De filosoof met de hamer 100 jaar dood

Mijn Nietzsche

Op 25 augustus is hij honderd jaar dood, Friedrich Nietzsche. Voor puber Allard Schröder was de filosoof met de hamer de weg naar de wereld.
Nu pendelt zijn Nietzsche tussen paukenslagen en onbehagen.

Een zwarte mist van lage tonen, waaruit zich voorzichtig, stijgend via een heldere trap van kwint, kwart, terts - en dan toch een stapje terug - trompetten losmaken om samen het invallend orkest na een aantal vergeefse pogingen uiteindelijk op te lossen in een stralend C-groot: Also sprach Zarathustra. Althans, zo sprak hij volgens de componist Richard Strauss. Duisternis, onder mokerslagen wijkend voor het licht; onwetendheid, verblekend door de glans van een glorend inzicht… Nee, dit is geen theologie, we hebben het hier over een muzikale indruk van het grote leerdicht van Friedrich Nietzsche, Duits denker, die weldra honderd jaar dood is. De tonen van Strauss mogen dan filosofisch gezien van geen waarde zijn, ze laten wel horen hoe de wereld een eeuw geleden tegen «de filosoof met de hamer» aankeek - of liever opkeek. Hij was een man wiens leven door paukenslagen werd begeleid, maar die eindigde in de duisternis van de waanzin, in een grauwe mist van mompelende bassen. Goed, in muziek is alles abstractie en schouwtoneel en niets waarheid, al weet Strauss af en toe de dionysische toets te treffen die de denker in zijn eigen Zarathustra zo geslaagd vond. Het kan ook anders. In Mahlers derde symfonie horen we het veel ingetogener O Mensch, gib acht, ook uit Nietzsches Zarathustra. Dit keer geen pauken en trompetten, maar een bijna huiveringwekkend lied - Mahler is geen Strauss - dat met een onbehaaglijke vaststelling besluit: «Alle Lust will Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit…» Paukenslagen en onbehagen, dat zijn de misschien wat onwaarschijnlijke polen, waartussen mijn Nietzsche almaar rusteloos heen en weer pendelt. Vreemd is dat niet, in de geest van de late negentiende eeuw was die rusteloosheid het kenmerk van de zwerver, der Wanderer, de eeuwig thuisloze, de doodsverachter, die de grenzen uitdaagde welke hem door de gevestigde orde en haar verdedigers werden gesteld. «Filosofie, zoals ik die tot nu toe heb begrepen en geleefd», bezweert Nietzsche de lezer van Ecce Homo, «is een vrijwillig bestaan in ijs en hooggebergte - het zoeken in het leven naar wat er vreemd en twijfelachtig aan is, naar alles wat tot nu toe door de moraal in de ban was gedaan.» Inzicht vindt men uitsluitend daar, niet te midden van de mensen die bij elkaar steun zoeken om hun vormeloze angsten het hoofd te bieden. Hier sprak ook een geest die de jeugd van de afgelopen eeuw in het hart heeft geraakt, want Friedrich Nietzsche is de denker van de jeugd, de profeet van de toekomstige mens, tot wie die jeugd zich vanzelf rekent. Hij wil niet overtuigen met doorwrochte denksystemen van de grote Duitse idealisten, hij brengt zijn lezers aan zijn kant door ze te verleiden met zijn beelden en het retorisch geweld van zijn betoog. Wie jong is laat zich graag meeslepen door de belofte van een nieuwe wereld. Eenmaal meegelokt naar zijn vergezichten is het niet langer mogelijk je er nog aan te onttrekken. Het is er opwindend en gevaarlijk, want denken is nooit zonder risico, zeker niet als Nietzsche de dans leidt. Maar daar kom je pas later achter. Wie niet werkelijk met Nietzsche vertrouwd is, zou hier nu misschien een samenvatting van zijn leven en werken verwachten, maar zoiets is niet goed mogelijk; de man leent zich er niet voor om te worden samengevat, zodat iedereen het met zijn eigen Nietzsche moet doen, de Nietzsche die juist hem raakt