De zoon van een Libische dissident over zijn jaren op kostschool in Engeland

‘Mijn naam is Bob’, ik heet Hisham

De arm van kolonel Kadhafi reikt ver. Dat was ook al zo in de jaren tachtig, toen schrijver Hisham Matar, net als zijn broer, in Europa op kostschool zat.

IK HEB één broer, Ziad, die op zijn zestiende vertrok naar Zwitserland om daar op kostschool te gaan. Dat was zijn eigen beslissing. Hij werd aangetrokken door de verhalen van vrienden en neven die het in Europa geweldig vonden. Ik wilde ook gaan, maar ik was pas twaalf. Ik miste hem verschrikkelijk. En toen hij terugkwam, in het midden van het trimester, was hij niet dezelfde. Hij landde ’s avonds in Caïro. We waren met z'n allen naar het vliegveld gegaan om hem op te halen. Toen hij opdoemde in de stroom mensen vanuit de aankomsthal was zijn gezicht bleker dan ik het me herinnerde.
Een paar dagen eerder had ik mama zenuwachtig zien telefoneren; haar vingers trilden als ze de nummers koos. Het enige wat ik ervan begreep was dat Ziad in gevaar was. Maar pas een paar jaar later zou Ziad me vertellen wat er was gebeurd.

ZIJN SCHOOL lag ver weg, hoog op een top van de Zwitserse Alpen en was moeilijk te bereiken. Het openbaar vervoer naar het dichtstbijzijnde dorp bestond uit een kabelwagen, die alleen een paar uur midden op de dag in bedrijf was. Twee dagen achter elkaar zag Ziad een auto geparkeerd staan verderop op het weggetje naar de hoofdingang van de school. Er zaten vier mannen in die er Libisch uitzagen. Ze hadden dat lange haar dat zo kenmerkend was voor leden van de revolutionaire comités van kolonel Kadhafi. Op een avond, het was al laat, bleef de telefoon op de gang van de school maar rinkelen. Uiteindelijk nam iemand op. Het was een van de vrienden van mijn vader, een Libische dissident die in Zwitserland woonde. Hij wilde Ziad spreken. Zodra Ziad de hoorn opnam begon de man te roepen dat hij onmiddellijk moest vertrekken. Verder wilde hij niets uitleggen. Ziad wist niet goed wat hij met het telefoontje aan moest. Een paar minuten later belde mama hem op en zei hetzelfde, maar dan op een aardige en duidelijke manier. Ziad maakte zijn favoriete docent wakker, de leraar Engels.
‘Meneer, mijn vader gaat zo geopereerd worden, het is ernstig, en hij wil me graag zien voor hij de operatiekamer in gaat. Ik moet zo gauw mogelijk met de trein naar Basel. Kunt u me alstublieft naar het station brengen?’
De docent belde mijn moeder, en zij zei dat dat inderdaad aan de hand was en dat ze het zeer op prijs stelde als hij haar zoon onmiddellijk naar het station kon rijden.
De docent pakte de treintijden erbij en zag dat er veertig minuten later een trein naar Basel ging. Als ze zich haastten, konden ze hem net halen.
Ze moesten langs de auto; er was geen andere uitgang. Maar het was een maanloze, heel donkere nacht. Ziad was ervan overtuigd dat de mannen niet konden zien wie er in de auto zaten. De docent reed voorzichtig de kronkelige bergweg af. Een paar minuten later zagen ze koplampen achter zich. De docent zei: 'Ik geloof dat ze ons volgen.’ Ziad deed alsof hij het niet hoorde.

