Israël: Diva Rita zingt Perzische liederen

‘Mijn muziek breekt door de vijandigheid heen’

Rita is in Israël de grootste zangeres van het land. Terwijl ze een geboren Iraniër is. Migranten in Israël gaan zich door haar muziek meer verdiepen in hun eigen taal en cultuur. Haar laatste cd is ook in Iran goed ontvangen.

Medium p1010314

Een echte diva herken je aan het feit dat ze geen achternaam heeft: Madonna, Rihanna, Cher. En zo is Rita ook. De vijftigjarige Israëlische zangeres heet voluit Rita Jahan-Foruz en door haar huwelijk (inmiddels gescheiden) met collega-muzikant Rami Kleinstein droeg ze ook wel eens de naam Rita Kleinstein, maar iedereen kent haar simpelweg als Rita. In de afgelopen 25 jaar was Rita de koningin van de Israëlische hitlijsten: met meer dan 37 hits is ze de succesvolste Israëlische zanger aller tijden en tijdens de viering van het zestigjarig bestaan van de staat Israël in 2008 werd ze tot de grootste zangeres van Israël gekozen. Op haar twaalfde cd, My Joy, die ruim een jaar geleden uitkwam, zingt Rita Iraanse klassieke pop- en volksliedjes in haar moedertaal, het Perzisch of Farsi, zoals Iraniërs hun eigen taal noemen.

Het is begin januari als Rita me in haar ruime flat in een chique wijk van Tel Aviv ontvangt. Twee dagen daarvoor ben ik naar haar optreden in het prestigieuze Habima National ­Theatre geweest en, op z’n zachtst gezegd, heb ik een van de vreemdste optredens in mijn leven meegemaakt: in hartje Israël én op het moment dat de spanning tussen Iran en Israël naar ongekende hoogte is gestegen, staat een zangeres op het podium liedjes in het Perzisch en het Hebreeuws te zingen terwijl het publiek, zo’n negenhonderd mensen, met haar meezingt! Het publiek is van alle leeftijden, zelfs jonge kinderen zijn her en der te zien. Tijdens het laatste half uur van het twee uur durende optreden mogen de concertgangers hun stoelen verlaten en voor het podium staan. De ruimte tussen de eerste rij stoelen en het podium is niet groot – er kunnen hooguit vijftig mensen staan – maar dat deert de pret niet: zonder dat er hysterische taferelen ontstaan vult de ruimte zich met mensen die zichtbaar blij zijn dat ze zo dicht bij hun idool mogen komen.

‘Wat ik me van Iran kan herinneren zijn flarden van kleuren, geuren en geluiden. Het is net of ik stukjes van een videoclip zie. Ik zie ons gezin op warme zomernachten op het dak van ons huis slapen. We hadden geen airco en slapen onder de open hemel was de enige manier om die klamme nachten door te komen. Het stadsgeluid dat langzamerhand afnam totdat ik niets meer hoorde terwijl ik naar de ­­sterrenhemel staarde. Dat staat me nog bij. Maar ook de bramenstruiken bij het huis van mijn tante zie ik nog voor me. Als ik bij haar logeerde, kon ik vanuit het raam bramen plukken. En verse pistachenoten waar het sap er nog in zat.’

In Iran wist niemand dat de familie joods was, vertelt Rita, ze wist het zelf ternauwernood. ‘Mijn ouders waren niet religieus. We gingen nooit naar de synagoge, maar Pesach werd bij ons wel gevierd, met speciaal eten. Ik herinner me dat ik een keertje onderweg naar huis tegen een vriendinnetje zei dat ik haar een geheim moest vertellen. Iets wat ze aan niemand mocht doorvertellen. “Ik ben joods”, zei ik tegen haar terwijl ik van spanning doodging. Haar mond viel open. “Maar wat is dat?” vroeg ze. “Ik heb geen idee wat het is, maar ik bén het!” zei ik tegen haar.’

Ze schaterlacht.

