De nieuwe generatie schrijvers

‘Mijn moeder wil dat ik het naast iets anders doe’

De Nederlandse literatuur wordt overspoeld door jong talent. Hebben zij een gemeenschappelijke deler? Een bepaalde wereldwijsheid? ‘Wat zegt dat nou, de blanke, grijze man aan het woord.’

Come mothers and fathersThroughout the landAnd don’t criticizeWhat you can’t understandYour sons and your daughtersAre beyond your commandYour old road isRapidly agin’Please get out of the new oneIf you can’t lend your handFor the times they are a-changin’.

(Bob Dylan, The Times They Are a’Changin’)

Medium rc20130307booksandbubbles01

In het schemerlicht zit Steffy Roos du Maine achter een klassiek, robuust eikenhouten bureautje. Aan het bureautje staan twee eikenhouten stoelen en op het bureaublad staat een opengeklapte Apple-laptop. Als de winkeldeur opengaat, staat ze een beetje onwennig op. Of ik koffie wil. Graag. Ze friemelt met een koffiefilter, schept er koffie in, haalt wat water uit de wc en zet het ouderwetse apparaat aan. Even later is er een plas slappe koffie. ‘Sorry, ik moet nog oefenen. Ik drink zelf geen koffie.’ Heeft ze ook overwogen om een modern apparaat te nemen met pads, servings of cups? ‘Ja, wel. Maar toen ik aan mijn vrienden die wel koffie drinken vroeg wat ik moest doen, zeiden ze allemaal dat filter weer helemaal terug is.’

Praten met Du Maine is een beetje verwarrend. Zoals ook haar boekwinkel Books Bubbles dat is. Een meisje van 25 dat tijdens haar studie debatwedstrijden en idealisme combineerde met verslaggeving van hippe feestjes voor de website 925.nl van Jort Kelder. Ze werd na het afronden van haar masterscriptie in conflictstudies begeerd door de grootste bedrijven van Nederland en kreeg een panklare aanbieding voor een promotieplek aan een prestigieuze universiteit, maar besloot op een zonnige middag tijdens het winkelen om een boekwinkel te beginnen. En niet zomaar een boekwinkel, maar een boekwinkel met groen bloemetjesbehang, een interieur dat doet denken aan een andere eeuw en kasten vol boeken die al een leven achter de rug hebben.

Hoewel ze trouw vijf dagen per week in haar winkel aanwezig is, verdient ze haar geld voorlopig als letselschadejurist bij de praktijk van haar moeder. Dat doet ze van achter haar laptop, aan haar antieke bureautje. Tussendoor is ze ook nog gastvrouw van events in haar eigen zaak. Vanavond is er een champagnetasting, volgende week de eerste aflevering van Shut Up Write Now, een concept dat is overgewaaid uit New York. Jongeren met schrijfambities werken een uur lang in stilte om hun werk daarna gezamenlijk te bespreken. Nog een week later volgt het Conversationdiner, dat ze kent van bezoekjes met de debatvereniging aan Oxford. ‘Je wordt gekoppeld aan een vreemde en daarmee ga je een hele avond in gesprek over onderwerpen op een menukaart. Dat lijkt me geweldig. Het idee is dat je diepgaande gesprekken krijgt met iemand die je helemaal niet kent.’

Hoe vreemd een ander het ook mag vinden, zelf vindt Du Maine het allemaal de normaalste zaak van de wereld. Ze houdt van feestjes, van events en het leek haar gewoon leuk, een boekwinkel. Ze hield als kind ook al erg van boeken. Zo erg dat ze een keer per ongeluk de hele boekenkast over zichzelf heen trok. En waarom zou je tachtig uur per week op een kantoor aan de Zuidas gaan zitten als je je dagen ook in alle vrijheid te midden van de heerlijke geur van tweedehands boeken kunt doorbrengen?