of die hem steeds op die specifieke manier heeft gefascineerd. Want één generalisatie gaat altijd op: Nietzsche laat zijn lezers nooit koud. Het gaat hier dus noodgedwongen voornamelijk om mijn Nietzsche, de Nietzsche zoals ik hem ken. Dat is niet per se de Nietzsche «zoals ik hem zie». Ik heb geen samenhangende «visie» op hem - als het al mogelijk zou zijn die te hebben. Zijn denkwereld is nooit in rust geweest. Ononderbroken heeft die zich verder ontwikkeld: standpunten verschijnen, worden afgezwakt, aangescherpt of geheel verlaten. Daarbij is het beeld dat wij van hem hebben vertekend omdat hij te vaak het slachtoffer van zijn lezers is geworden. Met zijn overrompelende, aforistische manier van filosoferen - hij is geen denker als Hegel die zijn betoog in hermetische volzinnen formuleert - waren zijn opvattingen gemakkelijk toegankelijk, zodat hij licht kon worden misverstaan; helaas te vaak opzettelijk door lieden voor wie hij tijdens zijn leven een diepe minachting had. Dat zijn denkwereld voor sommigen zo makkelijk kon worden teruggebracht tot een handvol slogans - Übermensch! Herren-Rasse! Sklaven-Moral! Entartung! - heeft zijn reputatie bij het weldenkend nageslacht natuurlijk geen goed gedaan. Deze termen, die wij nu uiterst pijnlijk vinden, komen wel degelijk van hem, maar hadden in zijn werk nergens de bedenkelijke lading die ze nu voor ons hebben. Ook het pathos waarmee hij de tijdgeest geselde en braaf denkende intellectuelen hoonde, ook de gekunstelde hartstocht waarmee hij uiteindelijk als de reïncarnatie van Zarathoestra «ja» tegen de wereld wilde zeggen, doen ons wel eens ongemakkelijk verzitten - het is ons vreemd. Ons pathos is, voor zover het bestaat, niet alleen gedempter van toon, maar vooral moralistischer dan dat van toen. Weten wat goed en kwaad is, ethische fijnslijperij en een chronisch volgeschoten gemoed bepalen afwisselend het hedendaagse debat, dat ongetwijfeld onder de klank van Nietzsches hamerslagen zou zijn bezweken, had hij nog geleefd. Hieruit kun je concluderen dat hij ondanks zijn «succes» in wezen honderd jaar na zijn dood althans op het gebied van de moraal het pleit verloren heeft. De dikke sliblaag van weldenkendheid die nog altijd over de wereld ligt en die haar waarden aan een christelijk getinte, traditionele moraal ontleent, is na een eeuw met twee wereldoorlogen alleen maar dikker geworden. Het was juist de leugenachtigheid van deze moraal met haar valse idealen en de zelfvernedering die deze propageerde, waartegen Friedrich Nietzsche steeds heeft gefulmineerd. Hij had ook geen schijn van kans. Achteraf gezien wordt duidelijk dat zijn denken altijd heeft teruggeblikt en niet zelden een reactie was op een wereld die steeds meer egalitaire trekken ging vertonen, hetgeen een toenemende versimpeling, vergroving en sentimentalisering van het openbare leven van de massamaatschappij tot gevolg had. Soms bespeur je bij hem tussen de regels door, maar hier en daar ook openlijk, Heimweh naar het heroïsche Hellas, dat in werkelijkheid nooit heeft bestaan. Een verlangen naar een tijd van schone, langharige aristocraten die, de verheven dithyramben nog in de oren, ten oorlog trokken, en een verlangen naar een cultuur die uit een permanente strijd tussen haar verheven apollinische kant en haar destructief scheppende dionysische kant ontstaat. Het latere klassieke Athene van Pericles maakt er in zijn ogen ook nog deel van uit. In elk geval is het een wereld waar - naar Nietzsche veronderstelde - de mens nog samenvalt met zijn wezen en de grootheid van zijn beschaving uit deze strijd ontstaat. «Werde, der du bist!» Dit reactionaire ideaal, dat ostentatief