ben, nog langer samen wil blijven». Als Rouart thuiskomt neemt Gide hem direct in vertrouwen. «Ik had mijn geluk wel aan iedereen kunnen uitschreeuwen.» Ze bleven nog een hele tijd napraten over de jongen die ze le ramier, de houtduif, noemden omdat hij bij het liefdesspel koerde als een duif. Na een korte nacht wordt Gide tien jaar jonger wakker, energiek en vrolijk. «Ik had mijlen ver kunnen lopen.»

In zijn dagboek noteert Gide op 1 augustus 1907 dat hij het verhaal van deze ontmoeting heet van de naald op papier heeft gezet en in een aparte envelop heeft opgeborgen. En een paar jaar later, op 18 augustus 1910: «Voel met wellust dat het natuurlijker is naakt te slapen dan in nachthemd. Mijn raam stond wijd open en de maan scheen op mijn bed. Beklemd herinnerde ik me de mooie nacht met de Ramier.» In een van de inmiddels gepubliceerde kladversies van zijn autobiografische Si le grain ne meurt (Als de graankorrel niet sterft) uit 1924, vergelijkt hij de euforie na de nacht met de duif met die na het voor hem beslissende avontuur met Mohammed, de jonge muzikant die Oscar Wilde in 1895 in Algiers voor hem regelde. Het verhaal over de duif paste uiteindelijk niet in zijn autobiografie om de eenvoudige reden dat die maar tot 1895 loopt.

Gide-vorsers wisten dus van het bestaan van dit verhaal, maar de envelop werd pas onlangs door Gides bijna tachtigjarige dochter teruggevonden. In druk is het nauwelijks meer dan tien pagina’s, maar Gallimard maakte er een mooi boekje van, met een inleiding van Catherine Gide, en een voor- en een nawoord, waarin fragmenten uit de nog onuitgegeven correspondentie tussen Gide en Rouart. Ze waren bevriend sinds 1893 en deelden onder veel meer hun voorkeur voor jonge jongens. Uit de brieven blijkt dat Rouart, nieuwsgierig geworden, de vogel ook in zijn nest probeerde te krijgen, en dat lukte. Hij begon zelfs aan een roman over de duif. Na lezing van de eerste twee pagina’s adviseerde Gide hem vooral concreet te zijn: «Waar het om gaat zijn de kleine feiten, die vormen het reliëf waaraan de geest blijft haken, ze zijn onvervangbaar, onverzinbaar.»

En de duif? De duif ging dood. Hij liep in 1908 bij het zwemmen beentuberculose op, die hem uiteindelijk in 1910 noodlottig werd.

Nicolas Jones-Gorlin

Rose bonbon

Uitg. Gallimard, 170 blz., € 14,-

André Gide

Le ramier

Uitg. Gallimard, 78 blz., € 9,-