Een goede vraag. Ze geeft een korte rondleiding door haar winkel. Bij de ingang staan twee romantische fauteuils die ze van een buurtbewoner heeft overgenomen. ‘Zij had gezien dat ik bezig was met inrichten en dacht dat ik ze wel kon gebruiken.’ De fauteuils passen perfect in het huiskamergevoel dat de winkel ademt. Een grote leestafel in het midden van de ruimte, een antieke bank tegen de muur, een kast met koffie en thee, foto’s en schilderijen aan de muur, kroonluchters aan het plafond. Het plaatje klopt precies. Haar eigen appartement is ‘industrieel romantisch wit’ en diezelfde stijl had ze voor ogen voor haar boekwinkel. Totdat ze kringloopwinkels ging afspeuren en allerhande antiek tegenkwam. ‘Dat leek me juist ook wel heel sfeervol voor een boekwinkel.’ Er volgde een shoppingtrip naar Parijs, waar Du Maine de vele rommelmarkten afliep. Samen resulteerde het in een pakket dat ze omschrijft als ‘Oxford Library meets Versailles en een vleugje Shakespeare Company’, verwijzend naar de beroemde tweedehands boekwinkel aan de Rive Gauche in Parijs waar schrijvers als James Joyce, Ernest Hemingway en Ezra Pound samenkwamen.

Dan nog het assortiment. Over de zwarte linnen tasjes met het logo van de winkel hoefde ze niet lang te denken, maar het vraagstuk van de boeken was lastiger, want ook op dat gebied had Du Maine weinig ervaring. Daarom koos ze voor een praktische oplossing: tweedehands. ‘Ik heb wel nagedacht over nieuwe boeken, maar het is zo moeilijk om een goed aanbod samen te stellen. Er zijn zoveel boeken! Hoe moet je dan kiezen? Met tweedehands boeken is dat makkelijker. Het komt op je pad.’ Ook hiervoor liep ze dagenlang markten af en koos op gevoel. Dat van zichzelf en van haar vrienden. ‘Ik verkoop boeken die ik zelf leuk vond of die ik zou willen lezen. Of waar vrienden me op wijzen. Soms vraagt een klant ergens specifiek naar en dan ga ik daarnaar op zoek.’

De goedgevulde kasten van Books Bubbles maken indruk. Campert, Carmiggelt, Claus, Van Dis, Dorrestein, Dostojevski. Verderop Marx, Descartes en Popper, maar ook Franzen, French, Hornby en Hosseini. Het staat er allemaal. ‘Laatst kwam Ernst Jan (Pfauth – fm) binnen. Hij was op zoek naar de novelle De dood van Iwan Iljitsj van Tolstoj. Hij dacht dat ik die vast niet had, maar dat was wel zo. Ik was de bundel op een markt tegengekomen.’ Het vraagstuk van de prijzen wuift ze weg met een nonchalante handbeweging. ‘Ik bedenk wat ik er zelf voor zou willen betalen.’ En over promotie hoeft ze zich niet druk te maken. Op Facebook heeft ze een grote vriendenkring en wat goed is, reist tegenwoordig sneller dan ooit. Bij de opening puilde de zaak uit met vrienden en bekenden en sinds de opening een week geleden druppelen de buurtbewoners binnen. ‘Ze komen vertellen hoe leuk ze het vinden dat ik er ben. En soms kopen ze ook wat. Het gaat veel beter dan verwacht. Niet alleen de tweedehands boeken, maar ook de jonge schrijvers en Das Magazin gaan goed.’

In Books Bubbles gelden twee uitzonderingen op de tweedehands regel. Een kast en een belangrijk deel van de middentafel worden ingenomen door romans van jong Nederlands talent. Philip Huff, Joost de Vries, Maartje Wortel, Daan Heerma van Voss, Hanna Bervoets, Iris Koppe, Johan Fretz en anderen. En direct bij binnenkomst stuit je op een lessenaar met daarop geen bladmuziek, maar Das Magazin, Neerlands jongste literaire tijdschrift.

Een paar dagen later loopt Philip Huff café De Pels binnen. Het is één uur in de middag en hij is net klaar met schrijven. Dat doet hij iedere ochtend vijf uur lang, zeven dagen per week. Niet in zijn pyjama, maar schoon gedoucht en met een gevulde maag. Huff werkt aan zijn derde boek. Van zijn eerste twee boeken, Dagen van gras (2009) en Niemand in de stad (2012) verkocht hij ongeveer dertigduizend exemplaren. Een goede score voor een jongen van 28. Bovendien werd vooral zijn tweede roman goed gerecenseerd. Niet dat hij daar ooit zorgen over heeft gehad. ‘Ik heb er zeker bij de eerste niet over nagedacht. Ik wilde gewoon schrijven, vertellen hoe ik de wereld om mij heen zie.’

