Milieuactivisten versus oliegigant

‘Mijn motivatie is dat ik denk dat ik gelijk heb’

De aanklacht van Milieudefensie tegen Shell is de zoveelste in een mondiale reeks klimaatzaken. Klimaatverandering is niet langer alleen een zaak voor politici, ook rechters beginnen zich ermee te bemoeien.

Medium groene klimaatzaken

‘Wij geloven dat klimaatverandering een complexe maatschappelijke uitdaging is die niet moet worden aangepakt door rechtbanken.’ Zo luidde de reactie van Shell op de claim waarmee Milieudefensie sinds vorige week dreigt. Milieudefensie stelt dat de oliegigant met de huidige bedrijfsstrategie een onrechtmatige daad pleegt, omdat die bijdraagt aan gevaarlijke opwarming van de aarde. De zaak is de zoveelste in een mondiale reeks rechtszaken over de verantwoordelijkheid voor de gevaren van klimaatverandering. De teller heeft de duizend inmiddels aangetikt. Er lopen klimaatzaken in landen als de Verenigde Staten, Colombia, Oostenrijk, Pakistan, Ierland, Noorwegen, Oekraïne, India en Australië. Het laat zien dat het klimaatprobleem uit het politieke domein wordt getrokken.

Shell staat niet alleen in zijn standpunt dat rechtbanken geen beslissingen over klimaatverandering moeten nemen. Critici waarschuwen al langer dat de staatsmachten uit hun evenwicht worden gebracht wanneer rechters zich bemoeien met dit politiek hete hangijzer. Het was een veel gehoord bezwaar tegen de Urgenda-zaak, waarin de rechtbank Den Haag in 2015 wél stelling nam en oordeelde dat de Nederlandse staat een onrechtmatige daad pleegde door te weinig te doen tegen klimaatverandering.

Vanwege de politieke gevoeligheid onthielden andere rechters zich van een oordeel in veel klimaatzaken. Op 4 januari vond een Noorse rechter zichzelf bijvoorbeeld ongeschikt om in te gaan op de klimaatgerelateerde bezwaren van jeugdorganisatie Natur og Ungdom (‘Natuur en Jeugd’) tegen afgegeven olievergunningen, omdat dit ‘een totaalbeoordeling’ zou vergen ‘die beter kan worden overgelaten aan de politiek, en waarvoor rechtbanken niet geschikt zijn’.

Kennelijk is er een spanning tussen recht en politiek. Milieuactivisten doen een beroep op de rechter, maar deze strategie wordt door velen afgewezen omdat klimaatverandering als probleem in het politieke domein zou thuishoren.

Het recht moet zekerheid bieden waar in de politiek belangen en meningen alle kanten op vliegen. Wie roept ‘recht is politiek!’ is óf verontwaardigd óf cynisch. Recht is gelukkig ook geen politiek. Recht is namelijk de uitkomst van politiek.

In een democratie als de onze voeren we voortdurend politieke gesprekken met elkaar, over hoe onze maatschappij eruit moet zien. Dat doen we op tv, in kranten, op sociale media, in kroegen, of op straat. Zulke gesprekken en debatten sijpelen door naar onze politieke instituties op het Binnenhof, waar knopen worden doorgehakt. De inlichtingendienst krijgt meer bevoegdheden om terrorisme aan te pakken, bijvoorbeeld. Een donorwet wordt aangenomen.

Omdat we zelf ons recht maken, vinden we dat iedereen zich eraan moet houden. Zelfs al zijn we het niet eens met een bepaalde regel, dan nog onderschrijven we de democratische procedures die die regel tot stand hebben gebracht. Ons recht is zogezegd democratisch legitiem.

De consequentie hiervan voor rechters is dat zij bestaand recht mogen toepassen – geen nieuw recht verzinnen. Wij willen als burgers immers sámen recht maken, niet onder een tirannie van rechters leven. Bovendien weten we ongeveer wat van ons verwacht wordt dankzij onze wetten. Die rechtszekerheid komt in gevaar als rechters op eigen houtje bedenken wat er moet gebeuren.

De taak van rechters wordt daarom omschreven als rechtsvinding: rechters ‘vinden’ recht, dat er al is. Dit betekent niet dat recht onafhankelijk van mensen bestaat (een idee dat wel wordt aangehangen door zogenaamde natuurrechtsdenkers). Recht is een menselijke constructie, net een stad gebouwd door de politiek. De burgers leggen het wegennet aan en tuigen de gebouwen op. Rechters kunnen er daarna hun weg vinden.