OP HET STATION bedankte Ziad de docent en rende naar de openbare toiletten aan de voet van de trap, onder het perron. Hij wist dat hij daar kon horen wanneer de trein naar Basel eraan kwam. Toen hij haastige voetstappen de trap af hoorde komen, deed hij de deur van het hokje waarin hij zich had verstopt niet op slot, maar liet hem juist op een kier staan. Hij ging boven op de toiletpot staan. Hij hoorde ze heen en weer lopen en toen de toiletten verlaten en weer de trap op gaan. Een paar minuten later hoorde hij de trein binnen komen rijden. Hij wachtte tot hij helemaal stilstond en rende toen de trap op. Hij mengde zich onder de reizigers op het perron. De deuren gingen dicht en de trein zette zich in beweging. Ziad wist zeker dat hij ze was kwijtgeraakt. Maar toen zag hij de vier mannen weer, ze liepen door het gangpad en volgden hem van de ene wagon naar de andere. Voor in de trein vond Ziad de conducteur, die zat te praten met de bestuurder.
'Die mannen daar achtervolgen me’, zei Ziad tegen ze.
Het was duidelijk dat de conducteur hem direct geloofde en hij vroeg Ziad naast hem te komen zitten. Toen Ziad dat had gedaan, liepen de vier mannen terug naar de vorige wagon. De bestuurder belde de politie in Basel. Toen de trein aankwam zag Ziad op het perron mannen in uniform staan wachten; de vriend van mijn vader, die op die avond als eerste Ziad had gebeld, was er ook bij.

HET WAREN GEVAARLIJKE tijden toen. Het was begin jaren tachtig. De Libische dictatuur joeg op dissidenten in het buitenland. Kort geleden hadden we in de krant gelezen over de dood van een vooraanstaande Libische econoom. Hij stapte uit een trein op Stazione Termini in Rome toen een onbekende een pistool tegen zijn borst zette en de trekker overhaalde. Naast het artikel stond een foto van zijn donkere gestalte, voor een deel verborgen onder een wit laken. Zijn schoenen waren glanzend gepoetst. Dat detail vond ik verontrustend. Een andere keer was er een bericht over een Libische student die was doodgeschoten in een café in Athene. Ik kan me geen foto herinneren, maar ik probeerde me voor te stellen hoe het had kunnen gaan. Ik stelde me voor dat de student op het terras van het café zat, dat er een scooter onhandig stopte langs de stoep, waarna de man die achter de bestuurder zat een pistool op de student richtte en schoot. Vervolgens werd een Libische nieuwslezer van de BBC World Service-radio vermoord in Londen. En in april 1984 was er de inmiddels beruchte demonstratie voor de Libische ambassade op St James’s Square. Iemand van het ambassadepersoneel schoof een raam open, stak een kalasjnikov naar buiten en opende het vuur op de menigte. De politieagente Yvonne Fletcher kwam om het leven en elf Libische demonstranten, voornamelijk studenten, raakten gewond.

DIE GEBEURTENISSEN speelden zich op de achtergrond af, maar in die tijd bracht ik ze niet bewust in verband met de plotse terugkeer van school van mijn broer, met zijn veranderde gezicht, zijn zwijgen en zijn veranderde gedrag. Het enige wat er voor mij echt toe deed, was dat hij weer terug was. Zijn vrienden, de jongens die ik de coolste mensen ter wereld vond, kwamen langs. Langzaam maar zeker werd hij weer wat opgewekter.
Mijn vader was vastberaden: de dictatuur zou hem niet beletten zijn oudste in het buitenland te laten studeren. Hij regelde een vals paspoort voor mijn broer. Ziad werd nog geen twee weken na zijn thuiskomst teruggestuurd naar Zwitserland naar een school in een klein Zwitsers-Duits provinciestadje, met een valse nationaliteit en onder een valse naam. Achteraf lijkt dat een vreemde, ja zelfs roekeloze, beslissing, maar mijn vaders vastbeslotenheid om ons zo weinig mogelijk last te laten hebben van het regime, was volgens mij slechts een deel van het verhaal. Gezien de manier waarop die vier mannen in de auto zich gedroegen, heeft het er nu alle schijn van dat het niet hun bedoeling was Ziad iets aan te doen, maar om mijn vader zo bang te maken dat hij zijn mond hield. Wanneer Libische agenten iemand willen vermoorden of ontvoeren, dan blijven ze niet dagen en nachten achter elkaar rondhangen voor de poort van een Zwitserse school.
Al gauw stuurde Ziad brieven vanaf zijn nieuwe school om te vertellen hoe geweldig hij het had. Hij schreef songteksten, die ik dan op muziek probeerde te zetten. Als hij thuiskwam in de vakantie bleven hij en ik tot diep in de nacht op. Dan vertelde hij me verhalen over zijn avonturen en ik speelde liedjes voor hem op de gitaar. Zelfs mama maakte zich geen zorgen meer over hem.