Dat lukt hem volgens de recensenten zo goed dat hij werd vergeleken met Nescio en Jan Wolkers. Twee van zijn literaire helden. ‘Ik vind ze allebei steengoed. Het geeft me troost hoe zij inzicht geven in mensen en vreugde hoe ze waarde geven aan de wereld.’ Dat er invloeden van de twee te vinden zijn in zijn eigen werk, kan dus kloppen, vindt hij zelf. Verder zegt het hem niet zo veel. ‘Ik had het er een keer met Maartje Wortel over en die zei: jij bent gewoon Philip Huff. En Maartje heeft vaak gelijk.’

Sinds 2007 wordt de Nederlandse literatuur overspoeld door jong talent, waaronder veel twintigers die soms net en soms nog niet eens zijn afgestudeerd. De een wordt beter gerecenseerd dan de ander, thema’s lopen uiteen, maar ergens voel je een gemeenschappelijke deler. Een gedeelde belevingswereld, een vergelijkbare positie in de samenleving, een bepaalde zelfverzekerdheid en wereldwijsheid, een leven dat zich afspeelt in de veiligheid van welvaart en onbegrensde mogelijkheden, in de betere buurten en kringen, vaak van Amsterdam.

Medium rc20130307booksandbubbles06

Zo ook Galerie Onvolmaakt, de eerste en vooralsnog enige roman van Ebele Wybenga, eind twintig, tegenwoordig freelance journalist bij NRC Handelsblad en columnist voor reclamevakblad Adformatie en hiervoor korte tijd communicatiestrateeg. Op zijn zestiende stuurde Wybenga een mail naar de redactie van jongerenmagazine Spunk dat hij erbij wilde. Hij had al wat geschreven voor de schoolkrant en wilde meer. ‘Ik mocht komen en heb daar over twee verschillende periodes in totaal drie jaar gewerkt als columnist en hoofdredacteur. Spunk is mijn leerschool geweest. Tussen alle Amsterdamse kinderen, veel met ouders die succesvol waren in de media of de culturele sector, heb ik geleerd te vechten voor mijn plek.’

Op zijn negentiende besloot hij een roman te schrijven. Dat was in een halfjaar gepiept. Uitgever De Bezige Bij was enthousiast en het boek werd snel uitgebracht. ‘Nu is het al bijna gewoon dat twintigers romans uitbrengen, maar ik was in 2007 een van de eersten en ik werd gefileerd. Max Pam vroeg zich af wat ik wel niet dacht. Je moest eerst geleefd hebben om een boek te schrijven.’ In Vrij Nederland nam Jeroen Vullings het werk wel serieus. Het werd besproken samen met Rosiri, de debuutroman van Iris Koppe, ook al afkomstig van Spunk. Vullings was zeker niet onverdeeld enthousiast over Galerie Onvolmaakt, maar vond er toch iets interessants: ‘De voornaamste waarde van Galerie Onvolmaakt is dat we via het gedoe van de gesjeesde Amsterdamse student Mees Blaeu (20) een sociologisch inkijkje krijgen in het milieu van handige jongens en meisjes uit welgestelde families. Ze houden zich, ik vat het even samen, bezig met het verkopen van gebakken lucht. (…) Voor Mees en de zijnen telt dan slechts, als ze in de krant en op de televisie zijn geweest: “Dit is het. Wij doen ertoe.” Waarmee ze ertoe doen, is van geen belang.’

Dat Mees in het boek in een pand van zijn vader woont, is geen toeval, legt Wybenga vijf jaar later in café De IJsbreker uit. ‘Ik zie om me heen dat veel generatiegenoten niet schromen om te profiteren van hun ouders. We hebben geen behoefte om ons tegen ze af te zetten. Waar moeten we ons tegen afzetten? Onze ouders hebben nooit regels gesteld.’ En die omstandigheid zorgt ervoor dat er risico’s kunnen worden genomen. ‘Er is altijd een vangnet.’