de traditionele waarden van de westerse «beschaving» de rug toekeerde, kon uiteraard nooit voor iedereen zijn weggelegd. Zijn eigen tijd, de negentiende eeuw, in ons perspectief nog een onaanvaardbare standenmaatschappij, eiste gelijkheid waar dat in zijn ogen niet mogelijk was. Het verschil tussen de ware grootheid en de kleine mensen moest zich volgens Nietzsche eerder nog scherper in de samenleving aftekenen - en dan uiteraard niet volgens de lijnen van de al bestaande, decadente aristocratie, maar van een nieuwe, meedogenlozere, die zijn grootte niet aan een of andere voorouder ontleende, maar aan hardheid, schoonheid en voortreffelijkheid in alles. De mens moest weer leren te leven zonder de verdoezelende sluiers van de platoons-christelijke moraal voor ogen en niet langer met leugens wandelen en inzien dat zijn waarden geen belang hadden. Uiteindelijk moest hij zich vormen naar het model van de god Dionysus, voor Nietzsche de belichaming van het leven - voor zover je dat van een god kunt zeggen - die scheppingskracht, levensroes en dood in zich wist te verenigen. Slechts weinigen zouden tegen die opgave zijn opgewassen, zo geloofde zijn profeet, de rest zou in geestelijke en morele slavernij wandelen. Het waren deze hoogmoedige gedachten die mij aanspraken toen ik als een wat blaaskakerige gymnasiast voor het eerst over Nietzsche hoorde. Het idee dat je misschien wel was voorbestemd voor grotere dingen dan de kleinheid waardoor je dag in, dag uit werd omringd en dat er een weg was waardoor je die gehate anderen, de vromen, de frikken, de braven, voorgoed achter je kon laten… Waant niet iedereen die uit zijn puberteit ontwaakt zich een Dionysus, schoon en levensdronken en in het heerlijk bezit van zijn pas verworven vermogens? De dood is ver, ver weg en volgens Nietzsche niet meer dan iets melancholisch, zoals het moment waarop een emigrantenschip zich van de kade losmaakt om uiteindelijk aan de einder in het ongewisse te verdwijnen. «Hoe vreemd», merkt hij in Die Fröhliche Wissenschaft op, «dat deze enige zekerheid de mensen nauwelijks naar haar hand kan zetten en dat het verre van hen is zich lid van de Broederschap van de Dood te voelen.» Voor het eerst zag ik de hemel leeg geveegd, vrij van de hatelijke christengod, die ze me halfhartig als waardevol erfgoed hadden trachten aan te smeren. Niet langer was de mens als Plato’s metafysische plant «met wortels in de hemel» vergroeid, niet langer was hij de gevangene van die altijd voor hem terugdeinzende, onbereikbare «hogere» werkelijkheid, waarin het in het leven om leek te gaan. Dankzij Nietzsche was hij autonoom geworden. Zijn lichaam, dat nooit meer was geweest dan het geminachte omhulsel van de ziel, de onreine zetel van alle lust en onlust, en dat inter faeces et urinam ter wereld was gekomen - en dat, toegegeven, de jongeman vaak nog een beetje te ruim zat - had door Nietzsche de plaats gekregen die het toekwam. Uitgerekend door hem, die niet alleen een groot denker was, maar ook een monumentale zieke, door iemand die bij wijze van spreken nooit helemaal koortsvrij was. Had hij niet geschreven: «Het geloof in het lichaam is fundamenteler dan het geloof aan de ziel (…).» En ook: «Lust is een soort pijn.» Op de achtergrond verschijnt er nu een stem ten tonele, die corrigerend door deze herinneringen heen gaat praten. Het is mijn huidige, inmiddels niet meer zo jonge stem die mij erop attendeert dat ik dit allemaal niet meer zo precies kan weten. Er zat namelijk nog niet zo veel orde in dat adolescentenhoofd als hier wordt gesuggereerd; bovendien was Nietzsche een van de vele invloeden waarmee je toen volwassen trachtte