Oikofobie: De angst voor het eigene van Thierry Baudet

Mijn lieve tante Anita

‘Oikofobie’ is een term die door Roger Scruton is gemunt en door Thierry Baudet wordt gebruikt als titel van een verzameling uiteenlopende eigen columns en artikelen. De fobie betreft een ‘angst voor het eigene’, en dat eigene is in Baudets visie ‘dit herkenbare thuis van ons, dit Nederland’. De oikos wordt ‘stukgemaakt’ door drie fenomenen: immigratie plus multiculturalisme, de Europese Unie, en ‘het modernisme’ in de kunsten, dat schoonheid heeft afgeschaft en ‘ontheemding’ centraal stelt.

Omdat dit land de laatste tien, vijftien jaar in een rechts-conservatieve anti-elitaire stuip is gejaagd is het interessant te zien of zich achter die paniekerige lpf/pvv/vvd-ketelmuziek ook iets van een hanteerbare ideologie ontwikkelt, iets wat op den duur een bestendige politiek-culturele aanwezigheid zou kunnen vormen, een Nederlands ‘conservatisme’. De spoeling is echter dun. Van Zijlstra of Rutte is geen manifest verschenen. Wij moeten het doen met Ellian, Bolkestein, Bosma, een enkele keer Wilders en met deze Baudet.

Het voorwoord van Oikofobie liegt er niet om: de ontkenning van de oikos is niet ideologisch, maar pathologisch: de tegenstanders vertonen ‘een ziekelijke afkeer van de geborgenheid van ons thuis; van de eigen gewoontes en gebruiken; van de natie; van de schoonheid en harmonie van de traditionele kunsten en architectuur’ – een diagnose die in Nederland sinds de arrestatie van Max Blokzijl weinig meer is gehoord. Voorstanders van de Europese eenwording worden volgens Baudet ‘voortgejaagd door hun ziekelijke en volkomen irrationele afkeer van de natiestaat’. De burger wordt koest gehouden met ‘bezweringsformules’. Baudet wil de weg wijzen naar ‘genezing’.

Medium thierry baudet 2013
Thierry Baudet © Bo van Houwelingen

Ik ben geen deskundige inzake ‘de Europese machtsgreep’ en voor een robbertje stoeien over ‘multiculturalisme’ is deze pagina te klein, dus ik houd het, met permissie, bij Baudets derde vijand, het modernisme in de kunst. Ook hier schiet Baudet met bombardons: hij stelt dat ‘de westerse cultuur’ al meer dan een halve eeuw ‘tamelijk onvruchtbaar’ is, een stelling waar de verzamelde Nederlandse schrijvers, kunstenaars, componisten, architecten, filmregisseurs, choreografen en dergelijke toch van zullen ophoren, om nog te zwijgen van hun Franse, Duitse, Amerikaanse en Britse collega’s. Het is echter niet makkelijk om uit Oikofobie op te maken welke kunstuitingen nu onvruchtbaar of ziekmakend zijn, en welke niet. Baudet richt zijn pijlen op de opvattingen van Rem Koolhaas, de ‘modernistische’ architect Jo Coenen, ‘modernistische’ operaregisseurs, de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum en het EYE-gebouw, en een paar andere zaken (het lijstje is kort). Wat wél deugt is de Parsifal van Wagner, de componist John Borstlap, Alfred Brendel, Arthur C. Clarke, het roken van sigaren, het drinken van Pouilly Fumé, de jacht, Kafka, Rembrandt, de films Hysteria, Sleepers, Magnolia en Deal, en de klokgevel.

Kan het zijn dat Baudet een beperkt idee heeft over wat cultuur is, en vooral mijn tante nabauwt?

Het deed mij denken aan mijn lieve tante Anita, die zestig jaar geleden emigreerde naar de Verenigde Staten. Haar visie op Nederland en de Nederlandse cultuur is toen bevroren. Ze heeft halt gehouden vóór Karel Appel en Cobra, vóór Oote oote boe, vóór de eerste galerijflat; haar liefde voor muziek komt niet verder dan Ravel. Bij haar bezoeken aan Nederland verbaast ze zich over de grote hoeveelheid ‘zwarten’ op straat. Mijn tante is zonder het te willen een ambassadeur in ballingschap van de racistische, xenofobe, klassenbewuste, bekrompen samenleving die Nederland zestig jaar geleden was. Oikofobie leest als een ode aan dat land, maar de schrijver ervan is net dertig.

De vraag die dus opkomt is: in welk land, in welke oikos, woont deze Baudet eigenlijk? Wie bijvoorbeeld denkt dat er in Nederland uitsluitend ‘atonale’ muziek wordt gesubsidieerd heeft nog nooit de website van het Fonds Podiumkunsten bekeken en is al veertig jaar niet in een concertzaal geweest. Wie meent dat Nederland vol wordt gezet met ‘modernistische bouwsels’ kijkt al veertig jaar niet uit het raam.

Hier geef ik graag een voorbeeld. Baudet breekt een lans voor de opvattingen van de Luxemburgse architect Léon Krier, een beroemde traditionalist, die faam verwierf door het ontwerp van het imitatiedorp Poundbury, een initiatief van prins Charles. Had Baudet zijn anglofiele oogkleppen afgezet, dan had hij gezien dat Kriers opvattingen in Nederland niet door modernistische oikofoben worden verketterd, maar juist al decennialang de boventoon voeren. Kriers broer Rob bouwde grote historiserende projecten in Helmond (Brandevoort), Dalfsen, Haarlem en nog vijftien andere Nederlandse steden. ‘Modernistische bouwsels’ zijn in de Nederlandse stedenbouwkunde uitzondering geworden, verbannen naar het bedrijventerrein of de rand van de snelweg. Geborgenheid, herkenbaarheid en eigenheid zijn juist al tientallen jaren het parool. Dat Baudet daar kennelijk geen enkel idee van heeft maakt zijn ferme betoog gewoon achterlijk.

Nu heeft iedereen zijn opvatting over wat mooie kunst is, en voor de zijne moet Baudet zich vooral sterk maken, maar de stelling dat de ‘modernistische’ cultuur de samenleving ‘stukmaakt’ verdient toch echt onderbouwing – een citaatje uit Spenglers Ondergang volstaat niet. Baudet breekt de staf over de kunst die geborgenheid en schoonheid overboord zette en alleen maar wilde ‘choqueren’ en koopt vervolgens zelf een litho van Braque. ‘Modernistische’ regisseurs maken de opera kapot, maar de Siegfried van De Nederlandse Opera (door George Tsypin) noemt hij op Facebook ‘Betoverend! Aanrader!’ Is dat dan niet een uiterst modernistische vormgeving? Waarom kan dat dan wel?

Kan het zijn dat Baudet gewoon maar een zeer beperkt idee heeft over wat cultuur zoal is, en daarin vooral mijn tante nabauwt? Is dat wat hij ‘modernisme’ noemt, en verafschuwt, niet gewoon een ander woord voor de dynamiek, de diversiteit, de zin voor innovatie en experiment die misschien wel de essentie van de Nederlandse ‘oikos’ vormen – en niet de historiserende stagnatie?

In Oikofobie wordt geen gefundeerde cultuurkritiek te berde gebracht. Er wordt met een beschamend gebrek aan feitenkennis en een arsenaal aan vooroorlogse krachttermen een Nederland opgeroepen dat alleen een vage contour krijgt, maar geen enkele invulling. Het is een soufflé, samengesteld uit gelijke delen Scruton en Wilders, met twee eetlepels Le Pen, een mespunt Mussert en voor de rest lucht, lucht, warme lucht.