Mijn mooiste tante

In Borsten beschrijft Corien van Zweden drie manieren waarop een vrouw zich tijdens haar leven tot haar borsten kan verhouden. Ze voert borsten op als ‘verleidster’, ‘voedster’ en, een verdrietige rol, ‘vernietigster’.

Helmut Newton, In my garage, Monte Carlo, 1986 © Helmut Newton Estate

Geen vrouw heeft ooit een jurk gedragen zoals Anita Ekberg er een draagt in Fellini’s La dolce vita, dromerig badend in de Trevifontein, kennelijk in gedachten verzonken. Stellen dat de jurk – lang, zwart, strapless en met hoge split – Ekbergs lichaam bedekt, is een understatement: de stof voegt zich naar haar lijnen, plooit en benadrukt, en bewaart het grootste spektakel voor de bovenkant. Stellen dat de jurk haar borsten omvat, is een understatement: de borsten, bleek als marmer, zijn in de jurk gegóten. Stellen dat Ekberg sexy is, is al te plat. In deze iconische scène is Ekbergs lichaam bovenal indrukwekkend.

Ook fotograaf Helmut Newton benadrukte graag de ontzagwekkende kwaliteit van het vrouwenlichaam. Op Big Nude III (Henrietta), een foto uit 1982, kijkt het geheel naakte model, dat iets van onder is gefotografeerd, letterlijk op de fotograaf neer, met een sceptische blik en haar handen voor zich, haar slanke maar bovenal sterke lichaam boven hem uittorenend op hoge hakken. Zij, deze Henrietta, heeft het soort gebeeldhouwde lijf dat het fascisme graag verheerlijkte, ware het niet dat een kleine imperfectie het maar al te menselijk maakt. De borsten, weliswaar vol en hoog, zijn ongelijk: de linker is groter dan de rechter. Maar juist dat, het bewijs dat het hier om een echt mens gaat, om een echte vrouw, maakt dit beeld zo onweerstaanbaar. Nooit zag naakt er zo krachtig uit.

Hoe stelde je je als kind voor dat je er later uit zou zien? Met welke vrouwenlichamen vergeleek je je eigen meisjeslijf? Voor mij was het dit type vrouwenlichaam: Ekbergs welvingen, Henrietta’s lijnen. De tot kegels geabstraheerde borsten van Madonna in dat beroemde korset van Jean-Paul Gaultier. Deze lichamen zijn verleidelijk maar niet per se seksueel. Ze zijn statuesk en imponerend, en toch ontegenzeggelijk menselijk. Bovendien, en dit realiseer ik me nu pas, zijn ze autonoom. Ekberg in de Trevifontein, Henrietta voor de camera, Madonna op het podium: ze zijn allemaal nadrukkelijk solo. De mannen – een tegenspeler, de fotograaf, een handvol dansers – bevinden zich letterlijk buiten beeld. In mijn vroegste gedachten over het vrouwenlichaam speelden mannen geen rol. Voor mij betekende opgroeien dat ik me verhield tot andere vrouwen.

In Borsten: De levensloop van een intiem lichaamsdeel schrijft Corien van Zweden over drie manieren waarop een vrouw zich tijdens haar leven tot haar lijf, en specifiek tot haar borsten, kan verhouden. Borsten, het enige lichaamsdeel waarmee een mens niet wordt geboren, worden door Van Zweden achtereenvolgens opgevoerd als ‘verleidster’, ‘voedster’ en ‘vernietigster’, waarbij vooral die laatste rol zich opdringt. Het is een verdrietige rol, die een schaduw werpt over de vrolijkere stukken van het boek. Van Zweden, zo legt ze uit in de proloog, schreef Borsten dan ook toen er voor de tweede keer kanker was geconstateerd in haar linkerborst. Het boek bestaat uit de verhalen die ze had verteld als ze die borst had geëerd tijdens een afscheidsdiner. ‘Dit boek’, besluit ze haar proloog, ‘is de toespraak die ik nooit heb gehouden.’

Van Zwedens toespraak begint bij het begin, bij haar puberteit. Ze herinnert zich, met jaloers-makende nauwkeurigheid, wanneer, waar en hoe ze ontdekte dat haar borsten zich aan het ontwikkelen waren. Ze herinnert zich de schaamte en het ongemak; de pesterijen van klasgenoten. Haar verhaal wordt aangevuld met andere verhalen, van andere vrouwen. Vrouwen met grote of juist heel kleine borsten; elk paar brengt zo zijn eigen problemen met zich mee. Ook schrijft Van Zweden over het onvermijdelijke vergelijken. ‘De rol van vergelijken is belangrijk’, citeert ze psycholoog Liesbeth Woertman. ‘Over je eigen lijfelijkheid kun je pas uitspraken doen als je je lichaam vergelijkt met iets of iemand anders.’ Aan romantiek doet Van Zweden niet, in plaats daarvan houdt ze het bij het anekdotische. Woertman: ‘Ik keek vroeger naar mijn mooiste tante, die prachtige borsten had. Dat was mijn referentie.’