Zolang er geen recht bestaat over de verantwoordelijkheid voor de gevaren van klimaatverandering, zou je daarom zeggen, moeten rechters zich hiermee niet bemoeien.

Veranderlijkheid van het recht is een ander democratisch grondbeginsel. Als wij bepalen hoe ons recht eruitziet, moeten we het ook kunnen veranderen. We zijn niet volledig gebonden aan beslissingen van voorgaande generaties.

Zelfs beginselen uit de juridisch stevig verankerde grondwetten zijn in zekere mate veranderlijk, omdat ze verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. Het Amerikaanse Hooggerechtshof achtte in 1896 raciaal gescheiden scholen in lijn met de grondwet, in de zaak Pleggy v Ferguson. Maar in 1954 ging het ‘om’ in Board of Education v Brown. Het Hooggerechtshof interpreteerde het grondrecht op gelijke rechtsbescherming nu zo dat het de wettelijk vastgelegde rassenscheiding op openbare scholen verbood.

‘De mondiale opinie is helder en eenduidig: gevaarlijke klimaatverandering moet worden voorkomen’

Dit betekent niet alleen dat de rechters zich minder racistisch toonden dan in 1896. De héle maatschappij was minder racistisch geworden. Het lijkt misschien alsof het Hooggerechtshof in 1954 de betekenis van het grondrecht ‘gelijke rechtsbescherming’ veranderd heeft, maar in werkelijkheid leefde deze nieuwe interpretatie al in grote delen van de maatschappij. Rechters schrijven geen wetten voor, ze passen wetten toe, en waar die ambigu zijn volgen ze een interpretatie die (voldoende) leeft in de maatschappij, de ‘demos’. Zo vertegenwoordigen rechterlijke uitspraken de stem van de democratie, zelfs als de wetgever er niet aan te pas is gekomen.

Ook de Urgenda-uitspraak formuleerde zo’n nieuwe interpretatie: het juridische leerstuk dat je een onrechtmatige daad kunt plegen door een onnodig gevaarlijke situatie te creëren, is zo geïnterpreteerd dat die nu gevaarlijke klimaatverandering omvat.

Natuurlijk verandert recht niet vanzelf. Er is breed maatschappelijk debat voor nodig, dat op allerlei manieren kan worden aangezwengeld. In dat kader is burgerlijke ongehoorzaamheid interessant. Die gaat een stap verder dan verandering in het recht opperen. Burgerlijk ongehoorzamen overtreden de wet, maar zien zichzelf niet als misdadig – anders dan een dief, die zelf tenslotte niet bestolen wil worden. Wie een overtreding begaat uit burgerlijke ongehoorzaamheid stelt dat de huidige (interpretatie van de) wet onjuist is. Rosa Parks weigerde in 1955 haar zitplaats in een bus op te geven voor een ‘blanke’, uit protest tegen de regel; het valt gewoon niet recht te praten dat zwarte mensen minder waard zouden zijn dan witte.

Rosa Parks was onderdeel van de almaar groeiende civil rights movement. En een jaar later kreeg ze gelijk: het Amerikaans Hooggerechtshof erkende in Browder v Gale dat rassensegregratie, in dit geval in bussen, het grondrecht op gelijke rechtsbescherming schond. Wat Rosa Parks had gedaan kon dus inderdaad niet verboden zijn.

Wie een klimaatzaak aanspant doet iets vergelijkbaars, maar gaat nog verder. De procederende milieuactivisten protesteren niet tegen bestaande regels, ze zeggen te weten wat het recht nú al inhoudt. De heersende interpretatie van het recht is volgens hen veranderd en de rechter hoeft dit alleen te bevestigen. ‘Wat mij motiveert, is dat ik denk dat ik gelijk heb’, zei Roda Verheyen, de advocaat die namens een Peruaanse boer in Duitsland over klimaatschade procedeert tegen energiebedrijf rwe.