te worden. Hoe zat het dan wel? Zeker is dat er plaats was voor Nietzsche in Nederland. Of misschien beter geformuleerd: er was een leegte waarin hij goed zou hebben gepast. De naoorlogse jaren waren restauratief, degenen die voor de oorlog aan de touwtjes hadden getrokken, deden dat nog steeds. Behaaglijk conformisme en culturele knusheid waren als een vieze lucht vol motregen blijven hangen. Ik heb geen idee hoe het destijds met Nietzsches populariteit gesteld was, in de openbaarheid was hij afwezig, maar vaststaat dat hij werd gelezen. In 1948 was er een vertaling van Also sprach Zarathustra verschenen, en het lange Nietzsche-artikel van Jan Aler in de Winkler Prins van 1952 was beslist sympathiserend. Toch had het land, zo leek het, geen behoefte aan hemelbestormers, en dat is welbeschouwd vandaag de dag nog altijd zo. De Duitser wil de hele wereld beleren, de Nederlander zijn buurman. Mijn Nietzsche had ik overigens te danken aan Albert Camus’ De mens in opstand, dat in 1965 in het Nederlands was verschenen. Camus was een cultfiguur vanwege de geruchten over zijn turbulente leven, zijn tragische dood en de roman L'étranger. Al wat Camus schreef, dus ook zijn gedachten over Nietzsche, was exclusief voor mij bestemd, dat wist ik zeker. Dit was mijn weg naar de wereld. Mijn vader en zijn vriendjes zouden deze wereld nooit kunnen betreden, daarvoor misten ze de vitaliteit, daarvoor ontbraken de verschieten in hun levens. Hun grote, abstracte universele waarheden waren niet alleen voornamelijk saai, maar ook van iedereen, Camus en diens Nietzsche had ik voor mij alleen. Na lezing van Camus ging ik op zoek naar de bron van deze ideeën. De radicaliteit ervan bleek verdovend. Ze lieten zien dat in een wereld waar zich geen God meer bevond, maar waar zijn boedel wel werd beheerd alsof hij er nog was, er iets van de mensen verwacht werd dat uiteindelijk zou uitkomen op een herwaardering van alle waarden. Dit sprak aan. Het betekende dat de waarden waarop je tegenvallende leven was gebaseerd, op bedrog berustten. Er bestond dus een weg om aan de verplichte denkmodellen te ontsnappen. Wat me ooit in een verstikkende dampkring van diepzinnigheid als iets verhevens en onbegrijpelijks was aangereikt, bleek ledig. «Er bestaat geest, noch rede, noch denken, noch bewustzijn, noch ziel, noch wil, noch waarheid: alle verzinsels die onbruikbaar zijn», zegt Nietzsche in wat later als Der Wille zur Macht is gepubliceerd. «Het gaat niet om subject en object, maar om een bepaalde diersoort, die alleen gedijt onder een zekere relatieve juistheid en vooral regelmatigheid van haar waarnemingen (waardoor ze ervaringen vergaart)…» Dat dat van die diersoort eigenlijk een beetje te veel van het goede was, zag ik pas veel later, toen het tot me was doorgedrongen dat Nietzsche met deze onttakeling van de traditionele mensengestalte toch wel wat meer voor ogen had gehad dan alleen de bevrijding van mij en mijn lotgenoten. Friedrich Nietzsches bijdrage aan het hedendaagse denken is onomstreden, hij wordt links en rechts gretig geclaimd, voor het postmodernisme is hij de vroege voorloper. De academici hebben hem uiteindelijk ook ingehaald. Toch vraag ik me af of hij daarmee tevreden zou zijn geweest. Hij is voor velen een autoriteit geworden, een mensensoort die hij altijd heeft verfoeid omdat die positie te vaak op vrome praatjes en valse waarden berust. Maar tegelijkertijd is hij ook niet meer dan een autoriteit in naam. Ik ken vele, oprechte bewonderaars van Nietzsche, maar geen van hen lijkt al zijn denkbeelden serieus te nemen voor zijn eigen leven of voor de samenleving waarin hij leeft, terwijl het Nietzsche