Mijn marinus

Herbert Bitter LE:

Herbert Bitter deed twee jaar lang research naar Marinus van der Lubbe voor de documentaire Water en vuur van Joost Seelen. Seelen ging niet mee, nee, hij moest al zo veel weg voor filmfestivals en zo. Allebei zijn ze erg geschrokken van de ongekend harde kritiek op hun film over Van der Lubbe. Ze durfden elkaar twee weken lang niet te bellen. Als medereizigers zeggen dat ze toch ook veel positieve geluiden over de film hebben gehoord en gelezen, of dat ze hem zelf heel mooi vonden, wrijft hij verlegen over zijn wang. Hij vertelt hoe mevrouw Derix, de enige verwant die Van der Lubbe nog persoonlijk heeft gekend, de filmmakers verwelkomde met: ‘Hier heb ik meer dan zestig jaar op gewacht.’ De Algemeen Dagblad-verslaggever vist een knipsel uit zijn dikke documentatiemap en geeft het door. Hans Kroon schreef in Trouw een kolommenlange scheldkanonnade die moest doorgaan voor een filmrecensie. Een oude communist raspt met bronchiale stem: 'Die lui van Trouw waren in de oorlog al kwezels en kamferbroeken. Een stelletje poliolijers zijn het.’ Bitter leest in de bus over Han Hollander, legendarisch voetbalverslaggever, die begin 1942 op transport werd gesteld naar Sobibor. Na de oorlog vroeg schijnbaar niemand zich af wat er toch met de beschaafde commentator was gebeurd. Bitter heeft zijn zinnen erop gezet Hollander op een of andere manier aan de vergetelheid te ontrukken. Tijdens een kleine ochtendwandeling ontdekt Bitter dat de binnenplaats van het huis van bewaring waar Van der Lubbe terechtgesteld werd, in tegenstelling tot de laatste keer dat hij in Leipzig was, door sloop van een oud DDR-pand ineens open is komen te liggen. Toen ze hier filmden kregen ze nog geen toegang tot het terrein. Hij wijst de plek aan waar de guillotine stond. Marinus van der Lubbe’s laatste zicht op de wereld moet een rij betraliede ramen, met daarachter de toren van het gerechtsgebouw zijn geweest. Een paar skinheads stampen door de bruine sneeuw. Ze hebben roze, officiële papieren in hun hand. Henk van der Keur Henk van der Keur komt oorspronkelijk uit Leiden. Zijn zus heeft onlangs, tijdens een familiehistorisch onderzoek, ontdekt dat opa uit hetzelfde achterbuurtje kwam als Van der Lubbe. Zulke dingen werden vroeger liever onder de mat geveegd. Henk, in het dagelijks leven documentalist en wetenschappelijk publicist - vooral over de gevaren van het gebruik van verarmd uranium in conventionele wapens en civiele toepassingen - is meegegaan omdat hij zich als vrije socialist ook qua denkbeelden met de stamvader aller autonomen verwant voelt. Waar Van der Lubbe zich mee bezig had gehouden als hij nu geleefd had? Van der Keur denkt iets in de sfeer van mensen in de derde wereld of van het milieu het meest waarschijnlijk. Hij vindt het monument van de kunstenaars Sluik en Kurpershoek erg mooi. Hij is het niet eens met mensen die zeggen dat Van der Lubbe al die toestanden niet gewild zou hebben. Hij vindt inspiratie ontlenen aan een persoon niet hetzelfde als heldenverering. In plaats van bloemen voor op het monument heeft hij een grote doos lucifers meegenomen. Een idee van zijn vriendin Lizzie. Op het laatste moment twijfelt de zachtmoedige anarcho: zou hij de aanwezige familie er niet mee schofferen? Als hij toch naar voren stapt, krullen de mondhoeken van Adriane Derix omhoog. De loco-burgemeester van Leipzig verbijt zich als de camera’s van Reuters en ZDF inzoomen op de Tändstickör, maar dat kan Henk niet schelen. Terug in de bus verdiept hij zich weer in Radencommunisme en zelfstandige arbeidersstrijd van Cajo Brendel. Een paar dagen eerder bezocht hij een lezing daarover in politiek-cultureel centrum De Badcuyp in Amsterdam. In de Raststätten