De gesprekken die Van Zweden voert neigen vaak naar het negatieve. Ze spreekt vrouwen die opgroeiden met het idee lelijk te zijn; niet vrouwelijk genoeg, of juist een lustobject. En ook het vergelijken met andere vrouwen wordt hier negatief geschetst, als iets verraderlijks. Woertman: ‘Vandaag de dag wordt een meisje overstelpt met beelden waar ze zich mee kan vergelijken. Vaak zijn die beelden bovendien gemanipuleerd en in veel gevallen is er bloot te zien. Dat schept een heel andere situatie dan destijds.’

Vrouwen met grote of juist heel kleine borsten; elk paar brengt zo zijn eigen problemen met zich mee

Waren de trotse naakten van Newton de enige vrouwen die ik als kind bloot zag? Tot mijn zesde woonde ik op de Wallen, een paar deuren verwijderd van een seksshop. Ik herinner me het pornografische bloot dat ik óók onder ogen kreeg, om nog maar te zwijgen over de beroemdste Nederlandse borsten uit mijn jeugd, die van Tatjana Šimić. Is het problematisch om als kind geconfronteerd te worden met geseksualiseerd naakt? Instinctief wist ik dat er verschillende soorten bloot bestonden. Instinctief maakte ik onderscheid tussen het bloot in de etalage van de seksshop en het bloot op de foto’s van Newton. Ik wist dat naakt niet per se een seksuele context hoefde te hebben, dat het ook een andere betekenis kon hebben. Dat ik ooit zelf een vrouwenlichaam zou hebben, net als Madonna, net als mijn moeder, net als mijn vriendinnen, vervulde me niet alleen met trots maar ook met een gevoel van een bijna magische intimiteit. En ook op latere leeftijd, als vrouw, vond ik niets intiemer dan naakt zijn onder vriendinnen, elkaars lichamen op achteloze wijze keurend en vergelijkend.

De intimiteit van het vergelijken wordt in Borsten misschien niet genoemd maar ze wordt wel degelijk opgeroepen. Van Zweden laat alle soorten vrouwen rondlopen in haar boek; in de puberteit of van middelbare leeftijd, met platte borst of twee borstvergrotingen verder, als man geboren, moeder of onvruchtbaar. Waar het in films altijd mannen zijn die zich tot borsten verhouden – ernaar staren, erover praten, erom bedelen, ermee worden beloond – zijn het hier louter vrouwen die zich tot hun eigen of tot elkaars borsten verhouden, waarmee ook Van Zweden intimiteit laat voorgaan op seksualiteit. Erotiek wordt dan ook alleen bekeken vanuit het vrouwelijk perspectief: welke rol spelen borsten bij haar beleving van seks? Hoe ervaart ze haar seksualiteit als ze borstvoeding geeft? Of als ze een borst is kwijtgeraakt aan kanker?

Soms zoomt Van Zweden zelfs zozeer in op de beleving van de vrouw dat het perspectief enigszins verloren gaat. Het hoofdstuk over borstvoeding is weliswaar het rijkst gelardeerd met feiten en onderzoeken, maar de rol van de vader wordt hier afgedaan met de opmerking dat hij zich tijdens de borstvoeding ‘buitenspel gezet kan voelen’. Dat de rest van het hoofdstuk zeer uitgebreid ingaat op de gevoelens van de moeder toont op wrange wijze aan dat de vader niet alleen het gevóel heeft dat hij buitenspel staat maar misschien ook wel buitenspel wordt gezét.

Heel af en toe zet Van Zweden de vrouwelijke ervaring in een maatschappelijk perspectief. Op die momenten maakt ze iets expliciet wat op meer onnadrukkelijke wijze al als een rode draad door haar verhaal heen liep, namelijk het feit dat de verschillende soorten bloot die ik als kind van elkaar wist te onderscheiden inmiddels gewoon één soort bloot zijn geworden: die van de sexy soort. Juist die focus op seks, die seksualisering van het lichaam, gaat hand in hand met preutsheid. In Borsten komen alle bekende voorbeelden daarvan voorbij: het taboe op topless zonnen, het verbod op vrouwentepels in sociale media (en de tegenbeweging #freethenipple), de afkeer van borstvoeding in het openbaar. Vrouwelijk naakt wordt niet alleen als vanzelfsprekend met seks geassocieerd, het wordt ertoe gereduceerd. Alsof dat lijf, die borsten, louter in dienst staan van seks.