IK VROEG STEEDS weer of ik ook naar een kostschool mocht. Uiteindelijk gaven mijn ouders toe, maar ik mocht alleen maar gaan als ik een valse identiteit aannam. Dezelfde school als Ziad in Zwitserland was geen optie, want als ik daar naartoe ging werd het nog moeilijker voor ons om onze ware identiteit te verbergen. Ik koos een school in Engeland. Ik moest doen alsof mijn moeder Egyptisch was en mijn vader Amerikaans. Dat zou, als er Arabieren op die school zaten, de verklaring moeten zijn waarom het Arabisch dat ik sprak Egyptisch was en mijn Engels Amerikaans. Mijn voornaam was Bob. Die had Ziad gekozen omdat we allebei fan waren van Bob Marley en Bob Dylan. Ik moest doen alsof ik christelijk was, maar niet religieus. Ik moest proberen mijn naam te vergeten. Als iemand Hisham riep, dan moest ik niet omkijken. Ik werd gewaarschuwd om geen vaste gewoontes te ontwikkelen, niet te vaak naar dezelfde plekken te gaan en mijn thee nooit onbewaakt in een café te laten staan. Ziad had in een populair-wetenschappelijk tijdschrift gelezen over een nieuw vergif dat pas na zes maanden effect had. Als ik werd vergiftigd, zou niemand kunnen nagaan wat de bron was.
'Alleen naar de wc gaan voordat je bestelt of pas als je klaar bent met eten’, hielden ze me voor.

DE EERSTE KEER dat ik naar mijn nieuwe school reisde, nam ik een taxi er naartoe vanaf vliegveld Heathrow. Dat was een krankzinnig idee, niet alleen omdat het ongelooflijk duur was, maar ook omdat de taxichauffeur verschrikkelijk verdwaalde op al die kronkelende landweggetjes. Hij dreigde me daar achter te laten, langs de kant van de weg, zo te zien midden in niemandsland. Ik wenste dat mijn koffer wieltjes had. Ik werd heel erg ongerust.
Ik weet nog dat ik tegen hem zei: 'Dat zou een taxichauffeur in Egypte nooit doen.’
Er was niemand in de buurt aan wie we de weg konden vragen. Het was alsof ik in een leeg land was. Toen kwamen er twee vrouwen te paard aan. Ze leken zussen. De chauffeur ging naast ze rijden. Ze glimlachten. Een zwarte taxi uit Londen die diep in het binnenland was verdwaald moet een belachelijke aanblik zijn geweest. De paarden staken hoog boven de taxi uit. Ik weet nog dat hun huid glom en dat ze dikke witte wolkjes uitademden. Ze hadden waarschijnlijk net gegaloppeerd. De oudste van de twee vrouwen beschreef heel gedetailleerd de route voor de boze chauffeur. De jongere vrouw keek weg, maar op een gegeven moment kruiste haar blik de mijne.
Uiteindelijk vonden we de school, een gebouw in tudorstijl omgeven door grote eiken. Mijn kosthuis lag nog vijf kilometer verder in de dichtbegroeide heuvels. Mijn kamer was op de eerste verdieping en had een heel hoog plafond. Het werd er bijna nooit warm. Het uitzicht uit het hoge raam was fantastisch; je kon uitkijken over het hele terrein, waarvan ik later hoorde dat het was ontworpen door Capability Brown.
In het begin leek het allemaal verrassend makkelijk te gaan. Ik was Bob en dat was dat. Ik vond het zelfs leuk om te acteren, te doen alsof ik een andere nationaliteit en godsdienst had. De school waar ik op zat stond bekend om zijn theater, en ik stortte me helemaal op het toneel. Ik hielp sets bouwen, ik acteerde, regisseerde, en toen ze erachter kwamen dat ik een beetje kon schrijven, lieten ze me elke week een sketch bedenken. Op dat moment zag ik niet dat er een logisch verband was tussen die passie en mijn nieuwe werkelijkheid. Ik raakte goed bevriend met een paar studenten, jongens en meisjes, maar nooit onthulde ik mijn ware identiteit. En het leek goed met me te gaan. Sterker nog, ik beschouwde mezelf als gelukkig.
Op een schoolfeest liep een meisje waar ik gek op was door de zaal en vroeg of ik met haar wilde dansen. We dansten een paar nummers lang en gingen toen naast elkaar tegen de muur staan. Toen het tijd was voor de jongens om met de bus teruggebracht te worden naar ons huis liep ze met me mee over het lange pad naar de bus. Het was volkomen donker, afgezien van de lichtjes van de lantaarnpalen in de verte. Ze kuste me, een lange trage zoen op mijn wang. Ik weet nog hoe ze glimlachte. Ik kon bijna niet slapen, zo gelukkig was ik. Maar de volgende ochtend, toen ze in de rij voor de eetzaal naar me toe rende, deed ik alsof ik haar niet herkende. De manier waarop ze me toen aankeek is nog altijd een bron van schaamte en spijt.