Hij hoort voor het eerst over Books Bubbles, de winkel van Du Maine. ‘Dat klinkt als een concept’, zegt hij lachend. Hij begrijpt heel goed waarom Du Maine alle aanbiedingen naast zich heeft neergelegd en voor zichzelf is begonnen. ‘Ze weet waarschijnlijk heel goed dat als McKinsey haar nu wil hebben, ze over vijf jaar ook nog wel een goede baan kan vinden. Het is een risico dat je kan nemen als je een of twee studies hebt gedaan, ambitieus bent en je breed hebt ontwikkeld. De generaties boven ons kijken goed naar ons hoe we omgaan met deze nieuwe tijd.’

Dan Iris Koppe. Over Rosiri was Vullings positiever en daarin vond hij ook aanknopingspunten om de generatie te duiden. ‘Rosiri wil onder geen beding lijken op haar babyboomende, softe ouders die er relationeel zo’n potje van blijven maken. Liever wil ze zich settelen met een lieve, niet al te snuggere politieagent.’

Het brengt je als lezer meteen terug naar Philip Huff, wiens hoofdpersoon in Niemand in de stad een spannende affaire heeft, maar zijn jeugdvriendin niet wil verlaten. Bang als hij is om te worden als zijn vader, die bezig is met vrouw nummer drie, inclusief een derde roedel kinderen. En van daaruit kom je onvermijdelijk bij de constatering van Daan Heerma van Voss naar aanleiding van zijn tweede roman Zonder tijd te verliezen dat de zoektocht van zijn hoofdpersoon leidt tot de conclusie dat de band met zijn vader de sterkste van allemaal is. En uiteindelijk bij de recensie die Elsbeth Etty in NRC Handelsblad schreef over Joost de Vries’ Clausewitz uit 2010: ‘Deze debuutroman vormt een keerpunt in de Nederlandse literatuur. Noem het een rebellie, noem het een contrarevolutie, noem het vadermoord, noem het een parodie, noem het revanchisme. Maar vast staat dat hier op magistrale wijze een wisseling van de wacht in de cultuur, de politiek en de dominante ideologie vorm heeft gekregen. Het linkse paradigma van de jaren zestig en zeventig, waarvoor het intellectuele engagement van Harry Mulisch symbool staat, maakt plaats voor het “gedachtegoed” van Bekende Nederlanders in tv-programma’s als Wie is de mol.’

Een wisseling van de wacht, het jaren-zestigtijdperk voorbij en de relatie tussen vaders en dochters, (symbolische) vaders en zonen. Wybenga ziet er wel iets in, maar Huff, die net vertelt over de keer dat hij onder de douche een ingeving had over vaders en zonen, weet het niet zo. ‘Toergenjev schreef ook over vaders en zonen. Het is niets nieuws.’

‘Bij vaders en zonen moet ik meteen denken aan Thomas Mann’, vult Suzanne Holtzer, hoofdredacteur fictie bij De Bezige Bij, in een moment van vrije associatie aan. Ze is uitgever van onder anderen Huff, Wybenga, Koppe, Maartje Wortel en sinds kort ook Daan Heerma van Voss. ‘Ik zie in deze nieuwe generatie niet direct overlappende thema’s.’ Dat neemt niet weg dat de verschillende schrijvende twintigers worden gebonden door iets gezamenlijks. ‘Ik had het er tijdens de afgelopen Buchmesse in Frankfurt nog over met collega’s uit Duitsland, Engeland en Denemarken. In die landen bleek een vergelijkbare opkomst van jonge schrijvers te zijn en, heel opmerkelijk, met een zelfde soort narratief, een zelfde manier van vertellen. Waarschijnlijk kan je dat deels verklaren door de invloed van internet, film en tv.’