Onze obsessie met seks maakt ons niet alleen preuts, maar vervult ons ook met schaamte. Om die reden zijn we het vrouwenlichaam steeds meer gaan ontmenselijken, alsof we daarmee ook onze lust ontdoen van zijn menselijkheid. Een conventioneel ‘lekker wijf’ heeft een lichaam dat strak en afgetraind is, vrij van putten, rimpels en haar. Door alle vrouwenlichamen naar die conventie te voegen, maken we ook de lust zelf conventioneler, en daarmee minder schaamtevol. Als een conventioneel ‘geil’ lichaam je opwindt hoef je er tenslotte geen verantwoordelijkheid voor te dragen. Je víndt het niet sexy, het ís sexy. Maar een afwijkend lichaam, een lichaam dat bijvoorbeeld dik of oud is, confronteert ons met het soort seksuele begeerte dat gênant is. Zelfs als we die opwinding niet voelen, relateren we dat vrouwenlichaam aan seks. En dat verwart ons niet alleen, het maakt ons boos. Die lichamen zien we liever helemaal niet.

In The Last Days of Disco, Whit Stillmans film uit 1998 over het New Yorkse uitgaansleven van de vroege jaren tachtig, vertelt Des een anekdote aan zijn vrienden. Hij was op een eerste date met een vrouw. Ze gingen uit en nadien vroeg de een de ander mee naar huis. Eenmaal op de bank trok zij spontaan haar shirtje voor hem uit en onthulde haar blote borsten. Zij dacht dat ze hem daar een plezier mee zou doen. Ze dacht dat dit was waar hij op uit was geweest. Maar Des was geschokt. Hij voelde zich geïntimideerd. Haar assertiviteit maakte hem machteloos.

Dat 'Borsten' iets verdrietigs heeft, blijkt uiteindelijk Van Zwedens grootste verdienste

Films en series, en populaire cultuur in het algemeen, waarin verhalen worden verteld die onze levens spiegelen, maar waar wij ons omgekeerd ook aan spiegelen, verbeelden de hofmakerij tussen man en vrouw graag als een spel. Hij jaagt en zij beschermt. Hij wil iets en zij heeft iets. Trekt zij zomaar haar shirtje voor hem uit, een symbolische daad van overgave, dan speelt ze vals. De regels van het spel willen dat hij erom vraagt, en dat zij tegenstribbelt. Dat hij aandringt en dat zij toegeeft, want niet toegeven is ook valsspelen. In dit spel is hij degene die actief iets wil. Hij is het die een doel en een verlangen heeft; zij geeft hem simpelweg zijn zin. Het is een spel met maar één speler: de man. De vrouw is de verliezer. Ze is passief; ze is meer object dan mens. Maar hij verliest net zo goed, want hij draagt alle verantwoordelijkheid. Hoe beklemmend is dat? Hoe eenzaam is dat?

In Borsten laat Van Zweden een jonge vrouw aan het woord die bij het uitgaan voortdurend door mannen werd aangesproken. Dat wil zeggen, totdat ze haar borsten liet verkleinen. Borsten zijn het al te zichtbare symbool van seks, en grote borsten worden graag verward met gewilligheid. Alsof haar trek in seks zo onstuimig is dat die zich niet laat wegstoppen onder hooggesloten truitjes. De voorkeur voor grote borsten, of voor borsten in het algemeen, lijkt eigenlijk helemaal niets met persoonlijke voorkeur of esthetische smaak te maken te hebben.

Als de hofmakerij tussen man en vrouw, zoals verteld in verhalen en al dan niet nagebootst in het echt, inderdaad een spel is, dan zijn de borsten de prijs. Ze zijn een symbool voor zijn overwinning, zijn bewijs van dominantie. Maar wat betekent haar overgave als ze ertoe wordt overgehaald? Wat is er de waarde van? Het spel gaat niet over seks maar over macht. Het spel ziet seks slechts als middel om macht te verkrijgen, of kwijt te raken. Intimiteit gaat over iets anders. Intimiteit bestaat alleen als alle partijen, de spelers, actief zijn. Als ze actief iets willen, actief een keuze maken, zich actief aan de ander overgeven. Als de vrouw niet het obstakel is dat tussen de man en haar lichaam staat, maar als zij werkelijk onderdeel van dat lichaam is.