HET JAAR ging voorbij en het was fantastisch om de hele zomer thuis te zijn, mijn moeders eten te eten en bij mijn echte naam te worden genoemd. Ziad en ik leken inniger dan we ooit waren geweest. Onze oude vrienden waren bijna altijd bij ons over de vloer. Ik werd minder onstuimig en praterig naarmate de dag van mijn vertrek dichterbij kwam. Mijn Russische tante gaf me een sjaal waarop ze mijn valse initialen had geborduurd. Mijn ouders maakten het me heel duidelijk dat ik van gedachten mocht veranderen, zij hadden liever dat ik thuisbleef, maar er was iets in mij dat voet bij stuk hield.
Toen ik weer op school kwam, vertelde een vriend me dat er een nieuwe jongen was.
'Hij is Arabisch’, zei hij.
'Echt waar? Waar komt hij vandaan?’ vroeg ik.
'Libië.’
Ik zocht zijn naam op. Zijn vader werkte voor het regime van Kadhafi. Ik twijfelde er niet aan dat hij op zijn beurt mijn achternaam ook zou herkennen. Onze vaders stonden aan tegenovergestelde kanten van een conflict. Ik twijfelde er niet aan dat hij, en zijn vader zeker ook, ons zou zien als vijanden. Ik beschouwde mensen als zijn vader in elk geval als opportunisten, huurlingen, die het bloed van het volk drinken, de rijkdom van het land stelen, kortom: als criminelen. Ik was bezorgd en boos, angstig en razend, en ik had niet het gevoel dat ik het aan iemand kon vertellen.
Het was in die tijd dat mijn mentor, de enige behalve de rector die mijn ware identiteit kende, me bij hem thuis begon uit te nodigen. Hij was Welsh en leek op Ted Hughes en rook altijd naar sigaren. We moesten allemaal ’s avonds om half elf in onze slaapkamer zijn, licht uit om elf uur. Om vijf voor elf klopte hij dan op de deur en zei, waar mijn kamergenoot bij was: 'Bob, er is telefoon.’ Dan nam hij me mee naar de flat waar hij met zijn gezin woonde. We zaten aan de keukentafel. Zijn vrouw bakte een ei voor me. Hij noemde nooit mijn echte naam en had het er verder nooit over. Hij bood me gewoon af en toe een paar minuten het gezelschap van iemand die mijn ware identiteit kende, iemand die aardig en fijngevoelig genoeg was om te merken, in een huis met meer dan veertig jongens, wanneer de spanning te groot werd.