We zien nu dat rechters de ene klimaatzaak anders beoordelen dan de andere: de rechtbank Den Haag in de Urgenda-zaak vond dat er voldoende recht bestond om haar oordeel op te baseren, terwijl de Noorse rechter zei dat het klimaat meer iets is voor de politiek. Dit duidt niet op rechterlijke willekeur, maar betekent dat we getuige zijn van een rechtsontwikkeling. Klimaatverandering was duidelijk een politiek onderwerp, maar dat is aan het verschuiven.

De klimaatzaken gaan daarom niet de wereld ‘veranderen’, zoals wel is gesuggereerd. Ze zijn eerder het signaal dat de wereld verandert, oftewel een teken van een geëvolueerde rechtsopvatting. Iedere keer als een klimaatzaak wordt gestart, wordt die rechtsopvatting ferm onderstreept: het klimaat is het politieke debat voorbij. De aansprakelijkheidsstelling van Milieudefensie jegens Shell zegt het zo: ‘De mondiale opinie is helder en eenduidig: gevaarlijke klimaatverandering moet worden voorkomen.’

Tegelijkertijd is procederen een krachtig middel om maatschappelijk debat aan te jagen. De publiciteit die de rechtszaken omgeeft dwingt de samenleving na te denken over de verantwoordelijkheid voor de gevaren van klimaatverandering. Het debat kan mensen overtuigen van de nieuwe rechtsopvatting en zo het klimaat verder uit het politieke trekken. Want: hoe sterker de rechtsopvatting heerst, des te steviger kunnen rechters hier hun interpretaties op stutten.

De afgelopen tijd lijken milieuactivisten succes te boeken in de klimaatzaken. Dit betekent dat rechters meer vaste grond voelen om hun oordeel op te baseren. Afgelopen februari benadrukte het Inter-Amerikaanse Hof voor de Mensenrechten in een zogeheten rechtsopinie dat het mensenrecht op een gezond leefmilieu ‘fundamenteel voor het bestaan van de mensheid’ is. Bovendien, stelde het Hof, heeft dit recht ‘extraterritoriale werking’, wat betekent dat staten het kunnen schenden op buitenlands grondgebied. Mogelijk kunnen landen elkaar dus gaan aanspreken op broeikasgassenuitstoot met mensenrechten als juridische basis.

En 7 maart nog deed een Amerikaans Court of Appeal uitspraak in een klimaatzaak die kinderen tussen de acht en negentien hadden aangespannen tegen de regering – eerst die van Obama, nu die van Trump. De regering had tegengeworpen dat de rechter niet mocht beslissen vanwege het stelsel der machtenscheiding; dit zou iets zijn voor de politiek. Maar het Court oordeelde dat de rechter hier wél over mag beslissen, en verwees de zaak terug zodat die inhoudelijk beoordeeld kan worden. Dit hof bevestigt hiermee de stelling dat klimaat niet langer uitsluitend de politiek toebehoort.

Over de noodzaak klimaatverandering tegen te gaan bestaat al lang mondiale consensus. Het internationale klimaatverdrag uit 1992 is geratificeerd door vrijwel alle landen op aarde. Dat werd eind 2015 bekrachtigd door het Parijs-akkoord, dat eveneens door nagenoeg iedereen is getekend. De rechtszaken gebruiken onder meer dit internationale recht als juridische bron.

Klimaatsceptici vertragen de rechtsontwikkeling omdat zij het bestaan van het klimaatprobleem onderwerp van debat houden. De meeste rechtszaken worden gevoerd in de VS, waar tegenwoordig een klimaatscepticus in het Witte Huis zetelt. Op veel Amerikaanse lokale bestuurders heeft dat geen effect: zij zijn overtuigd van hun plicht het Parijs-akkoord na te leven, zelfs al trekt Trump zich eruit terug. De opvatting dat het klimaatprobleem niet langer op het bord van de politiek ligt, krijgt ook hiermee sterkere wortels. Die opvatting werd in januari nog eens bevestigd door een internationale groep gerenommeerde juristen onder leiding van Jaap Spier, voormalig advocaat-generaal bij de Hoge Raad. In hun Principles on Climate Obligations for Enterprises stellen zij dat het huidige recht verplichtingen inhoudt voor het bedrijfsleven om broeikasgassenuitstoot te beperken. Al met al lijkt de rechtsontwikkeling lastig nog te stoppen. En net als klimaatverandering trekt die zich weinig aan van nationale grenzen.


Laura Burgers promoveert aan de UvA op de democratische legitimiteit van milieu-aansprakelijkheidszaken