‘Op een dag kwam mijn oudste zus totaal overstuur terug van school; ze moet toen een jaar of veertien zijn geweest. De leraar had haar gevraagd om het ochtendgebed op te zeggen en tot grote verbazing van iedereen kende ze het niet, want dat had ze nooit geleerd. Ze heeft de hele dag gehuild. Toen mijn vader ’s avonds haar verhaal aanhoorde, zei hij dat het nu ­misschien de tijd was om weg te gaan. Dat was in 1970 en ik was toen acht jaar oud.’

Op dat moment woonden er nog zo’n honderdduizend joden in Iran. Nu zijn het er nog hooguit achtduizend. De meeste joden emigreerden naar Israël, een stroom die versnelde nadat zich in 1979 de islamitische revolutie van Khomeini had voltrokken.

Om haar warm te maken voor de verhuizing naar Israël vertelde haar vader dat in Israël iedereen een bananenboom in zijn tuin had en dat mensen in Israël zo aardig waren dat ze de hele dag goedendag tegen elkaar zeiden, zelfs tegen wildvreemden op straat. ‘Het vooruitzicht van mijn eigen bananenboom en een hoffelijk volk won het van mijn angst voor een land waarvan ik de taal niet sprak en waar ik niemand kende.’

De eerste dagen op school in Israël was Rita verbijsterd: ‘Ik kwam terecht bij drukke ­kinderen die herrie maakten en rondrenden. Ik vroeg mijn vader of ik naar een speciale klas voor gekke kinderen was gebracht. Dit was zo anders dan het strenge regime van de Iraanse scholen waarbij je bij de minste ongehoorzaamheid een klap van de leraar kon verwachten. Maar het duurde niet lang meer voor ik zelf ook een van de gekken was. In no time stond ik ook op de tafel te zingen!’

Rita vertelt enthousiast over haar laatste tour in november door de Verenigde Staten. Vooral het optreden in Los Angeles vond ze heel bijzonder, want gemêleerd publiek was ze al gewend – Israël is migrantenland bij uitstek – maar het publiek aan de Amerikaanse westkust sprak haar erg aan: Iraniërs die geen joodse of Israëlische achtergrond hebben maar alleen vanwege haar Iraanse cd op haar af kwamen, plus Amerikaanse joden die al dan niet Hebreeuws maar geen Perzisch verstonden en haar alleen vanwege haar Israëlische komaf kenden, en Israëlische Amerikanen die wél Hebreeuws maar zeker geen Perzisch kenden. ‘Omdat ik zowel in het Perzisch als in het Hebreeuws zong en tussen de liedjes door het publiek ook in die talen aansprak, kon ik goed zien welk gedeelte van het publiek tot welke taal- of landgroep behoorde. Waanzinnig om al die verschillende mensen onder één dak te zien.’

Op haar laatste cd zingt Rita alleen maar Perzische liedjes. Het plan daarvoor is toevallig ontstaan, toen ze twee jaar geleden samen met een Israëlische band van Marokkaanse komaf aan een opname werkte. ‘Op een gegeven moment zongen zij een liedje in hun Marokkaanse dialect en dat bracht me op het idee om ook een paar liedjes in het Perzisch op te nemen. Ik was toen al halverwege het proces van een nieuwe cd. Uiteindelijk ben ik met die productie gestopt en heb vaak naar Perzische liedjes uit mijn moeders cd-collectie geluisterd. Uiteindelijk heb ik besloten om de cd helemaal in het Perzisch te maken. Het voelde als zwemmen in een zee waar ik wel eens eerder met een teen of een vinger in had gezeten maar waar ik nu een volle duik in ging nemen.’