En deels ook door een bewuste, gedurfde stijlbreuk met de voorgaande decennia, waarin de academische literatuur overheerste. ‘De verzuiling van de literatuur is opgeheven. High culture en low culture zijn nader tot elkaar gekomen. Er is vrijheid om niet in hokjes te denken. Je hoeft als schrijver niet meer bewust in een literaire traditie te staan.’ En je mag marketing en journalistiek of een boekwinkel en juridisch adviseurschap met elkaar combineren. ‘Dat was vijftien jaar geleden ondenkbaar.’ Een verandering die volgens Holtzer heeft plaatsgevonden na 11 september 2001. ‘Er is een nieuw speelveld ontstaan.’ Een speelveld waarin de paradigma’s van de babyboomgeneratie niet langer domineren. Holtzer kan zich iets voorstellen bij de vergelijking tussen Huff en Heerma van Voss en Nescio. ‘Ze hebben een heldere oorspronkelijke stem, dan ligt een vergelijking voor de hand.’ Maar zelf ziet ze meer overeenkomsten met de generatie uit de jaren vijftig. Met Mulisch, Claus, Campert, Wolkers, die ook in een braakliggend gebied doken. ‘Ik heb in mijn carrière nog niet eerder een generatie meegemaakt met zoveel schrijvers met zo’n krachtige stem en goede pen.’

Een jaar geleden werd de literaire wereld opgeschrikt door de oprichting van een nieuw literair tijdschrift. Niet op internet, maar op papier, niet door ouderen, maar door jongeren. Daniël van der Meer, 26 jaar, was een van de oprichters en is nu ruim een jaar hoofdredacteur. Drie jaar geleden was hij als gast van zijn moeder op het Boekenbal en daar kwam hij Toine Donk tegen. Donk had een kaartje bemachtigd via zijn werkgever Athenaeum Nieuwscentrum en organiseerde in zijn vrije tijd de podcast Literaturfest. Van der Meer was een van de dertig volgers: ‘Ze bespraken op totaal onnavolgbare wijze een boek. Het duurde veel te lang en niemand luisterde. Maar het had wel iets.’ Van der Meer maakte zelf samen met Heerma van Voss interviews voor De Groene Amsterdammer, was samen met dezelfde Heerma van Voss oprichter van zijn eigen uitgeverij Babel en Voss en werkte parttime als programmamaker bij de Rode Hoed. ‘Binnen een uur hadden we besloten dat we Literaturfest in de Rode Hoed moesten organiseren en dat we een literair tijdschrift zouden beginnen.’ Van der Meer wist directeur Ton van Brussel over te halen de kleine zaal beschikbaar te stellen. ‘Maar binnen een dag waren er genoeg aanmeldingen om de zaal drie keer te vullen.’ Het programma werd verplaatst naar de grote zaal, ten koste van een programma over ­wetenschap. ‘Dat was vast veel nuttiger, maar er waren geen aanmeldingen’, constateert Van der Meer. In december vond de achtste editie van Literaturfest plaats. Zoals iedere keer werd er over belangrijke boeken gepraat, met vaste gast Bas Heijne en met gelegenheidsgasten Jort Kelder, Anna Drijver en Marjolein van Heemstra. Driehonderd mensen, vooral twintigers en dertigers, kwamen op de bijeenkomst af, bijna allemaal geattendeerd op het evenement via Facebook.

En dat is niet alles. Das Magazin, het bijbehorende literaire tijdschrift, behaalde binnen een jaar een betaalde oplage van 2500 exemplaren, waarvan duizend abonnees. Dat zijn er ongeveer vijfhonderd meer dan De Gids voordat die opging in De Groene Amsterdammer. Van der Meer is zelf ook wel verbaasd over het succes. Aan de andere kant: ‘Het hangt een beetje in de lucht, het literaire gevoel.’ Bovendien wist Toine als verkoper van Athenaeum Nieuwscentrum dat jongeren niet omkijken naar het traditionele aanbod aan literaire tijdschriften. ‘Omdat die eruitzien als een baksteen. Als een word-bestand. Zonder kleur. De redacties van die bladen vinden het not done om serieuze inhoud te combineren met een aangenaam uiterlijk.’

Net als 999 anderen is Philip Huff lezer van Das Magazin. Hij schrijft er niet voor, dat doet hij al voor Hollands Maandblad. Maar hij vindt het een mooi initiatief. ‘Ik ben een believer van die jongens. Al dat gezeik over subsidies voor literaire tijdschriften en dan gewoon een nieuw blad beginnen, zonder een cent subsidie.’ Gewoon doen, het cynisme voorbij. ‘Cynisme is helemaal uit’, zegt hij overtuigd. ‘Er heerst een bepaald soort optimisme’, zegt Ebele Wybenga.