DE EERSTE KEER dat ik de Libische jongen ontmoette, stak hij zijn hand uit en zei: 'Marhaba’, hallo in het Arabisch, en glimlachte een lach die me vertrouwd zou worden. We werden onmiddellijk vrienden. We werden zelfs onafscheidelijk. We hielden van dezelfde dingen: de muziek van Bob Marley en Bob Dylan, goed eten, mooie kleren en het type meisjes dat ook van die dingen hield. Terwijl de meeste andere jongens op woensdag, als we ’s middags vrij hadden, het café in doken, gingen hij en ik op zoek naar het beste Franse restaurant. Op een dag zei hij dat hij van me hield als van een broer. Ik zei: zo hou ik ook van jou. En ik meende het, woord voor woord.
Hij twijfelde er niet aan dat ik half Egyptisch, half Amerikaans was. Hij praatte bijna nooit over Libië. Ik had het land al zeven jaar niet gezien. Ik wilde dat ik hem ernaar kon vragen. Toen we een keer met een groep een trektocht door de bossen maakten neuriede ik gedachteloos een Libisch volksliedje. Hij hoorde het.
'De beste vriend van mijn broer komt uit Libië’, zei ik. 'Nodigde ons een keer uit op een bruiloft. Nam altijd muziekcassettes mee. Ken je dat melodietje? Waar komt het vandaan?’ Ik bleef maar praten en praten, en ondertussen voelde ik mijn gezicht steeds harder gloeien.
Hij geloofde me, en daardoor vond ik het nog erger om te liegen.
Tussen ons deed dat speciale moment zich steeds vaker voor wanneer een vriendschap gaat lijken op een schuilplaats, een huis waarin je je veilig voelt. Ik was er trots op dat ik zijn vriend was, en ik kon voelen dat hij ook trots was op mij. Als een van ons in moeilijkheden zat of geld nodig had of een extra paar vuisten - zoals die keer toen we werden ingesloten door een bende skinheads - was de ander er altijd om te helpen. Ik bleef me keer op keer afvragen hoe het zou zijn als hij me eens bij mijn echte naam noemde, hoe dat zou klinken. Meer dan eens stond ik op het punt om hem alles te vertellen. Ik droomde telkens weer dat ik in een lift zat die stopte net onder of net boven de etage; de deur ging niet open.
Hij kreeg een plek op Cardiff University, en ik zou me bij mijn broer gaan voegen, die inmiddels in Londen op de universiteit zat. Mijn Libische vriend en ik kwamen bij elkaar met een groep andere studenten voor een afscheidsborrel in een wijncafé in het nabijgelegen dorp. Het was een uitbundige avond vol beloften dat we voor altijd en eeuwig contact zouden houden. Ik wist diep van binnen dat ik deze mensen nooit weer zou kunnen zien, met name mijn beste vriend niet. Net voordat ik naar het station zou gaan, ging ik naar de wc. Ik stond mijn handen te wassen en toen kwam hij binnen, hij omhelsde me en zei: 'Jongen, ik zal je vreselijk missen.’ Ik herinner me de vorm van zijn oor, hoe mijn ogen erop scherpstelden. Ik sprak de woorden uit alsof het per ongeluk was, alsof iemand anders ze uitsprak.
'Ik ben Libisch. Ik heet Hisham Jaballa Matar, zoon van Jaballa Matar.’
Hij liet me niet los maar hij huiverde.
'Het spijt me dat ik heb gelogen -’
Hij schudde zijn hoofd voordat ik mijn zin kon afmaken. Hij probeerde te glimlachen. Hij had tranen in zijn ogen. We omhelsden elkaar opnieuw, gingen snel terug naar de bar en bestelden nog een fles. We bleven daar allemaal tot het café dicht ging. Allebei zeiden we niets tegen de anderen. Hij noemde me niet één keer Hisham. Maar het was een goed gevoel dat hij het nu wist. En ik voelde me dankbaar voor de manier waarop hij had gereageerd, dat hij me niets had gevraagd, of had gemaakt dat ik me nog rottiger voelde dan ik al deed. Ik mocht niet met de trein gaan van hem. Tegen die tijd stonden we allebei op het punt in tranen uit te barsten. Hij hield voet bij stuk, zwoer op zijn ouders dat hij me op een taxi zou zetten helemaal naar Londen. Halverwege de reis moest ik de chauffeur vragen om te stoppen. Ik gaf over aan de kant van de weg. Ik ben ervan overtuigd dat hij net als ik wist dat we geen contact zouden houden. Onze vriendschap was als een plant die niet kon overleven in de buitenlucht.

JAREN LATER liep ik met mijn verloofde over de drukke Euston Road en zag ik hem uit tegenovergestelde richting komen, met die vertrouwde glimlach op zijn gezicht. We omhelsden elkaar. Ik schreef zijn telefoonnummer op. Ik kon nergens op leunen, dus hij bood me zijn rug om als schrijftafel te dienen. Ik wist, en volgens mij wist hij dat ook, dat ik nooit zou bellen.


Hisham Matar werd geboren in New York City als zoon van Libische ouders en woonde in zijn kindertijd in Tripoli en vervolgens in Caïro. Zijn debuutroman Country of Men werd in vertaling (Niemandsland) uitgegeven door Meulenhoff, dat ook zijn volgende boek, Anatomie van een verdwijning, publiceert.
© Hisham Matar
Vertaling Rob van Erkelens