In haar proloog schrijft Van Zweden over haar consult met een oncologisch chirurg, vlak na haar diagnose. Het is een ‘we hebben goed nieuws en slecht nieuws’-achtig gesprek waarbij de woorden ‘amputatie’ en ‘reconstructie’ in een en dezelfde zin vallen. ‘Ik was in verwarring. Blijkbaar verdiende de mededeling “uw borst moet worden geamputeerd” niet eens een zelfstandig zinnetje. Een zin met een punt erachter en de mogelijkheid om daarna stil te vallen.’ Wat Van Zweden in het gesprek mist, is ruimte voor twijfel. Voor een aarzeling. Wíl ze eigenlijk wel een reconstructie? Ik schrijf er met een bepaalde afstand over, over hoe onze samenleving vrouwelijk naakt seksualiseert, en de vrouw tot object maakt. Ik kíjk er ook van een afstandje naar, zo voelt het althans. Ik kijk ernaar alsof ik er zelf geen deel van uitmaak. Ik kijk kritisch. Hoofdschuddend. Maar als ik Van Zwedens proloog lees verwonder ik me over haar aarzeling. Waarom, vraag ik me af, zou je geen reconstructie willen? Waarom, zeg ik zelfs hardop, zou je mismaakt door het leven willen gaan?

In het laatste hoofdstuk keert Van Zweden terug naar de borst-als-vernietigster. Ze vertelt over de geschiedenis van borstkanker, en dat het vroegste geval dateert van 1600 voor Christus. Ze schrijft over de radicale Halsted-procedure, een verwoestende operatie die tot ver in de twintigste eeuw de norm was in borstkankerchirurgie. Ze schrijft over de sprongen die de geneeskunde heeft gemaakt, zodat vandaag de dag, in dit deel van de wereld, de borst tijdens één operatie kan worden verwijderd én opnieuw kan worden geconstrueerd. Het ‘all-inpakket’ noemt Van Zweden het, en het is niet moeilijk om in te zien waarom de reconstructie als een vanzelfsprekend onderdeel van het behandeltraject wordt gezien. Het all-inpakket is niet alleen efficiënt, het reduceert ook de impact op het zelfbeeld van de patiënt. Op de website schrijft het Universitair Ziekenhuis Gent: ‘Het is waarschijnlijk dat u zich na reconstructie meer aantrekkelijk zult voelen en dat u uw taak als vrouw, echtgenote en moeder, maar ook uw professionele taken beter aan zult kunnen.’

Maar, vraagt Van Zweden zich impliciet af, waarom is dat eigenlijk? En verhult de term ‘reconstructie’ niet iets? Want hoe vakkundig de operatie ook wordt uitgevoerd, het gaat toch om een substituut, en niet om een werkelijk herstelde borst. Van Zweden dwingt je om verder te kijken dan het plaatje. Ze vraagt zich af hoe zo’n geconstrueerde borst eigenlijk aanvoelt. Hoe hij beweegt. Ze vraagt zich af voor wie de schijn eigenlijk wordt opgehouden: voor haarzelf? Of voor een samenleving die liever niet geconfronteerd wordt met trauma, ziekte en een afwijkend lichaam?

Ontroerend zijn Van Zwedens gesprekken met vrouwen die kozen voor plat of asymmetrisch: de vrouw die het niet nodig vindt om haar eenborstigheid te verhullen maar die zichzelf soms toch ‘voelt lopen’, de vrouw die in bed met haar vriendin altijd wordt geconfronteerd met het feit dat ze zelf geen borsten meer heeft. Ontroerend is de asymmetrische ondergoedmode die het vrouwenlichaam in al zijn onvolkomenheid viert. Deze getuigenissen ontroeren me ook omdat ze me confronteren met mijn eigen blik, die lang niet zo kritisch blijkt als ik dacht. Hier heeft Van Zweden naartoe gebouwd, naar dit gevoel van empathie, naar een stilte die ruimte biedt voor haar aarzeling. Voor haar afwijkende keuze en haar afwijkende lijf. Dat Borsten iets verdrietigs heeft, blijkt uiteindelijk Van Zwedens grootste verdienste. Want dit is hoe we het vrouwenlichaam onttrekken aan de geseksualiseerde blik: door het soms ook verdrietig te laten zijn.


Foto uit de tentoonstelling Helmut Newton, SUMO, Three Boys from Pasadena, en Photo Collection of Helmut and June. Te zien bij de Helmut Newton Foundation in Berlijn van 7 juni tot 10 november