Haar Perzische cd stuitte in haar omgeving op weerstand. Collega’s en kennissen spraken haar aan met vragen als: ‘Ga je nu in de taal van Ahmadinejad zingen?!’ Rita: ‘Vergeet niet dat de enige keren dat we in Israël de Perzische taal op de tv horen het gaat om de dreigementen die Ahmadinejad en zijn regering aan het adres van Israël uiten. Alleen al van zijn stem raken we hier in paniek. Maar ik wilde laten zien dat de Iraanse taal en de bijbehorende cultuur meer is dan de taal van het geweld. Iran heeft in de loop der geschiedenis zoveel moois ­voort­gebracht dat het jammer zou zijn als de taal van de ­huidige extremisten het enige geluid zou zijn dat mensen in het buitenland zouden horen.’

Het meest verrassende is dat de cd niet alleen in Israël een grote hit is, maar via internet en de illegale markt ook in Iran goed is ontvangen. Rita krijgt via Faceboek de reacties binnen. In Israël zelf heeft de cd een grotere uitstraling dan alleen naar het publiek met een Iraanse achtergrond.

Ook andere migranten in Israël laten zich erdoor inspireren en zijn zich ineens meer gaan verdiepen in hun eigen taal en cultuur van vroeger. ‘Mijn verhaal laat zien dat zelfs een onschuldige daad als een cd maken door een dikke muur van vijandigheid heen kan breken. Via mijn muziek hebben mensen aan beide kanten elkaar ontmoet.’

de angst voor een oorlog met Iran is nooit ver weg. Rita zelf leeft daar niet dagelijks mee, omdat de dreiging van een oorlog zo gewoon is. ‘Met de dag leven is in Israël geen grap, zeggen we hier voor de grap, want ergens in je achterhoofd ben je bang dat je de dag van morgen niet haalt. En wat mijn Iraanse achtergrond betreft: het Iraans zijn wordt in Israël steeds normaler, positiever. We beginnen steeds meer Israëliërs te worden. Neem nou mijn geval: ik, een geboren Iraniër, word de nationale zanger genoemd en mijn kinderen, die via hun vader Duits-Pools-Amerikaans bloed hebben, zullen de toekomst van Israël vormen.’


Israel Loves Iran

Twee grafisch ontwerpers uit Tel Aviv, het echtpaar Ronny Edry en Michal Tamir, zetten in maart 2012, toen de spanning tussen Israël en Iran weer eens hoog opliep, foto’s van zichzelf op Facebook met het logo ‘Iraniërs, we zullen jullie land nooit bombarderen’ en daaronder een hartje. De respons was boven alle verwachting. Gewone Israëlische en Iraanse burgers legden via Facebook contact met elkaar en begonnen te chatten. Intussen heeft de Facebook-pagina Israel Loves Iran honderdduizend vrienden, is er een website en een organisatie die de Peace Factory heet om met burgers uit het hele Midden-Oosten communicatiekanalen te openen.

Ronny Edry: ‘Persoonlijk had ik niets met Iran of Iraniërs voordat ik met de website begon. Ik ben van Marokkaans-Frans-Italiaanse komaf, maar vond dat wij Israëliërs voor de verandering in plaats van onze tanden eens onze liefde zouden moeten tonen. Zo’n tegendraadse daad bleek te werken: in een slechte week hebben we honderdduizend bezoekers en in een goede week wordt onze website ruim twee miljoen keer bekeken.’

Aan de vooravond van de verkiezingen in Israël roept de Peace Factory de kiezers op om zich niet bang te laten maken en zich niet te laten intimideren door oorlogspropaganda van de politici. ‘Zij propageren oorlog. Wij propageren vrede.’ Edry zelf denkt dat oorlog met Iran er niet komt, alle retoriek ten spijt. ‘Je kunt van de politici zeggen wat je wilt, maar níet dat ze gek zijn. Ahmadinejad en Neta­nyahu weten beiden wat voor destabiliserende uitwerking zo’n oorlog zal hebben. En daarom zullen ze er niet aan beginnen. Maar in de politiek is het soms handig om je tegenstander het gevoel te geven dat jij gek bent en daarom tot alles in staat. Vandaar dat beide landen z’n strijdlustige taal gebruiken.’