daar toch zeker om te doen is geweest. Hij heeft het filosofisch gebouw van de wereld omvergetrokken, maar wel om die te veranderen. Niettemin zijn er maar weinigen die willen zijn zoals hij, niemand droomt ervan een Übermensch te zijn. Alleen de gedachte daaraan geeft ons al iets lacherigs, misschien wel omdat het plan dat Nietzsche met de mensheid had - want zo moet je het misschien toch wel zien - zo ver achter ons ligt dat het al uit de tijd lijkt te zijn verdwenen. Dat is ooit anders geweest en daarover moeten we het toch ook hebben. Ooit dachten ze allemaal dat zij er een konden zijn, de horden Nietzsche-lezers uit het Interbellum, die - de oprechten niet te na gesproken - snauwend en grauwend door het leven gingen omdat ze meenden dat je je als Übermensch zo hoorde te gedragen. Moraal gold immers niet voor hen. Neem Gabriele d'Annunzio, die vond dat je als superuomo je rekeningen niet hoefde te betalen en dat je als erkend verachter van de moraal bij voorkeur met getrouwde vrouwen moest aanpappen; of anders Hollywood dat alles graag letterlijk neemt en de Übermensch in de gedaante van Superman, een van padvindersmoraal druipende goeddoener, in een kruippakje de lucht in stuurde om treinrampen en dergelijke te voorkomen. Overal tref je het in kitsch geconcretiseerde beeld van de Übermensch aan. De enige die er ooit in is geslaagd een schaduw op te roepen van datgene wat Nietzsche voor ogen moet hebben gestaan, is misschien Ernst J ünger geweest, en dan nog maar voor even, in de «staalstormen» van de Eerste Wereldoorlog - maar daarmee krijg je geen goede pers meer. De Übermensch, een kernbegrip van Nietzsches denkwereld, heeft ons sinds de Tweede Wereldoorlog steeds een onbehaaglijk gevoel gegeven. Het woord heeft een fout verleden gekregen. Het duurde dan ook enige tijd voor ik kon inzien dat deze «supermens » niet de hoogblonde edel-Germaan was van nationaal-socialistische snit, maar al veel eerder door Nietzsche was ontworpen als de «volgende» en de laatste gestalte van de mens die aan de eerste gelijk zou zijn. Hij zou degene zijn die de huidige zou opvolgen, die de vervormende, socratische bril zal afzetten, die het snot van de christelijke moraal uit zijn ogen zou vegen en de schone schijn van waarheid die door de toenmalige wetenschap werd opgehouden, zou overwinnen. Niets anders dan zijn instinct en intuïtie zou hij volgen - zij het niet in een zalig nietsdoen. De permanente vorming en disciplinering van de eigen gestalte zou zijn opgave zijn, niet het afnemen van parades in glimmende laarzen. Want uiteindelijk zou hij sterk genoeg moeten zijn om in zijn eigen afgronden te kunnen blikken en te leven met zijn tragiek. Hoe opwindend dat ook allemaal klinkt, de Übermensch is onze zaak niet. Er zouden volgens zijn schepper overigens maar weinigen van zijn soort zijn, en ook dat geeft ons een onbehaaglijk gevoel. In een samenleving die op gelijkheid is gebaseerd, moet immers in beginsel alles van waarde er voor iedereen zijn. Elites die dat ideaal in de weg staan, zijn de vijand van de massa en de democratie en moeten daarom uit de samenleving worden verbannen. Over dat deel van Nietzsches opvattingen, dat voor een Gideonsbende pleit die zich vrij weet van de slavenmoraal en de luchtjes van kleine mensen, hoor je tegenwoordig ook niet zo veel meer. Nietzsches theorie van de ewige Wiederkunft spreekt evenmin nog tot de verbeelding. Eigenlijk geeft die hetzelfde ongemakkelijke gevoel als zijn Übermensch. Hij roept er een wereld mee op die in haar geschiedenis telkens weer bij een moment arriveert waarop de geschiedenis opnieuw op precies dezelfde wijze van voren af aan begint