Maar waarom vertaalt dat zich in een opkomst van schrijven en van lezen? ‘Wordt er veel gelezen? Ik heb het gevoel dat er vooral veel wordt geschreven’, reageert Huff. ‘De bezoekers van Literaturfest zijn vooral mensen die zichzelf schrijver vinden of schrijver willen zijn.’ Van der Meer heeft ook zo’n vermoeden. ‘Bas Heijne zei een keer dat hij bijna alleen maar vrienden onder de dertig heeft die bij hun Facebook-status hebben staan: “Bezig met debuutroman bij Prometheus”.’ En bij Books Bubbles lopen de aanmeldingen voor de schrijfavonden storm, vertelt Du Maine.

Medium rc20130307booksandbubbles08

Maar dat verklaart niet helemaal de opkomst van de twintigers en dertigers met een beduimelde Penguin Pocket in het café of de trein. De linnen tasjes die overal weer opduiken, de succesvolle merchandise van Penguin, met bekers, espressokopjes, opschrijfboekjes en nog veel meer, de populariteit van Bob Dylan onder twintigers, zoals Heerma van Voss en Koppe. De behoefte om belezen over te komen en aan te haken bij het gevoel van de sixties, het tijdperk van vrijheid, lak aan autoriteit en diepzinnige avonden met rode wijn. Is het toch weer de ouder-kindrelatie die de kop opsteekt, nu de babyboomgeneratie, de generatie van de linnen tasjes, Penguin Pockets en Dylan de macht overdraagt aan de twintigers en dertigers van vandaag? ‘Er is in ieder geval een grote behoefte aan tastbare dingen met een tijdloze waarde en aan een bepaalde diepgang’, weet Wybenga. ‘Als contrast met het ontastbare, vluchtige karakter van internet.’

Huff trapt er nog steeds niet in. Die vader-zoonrelatie. Hij schreef zijn scriptie weliswaar over Dylan, maar dat deed hij uit academische recalcitrantie. En Dylan is nu eenmaal een briljante muzikant, legt hij uit. ‘Ik heb het Dylan-gevoel niet zo. Ik kom ook niet voort uit de wereld van Amsterdamse intellectuelen, zoals sommige andere schrijvers. Mijn vader leest De Telegraaf en mijn moeder leest Danielle Steel.’ Ze stonden ook niet te springen om een zoon die schrijver werd. ‘Mijn vader vindt het leuk sinds ik succesvol ben, mijn moeder wil graag dat ik het naast iets anders doe.’ Naast een vaste baan bijvoorbeeld, voor Huff een doembeeld. ‘Mensen zeggen vaak tegen me dat ze het zo knap vinden dat ik van mijn hobby mijn werk heb gemaakt. Ik vind het knap dat mensen hun leven en licht inruilen voor een eindejaarsuitkering.’

Dat dacht ook Du Maine, in een luxe hotelkamer in Barcelona, tijdens een van de vele business courses van een van de vele multinationals die haar wilden inlijven. ‘Ik vroeg me ineens af waarom ik tachtig uur in de week zou gaan werken.’ Ze kon geen zinnig antwoord vinden. ‘Toen moest ik ze allemaal afbellen en zeggen dat ik een boekwinkel ging beginnen.’ Ze zag er tegenop, maar kreeg bijna alleen maar positieve reacties. ‘Iedereen vond het heel erg leuk dat ik mijn hart volgde. En een boekwinkel spreekt mensen kennelijk aan.’ Stiekem ook bij McKinsey, Bain en bcg.

Een dag na het gesprek mailt Philip Huff nog wat aanvullende gedachtes. ‘Gisteren bij Pauw Witteman: Frans Timmermans, Henk van der Meyden, Wim Snoek en Ronald Mauer. Wat zegt dat nou? De blanke, grijze man. Aan tafel. Aan het woord. Zolang je dat niet bent, kun je je daartegen verzetten. Misschien is dat al het bewijs dat er zoiets is als een generatie. (Maar we weten ook wat er met al die babyboomers is gebeurd… Wat dat betreft is alles herhaling.) Het gaat gewoon om aantallen: de babyboomers, die golfbal in de tuinslang. Die demografische zwemband. Maar ook de gedachte: dat ik het zelf ook word… een blanke, oude man. Man, man, man…’