onderweg zoekt hij samen met fotografe Wilja Jurg naarstig en veelal tevergeefs naar vegetarische mogelijkheden. Jacqueline Kostermans Jacqueline Kostermans is kunstenares en participeert in de Van der Lubbe-tentoonstelling Brand meester. Haar bijdrage is een portret van Marinus, uitgevoerd in een soort hedendaags pointillisme, in zwart, wit en grijs, de sneeuwerige dag in 1934 indachtig waarop hij werd terechtgesteld. Van over zijn schouder komt Superman in bekende pose aanvliegen: geknipt uit kinderstof van de rol (gekocht in New York) en bewerkt met transparante gele verf om de verrassende toevoeging nog sprekender te laten uitkomen. Het valt op dat de Superman van de gordijnstof en Marinus van der Lubbe inderdaad op elkaar lijken. Het tragische verschil tussen de twee zonderlingen die oprecht geloven in hulp aan de gehele mensheid door lukrake, ongeleide actie is natuurlijk dat Marinus voor zover wij weten nooit een Lois Lane heeft gekend, noch in overdrachtelijke zin, noch om zijn drijfveren te verwoorden. Kostermans heeft inmiddels veel over Van der Lubbe gelezen. Vooral de verslagen van zijn reizen te voet brachten haar dichter bij de persoon-Van der Lubbe. Volgens haar is hij niet eens het ergst misbruikt door ideologen vóór zijn dood, maar vooral erna, door gesol met zijn imago. Iedereen had wel een verhaal over hem dat voorzag in de promotie van het eigen dogma. Op het moment leest Jacqueline Stille sneeuwval van Junichiro Tanazaki, dat alleen in de titel iets met het gebodene te maken heeft, maar in de bus komt het niet zo van lezen. Jaqueline en de vriendin met wie ze naar Leipzig reist, prijzen de organisatie. Ze hadden niet verwacht dat er meer pers zou meereizen dan 'gewoon geïnteresseerden’. Na de onthulling van het monument legt ze aan de voet ervan een paar rode appeltjes. 'Hij had tijdens zijn tochten zo'n honger.’ Leenderd Jol Leenderd. Jol heeft boekjes bij zich over historische begraafplaatsen. De nu gepensioneerde Leidenaar was uitvaartverzorger bij begrafenisonderneming Ad Sanctum en Eenvoud. Hij bestudeerde de afleggings- en begrafenisrituelen van praktisch alle volken die er zijn en hij adviseerde de overheid over aanpassingen op de Wet Lijkbezorging terzake. Daar werd hij zelfs koninklijk voor onderscheiden. Jol zet zich nu in om Van der Lubbe opgegraven te krijgen en alsnog mee terug te nemen naar Leiden. Het liefst zou hij dat onmiddellijk en hoogstpersoonlijk doen, maar zo makkelijk gaat dat niet. Zo ligt Marinus bijvoorbeeld met anderen in een 'stapelgraf’. Jol zet zich namens zijn voormalige werkgever in voor een begrafenis van Marinus van der Lubbe in Leiden omdat een van zijn voorgangers daar oorspronkelijk de opdracht toe had. Hij had op de historische begraafplaats De Groene Steeg moeten komen te liggen. Die is nu gesloten, maar ja, de opdracht stamt van vóór die tijd, en hij zou het vast wel hebben kunnen regelen. Ze kregen het lichaam destijds niet mee: hun verzoek werd door de nazi’s botweg afgewezen. En al is het nu 65 jaar later, het karwei moet toch worden afgemaakt, ja toch, niet dan? Jol correspondeert tegenwoordig met de beheerder van de begraafplaats van Leipzig. Ze sturen elkaar af en toe een foto van een mooi graf. Zelf wil Jol als zijn tijd gekomen is, worden afgelegd door zijn eigen dochter. Niets overdadigs bij zijn teraardebestelling, maar: 'Zeker niet in stilte. Helemaal niet goed voor de nabestaanden.’ Jol doet dilemma’s uit de piëteitsindustrie uit de doeken als: moet je toegeven aan de laatste wens van een NSB'er om een hakenkruisvlag over zijn kist gedrapeerd te krijgen? Ook vertelt hij moppen. Na zevenhonderd kilometer lang gratis college in de lijkenkunde te hebben genoten, zegt een organisator van de reis: 'Ja, we hebben een hoop Jol gehad.’ Marinus van der Lubbe In de nacht voor de onthulling ontdekken de kunstenaars tot hun immense schrik dat er een spelfout in de letters op de steen staat. Het Duitse woord 'Schlechtes’ is 'Slechtes’ geworden. De algehele consensus in de bus is dat het niet geeft. Het past wel bij Marinus: er kan wel eens wat misgaan, maar aan de opzet doet het niets af. Frans Schors, een Leidenaar die momenteel zint op 'een prijs voor inventieve directe actie’ ('Zo'n actiegroep Taart komt zelfs uit Leiden; het zou toch leuk zijn als ze de Van der Lubbe-pet zouden krijgen; zetten we op de uitnodiging “zelf gebak meenemen”.’) was enkele jaren geleden een van de drijvende krachten achter het Van der Lubbehofje. Hij vertelt dat er toen ook al een fout in de tekst op de gedenksteen was geslopen. 'Je kunt nog zo'n grote atheïst zijn, het is toch frappant dat er rond Van der Lubbe nooit iets normaal kan verlopen.’ Herbert Bitter beaamt dat knikkend, zijn ogen groot achter zijn brilleglazen. 'Dat is ook de reden dat ik die plannen van Jol niet echt zie zitten’, zegt een lid van het comité. 'Je kunt je zo tien rampscenario’s voorstellen met het gesleep met die botten. Dat het lijk ’s nachts op mysterieuze wijze verdwijnt of zo. Met Marinus is nog steeds altijd iets onvoorziens aan de hand.’ Profetische woorden, als twee dagen later enkele kunstwerken van de expositie plots beschadigd blijken door onbekenden. Vandalen? Fascisten? Jaloerse schilders die geen deel van de tentoonstelling uitmaakten? We zullen er waarschijnlijk nooit achter komen, net zo min als achter de ware toedracht van de Rijksdagbrand. Janna Navis Janna Navis leest de briefwisseling met Heloïse van Abélard, een middeleeuws verhaal waarvan de hoofdpersoon nogal doet denken aan W.F. Hermans. Zo heet het eerste hoofdstuk 'Een relaas van mijn rampen’. Ze heeft het boek toevallig meegenomen, ze was er al mee bezig. Ze gaat mee omdat ze geïnspireerd raakte door een lezing van Arjen Mulder over Van der Lubbe, in het Utrechts debatcentrum Tumult. Uiteindelijk raakte ze zijdelings bij het project betrokken, leverde beeldmateriaal voor een van de exposities. Ze vindt op dit moment niet dat ze deel uitmaakt van een historische gebeurtenis, maar misschien gaat ze daar na terugkomst nog anders over denken. Ze vindt het gewoon een sympathiek doel om een gepolitiseerd beeld van iemand te helpen veranderen in een persoonlijk beeld. Janna is actief voor een stichting die poëzie en beeldende kunst vaker met elkaar in aanraking laat komen. Haar vriend Jan Baeken, die haar vergezelt, is dichter. Wat voor dichter? 'Een dichter van de Bezige Bij.’ Hij schrijft bijna altijd thuis. Een bepaalde verstrooidheid komt daar wel bij kijken. Janna noemt het 'een soort verstenen’. Dichten is altijd onderdeel van Jans leven. Hij zou Janna niet willen omschrijven als zijn muze. Janna kijkt bij die mededeling enigszins teleurgesteld. Dan zegt ze dat ze ook niet samenwonen maar een lat-relatie hebben. Baeken leest onderweg Rainer Maria Rilke’s Aantekeningen van Malte Laurids Brigge. In Leiden zijn drie tentoonstellingen over Marinus van der Lubbe te bezichtigen: Brand meester! Hedendaagse kunstenaars en Marinus van der Lubbe. Centrum voor Beeldende Kunst, Hooglandse Kerkgracht 19-21. Open: wo. t/m zat.12-17.00 uur, zo. 12-16.00 uur, do. tot 21.00 uur. Toegang gratis. Tussen Leiden en Leipzig. Het korte leven van Marinus van der Lubbe. Centrale Bibliotheek Leiden, Nieuwstraat 4. Toegang gratis. Het Leiden van Marinus van der Lubbe. Stedelijk Museum de Lakenhal, Oude Singel 28-32. Open: dagelijks 10-17.00 uur. Toegang 5,- geldig voor het hele museum. De tentoonstellingen duren allemaal tot en met 14 februari.