als de vorige keer. Maar ik was grootgebracht met het naoorlogse vooruitgangsoptimisme dat zichzelf een toekomst met onbeperkte mogelijkheden in het vooruitzicht had gesteld. Telkens bezwoer het zichzelf dat het oude nooit zou terugkeren. Dan werkt het denkbeeld van de geschiedenis als cirkelgang beklemmend. De Wiederkunft is eeuwig, niemand kan eraan ontsnappen, elk streven lijkt vergeefs, het Plan ligt vast. Zo had het wel wat weg van de wederopstanding van de oude God die ook zo zijn plannen had. Je vervult het leven hoogstens, je schept het niet en die illusie heb je kennelijk nodig. Juist om dat vervullen was het Nietzsche te doen: opgaan in de cyclus van geboorte en dood, zowel in de kleine als in de grote kosmische. In de ogen van Nietzsche was het alleen maar een aansporing het leven gulzig te omhelzen - iets wat hemzelf niet zo goed afging. De dood, in een christenbestaan het scharnierpunt tussen aards en hemels leven, is door de theorie van de ewige Wiederkunft ontdaan van zijn traditionele betekenis. Hij is niet langer de tegenstelling van het leven, maar erbij inbegrepen. Nietzsche heeft maar weinigen van dat inzicht kunnen overtuigen. Wat rest dan van hem? Op het eerste gezicht twee Nietzsches. De ene is degene die het nog gangbare speculatieve denken de doodsteek heeft gegeven. Mede dankzij hem heeft de traditie van het Duitse idealisme de twintigste eeuw niet gehaald. Hij verwierp de universele aanspraken van de grote morele waardensystemen, de «grote verhalen», die in de geschiedenis de ronde hadden gedaan. Waarheid is subjectief, wat wordt waargenomen is afhankelijk van de waarnemer. Het bolwerk van het ondeelbare wezen viel toen bleek dat je jezelf en de wereld niet meer op één, maar op verschillende, soms tegenstrijdige manieren kon kennen. Dit is de grote Nietzsche die geschiedenis heeft gemaakt. De andere Nietzsche is evenzeer antimoralist, maar hieruit heeft hij zich tot een felle antidemocraat ontwikkeld, die zijn onwillige tijdgenoten voorhield dat ze onder bepaalde voorwaarden groot konden zijn en dat het volk waartoe ze behoorden tot iets groots geroepen was, mits ze naar zijn stem luisterden. Deze Nietzsche is de profeet van de ewige Wiederkunft, de Übermensch en de Wille zur Macht. Ook deze Nietzsche was aanvankelijk een succes, de cultuur van het Interbellum is zonder zijn denkbeelden en hun smakeloze verbasteringen vaak niet eens te begrijpen. Banale machtswellust en -politiek zijn ermee gelegitimeerd, ook al had Nietzsche er iets heel anders mee voor ogen gehad: de wil tot disciplinering en zelfoverwinning en uiteindelijk tot het formuleren van nieuwe waarden, want hij wist dat een samenleving niet zonder kon. Na de Tweede Wereldoorlog zijn we voorzichtiger met deze kant van zijn opvattingen geworden. Er is nog een derde Nietzsche, een die mij van allen het meest na aan het hart ligt: dat is de Nietzsche van de literatuur. Elke auteur van de afgelopen eeuw die maar even de moeite waard is, heeft op een of andere wijze zijn invloed ondergaan, zoals Gerrit Komrij al eens vaststelde. Nietzsche had de kijk op de condition humaine zodanig veranderd dat er een andere mens in de romans en verhalen opdook en niet langer de pokhouten held uit het verleden, blakend van nobel godsvertrouwen. Die nieuwe held was evenwel niet de Übermensch, maar juist diens tegenhanger, de mens die geen heer en meester was over zijn omstandigheden. Hij voelde zich gedreven door krachten die hij niet kon doorgronden, maar waaraan hij niettemin was onderworpen. Albert Camus en Hermann Broch hebben met L'étranger en Esch oder die Anarchie een gezicht gegeven aan deze kleine mensen die vol onbegrip en ressentiment een existentie uitzaten waaraan elke zin leek te ontbreken. Dat zij wél een triomftocht door de letteren hebben gemaakt en de Übermensch niet lag eigenlijk wel voor de hand. Welbeschouwd is deze laatste veel te abstract om als model voor een romanfiguur te dienen, ook omdat niemand wist wat er nu precies met deze gestalte werd bedoeld. Niemand kon daarover bij zichzelf te rade gaan, omdat niemand er een was. Maar ook zij die dachten dat ze wel tot de uitverkorenen behoorden, zoals de al eerder genoemde Nietzsche-aanhanger Gabriele d'Annunzio, wisten van hun helden ook vaak niet meer dan tobbers te maken. Nietzsches afkeer van de traditionele moraal en de oude waarden werd daarentegen wel algemeen overgenomen. Maar er is iets belangrijker dan alle thematische invloed. Sinds Nietzsche is de toon van de literatuur veranderd. Zijn aforistische, emotioneel geladen betoogtrant, zijn parlando-stijl met zijn uitroepen, hoon, veelzeggende puntjes en streepjes en zijn niet afgemaakte zinnen werkten aanstekelijk. De goetheaanse, classicistische periode die volgens sommigen de Duitse literatuur als een plaag heeft geteisterd - de immer evenwichtige en bedachtzame volzin - verloor door het stilistisch offensief van de classicus Nietzsche zijn monopolie op «de goede stijl». Omdat hij als denker per se geen bellettrist wilde zijn, liet hij zelfs een gewilde vulgariteit in zijn toon toe, een onecht kazerne-timbre dat goed bij zijn bewonderaars moet zijn gevallen want je komt het later nog wel tegen. Maar het is een toon die mij niet altijd aangenaam in de oren heeft geklonken - al dachten anderen daar weer anders over; Célines petite m élodie schurkt er soms behaagziek tegenaan. Tussen de oorlogen werd het ook wel de toon van het nieuwe, dat inmiddels al weer het oude is. Ook al is Nietzsche dan niet de vrijheidzoeker die we wel eens in hem willen zien, toch heb ik altijd het begrip «vrijheid» op een of andere manier ook met hem in verband gebracht. Waarom ook niet. Begint Jenseits von Gut und Böse dan niet met de onbarmhartige ontmanteling van alles wat in de filosofie van toen voor vaststaand werd aangenomen? Metafysica? Kletskoek. Vrije wil? Bakerpraat. Natuurfilosofie? Bedrog. Dat gaf lucht, deze koude wind uit de bergen die een wereld zuivert welke door gehuichel, bigotterie en ondoorgrondelijk gerommel troebel is geworden. Al bleef hij bij sommigen wel erg hardnekkig waaien en werd hij medeverantwoordelijk voor onaangepast gedrag à la Terpen Tijn, het voorbeeld van de kunstenaar als wereldverachter die in de paraplubak pist en augurken met suiker blieft, van de artistieke kitschfiguur met flambard en flodderdas, wiens nazaten nog altijd over de aardbol ronddolen op zoek naar een publiek voor hun schandaaltjes. Ondanks de nieuwe toon die Nietzsche heeft gebracht, deelt zijn werk eigenlijk nog steeds in een traditie die volledig is gebaseerd op de macht van het woord en zich nog niet op zijn gemak voelt in de buurt van het feit. Het verfoeide christelijk-platoons complex is dan ook niet gesloopt door middel van de empirie of ander «hard» wetenschappelijk onderzoek - al ging Nietzsche daar wel eens te rade - maar door de kunst van het betoog, de retorica zo men wil. Zo is het oude eigenlijk niet door het nieuwe vernietigd, maar door het oude. Ofschoon hij niet als schrijver gevierd wilde worden, ken ik geen denker die zo'n hoge dunk van de kunst heeft gehad als Nietzsche. «Misschien bestaat er een Rijk van de Wijsheid», schrijft hij, «waaruit de logicus is verbannen. Misschien heeft de kunst zelfs een noodzakelijke wisselwerking met de wetenschap en is ze er een aanvulling op.» Dat dacht hij in 1872. En dan dit: «De kunst en niets anders dan de kunst. Zij alleen maakt het leven mogelijk, zij is de grote verleiding om te leven, de grote prikkel tot het leven…» Het komt uit een delirant fragment dat vijftien jaar later is geschreven en dat bestemd zou zijn voor Der Wille zur Macht. Maar het volgende gaat er echter aan vooraf. Kort samengevat luidt het: er is maar één wereld en die is onecht en gruwelijk en die doet zich voor als ware wereld. We hebben de leugen nodig om deze zogenaamde waarheid te overwinnen omdat het leven vertrouwen moet inboezemen. Om dit probleem op te lossen moet de mens een leugenaar zijn, ja meer nog dan dat, een kunstenaar. Dat lijkt ineens weer weinig vleiend voor de kunst, maar is het niet. Als alle waarheidsaanspraken op schijn berusten, geldt dat ook voor de pretenties van de kunst. Wat hooggestemde geesten of hun karikaturen ook beweren, de kunst heeft niets te maken met de wereld van de waarheid, ze hoort thuis in de wereld van het «alsof». En dat lijkt me zo kwaad nog niet. Maar als altijd is het bij Nietzsche niet zo eenvoudig als het lijkt. In werkelijkheid verlangt hij van de kunstenaar dat hij weer de vates is, de dichter-ziener uit de Oudheid. De kunst? Ach, de kunst… Hij wil profetische kunst, kunst die ziende maakt, geen vormschone krullendraaierij. Nietzsche is nu bijna honderd jaar dood. Voor een filosoof heeft hij het ver geschopt. Er zijn veel denkers voor en na hem geweest. Velen van hen zijn vergeten, weinigen worden herdacht, een enkeling wordt gelezen. Toegegeven, ook Nietzsche trekt geen duidelijke sporen meer in onze levens, maar nu ik hem voor deze gelegenheid weer van de plank heb gehaald, merk ik dat hij voor mij toch meer heeft betekend dan ik had gedacht. Alleen werkt hij ondergronds en vooral bescheidener dan hij misschien gewenst heeft. Hij is niet meer de verleider van de jeugd die hij ooit was. Sinds de beruchte jaren zeventig was het betrekkelijk stil om hem. Onlangs verklaarde de Duitse filosoof Peter Sloterdijk - overigens geen vriend van de helden uit die periode - dat er nu wel weer «gevaarlijk » gedacht mocht worden. Dat was een opmerkelijke uitspraak aangezien het de vraag is of dat volgens de modellen van gisteren geschiedt - waarvan we de gevaren kennen, waardoor die eigenlijk geen gevaar meer vormen - of volgens nieuwe modellen en in nieuwe termen, waarvan we de uiteindelijke «gevaarlijkheid» nog niet kunnen overzien, zodat we eigenlijk niet weten of we nu wel of niet «gevaarlijk » denken. De uitspraak laat wel zien dat Sloterdijk beseft dat er sinds de Tweede Wereldoorlog vooral vaak «veilig» gedacht is, om niet te zeggen, keurig volgens de lijnen van de vigerende «politieke correctheid». Als er zich dan al een gevaarlijk denken zal ontwikkelen, dan is zijn doelwit tenminste bekend. De eisen die Friedrich Nietzsche de mensheid stelde waren haar teveel. Uiteindelijk waren ze dat ook voor hem. Want zo is de wet: wie - op welke wijze ook - tot inzicht komt, zal er steeds door worden achtervolgd. Er is geen uitweg. Een inzicht dat zich dankzij je inspanningen in je heeft genesteld, kun je niet zomaar verloochenen. Wie Nietzsches leven beziet, merkt dat hij langzamerhand verstrikt is geraakt in dat kunstig net dat hij aan het maken was. Te laat zag hij dat niet hij het was die nog langer zijn filosofie uitvond, maar zijn filosofie hem, ongeveer zoals in de literatuur het oeuvre soms de schrijver uitvindt. Zijn werk is te vergelijken met een gestaag crescendo, een geduldig aanzwellen tot al de stemmen die hij heeft opgeroepen zo luid door elkaar klinken dat het ondraaglijk is geworden.