Mijn ochtendwandeling

’s Morgens word ik wakker, drink koffie en ga wandelen. Het is zeven uur. Van de Prokuratorskastraat waar ik woon, loop ik tot aan de Wawelskastraat. Ik passeer het Britse consulaat, waar reeds op dit tijdstip een menigte voor de poort staat te wachten. Die mensen brengen hier de nacht door, ze slapen in auto’s, in plantsoenen of op banken. Ze wachten teneinde hun visumaanvraagformulieren te kunnen indienen. Onmiddellijk weet ik dat ik me in de Derde Wereld bevind. Dit soort oplopen kom je in Oslo noch Bern tegen, wel in Kampala en Kuala Lumpur. De inwoners van de armere landen, zoals bijvoorbeeld Polen, bieden hun goedkope arbeidskracht aan, de rijke landen verdedigen zich ertegen, ze hebben zelf genoeg gegadigden. Hongerig, maar nog niet zo erg dat ze niet meer kunnen bewegen (zoals mijn armoedzaaiers uit de Sahel), bestormen ze het Westen, waar je nog steeds goed kunt verdienen, als het tenminste lukt om werk te vinden (de buurman van mijn moeder mijnheer Kucharski, een oude metselaar, op de vraag naar zijn levensdroom, antwoordde als volgt: ‘Weet u, het zou zo mooi zijn om nog eens een keer flink te verdienen!’). Het verlangen naar een goed loon staat niet gelijk aan de simpele wens je zakken te vullen. Het is veeleer de behoefte jezelf te bewijzen, publiekelijk aan te tonen hoeveel je waard bent, te laten zien welke plaats je binnen de sociale hiërarchie inneemt. Een vraag naar je inkomen is vooral een vraag naar hoe anderen naar je kijken en hoe ze je waarderen, hoe je door anderen gezien en beoordeeld wordt.
Meteen achter het consulaat is de kruising van de Wawelskastraat met de Niepodlegoscilaan, de plek waar drie stadswijken aan elkaar grenzen: Mokotów, Ochota en Sródmiescie. Voor mij, tegenover het gebouw van het Centraal Bureau voor de Statistiek, bevindt zich het huis waar voor de oorlog Andrzej Strug woonde, auteur van De mensen van de ondergrond, grootmeester, vrijmetselaar en senator. Het is in zijn woning dat Witkacy zijn laatste liefde Czesawa Okinska heeft leren kennen. Dat was in 1929. Tien jaar later, in 1939, vertrokken ze allebei naar Polesie, waar ze in het bos nabij het dorp Jeziory samen zelfmoord pleegden (Okinska werd alsnog gered).
Ik steek de Wawelskastraat over en loop het Pole Mokotowskie Park in. In de verte zie ik het gebouw van de Nationale Bibliotheek, dat in de eeuwigdurende bouwstaat verkeert. Het is opmerkelijk dat nog voordat de bouw was gestart er een aantal huizen en degelijke barakken werd neergezet ten behoeve van de administratie van het bouwbedrijf, alsof men er van tevoren vanuit was gegaan dat aan dit bouwobject, niet overdreven groot overigens, jarenlang en generaties lang zou worden gebouwd. En warempel het klopt! De administratiegebouwen zijn al ’s morgens vroeg dichtbevolkt door de ambtenaren en op de bouwplek ernaast, op de inmiddels verrotte steigers, staat een arbeider, terwijl een ander wat beton aanmaakt in een zwaar toegetakelde betonmolen.
Nu (het is eind mei) betreed ik het groen van Pole Mokotowskie. Hier, op de hoek van de Wawelskastraat en de Niepodlegoscilaan, verrees in 1945 een woonwijk van houten eengezinshuisjes, de zogenaamde Finse huisjes. Kort na de oorlog kregen we zo'n huisje toegewezen, omdat mijn vader toentertijd bij het Sociaal Bouwbedrijf werkte. Dit krappe huisje zonder badkamer en zonder centrale verwarming was een luxe, een waar geluk, want tot dan toe woonden we opeengepakt (een vierpersoonsgezin) in een piepkleine keuken, tussen de ruïnes op het terrein van een baksteen- en cementopslag aan de Srebrnastraat, in de buurt van het zijspoor genaamd Siberië (hiervandaan werden ooit mensen op transport gezet richting Siberië).
Ons huisje (adres: Kolonie III, Huisje 6) lag tegen een zandwal aan, waar in de winter kinderen vanaf sleeden. Op deze zandwal stond in 1935 een affuit met daarop de kist van Pisudski. Voordat de begrafenisstoet naar Wawel in Krakau vertrok, nam de Maarschalk vanaf deze plek zijn laatste defilé af.
Ik volg een pad tussen de hoge populieren en het gras dat bedekt is met een zilverglinsterende ochtenddauw. Ik kan me herinneren hoe deze populieren kort na de oorlog werden geplant, de slappe, kwetsbare boompjes die tot de dikke, hoogreikende bomen van nu zijn uitgegroeid. Opeens doemt er een groep appel-, peren- en pruimenbomen op, ze staan nu in volle bloei en verspreiden hun sterke, zoete geuren. Een boomgaard? Hier? In het openbare park? Jawel, want het zijn bomen die mijnheer Stelmach, trambestuurder en naar later bleek ook een heel goede tuinder, rondom zijn huisje heeft geplant. Mijnheer Stelmach leeft niet meer, maar zijn bomen staan er nog steeds. In de zomer zullen de buurtkinderen appels, peren en pruimen gaan plukken, zo ook de toevallige dronkaards die hier bij elkaar komen om in de fijne schaduw een flesje slappe wijn leeg te drinken.
Mijn pad loopt helaas ook langs een zeer trieste plaats. Tegenwoordig is het een mooie open plek tussen de parkbomen, maar destijds, na de oorlog, waren hier kleivoren waar vier plankjes, omwikkeld met een stukje draad, in waren gestoken. Dat betekende dat zich onder de grond een landmijn bevond. Ik herinner me dat ik, slaperig en verkleumd van de kou, op weg was naar school, en dat ik een kind, een jongetje zag, dat tussen die plankjes zat. Nog voordat ik bij zinnen kon komen en in staat was om na te denken, zag ik een lichtflits, hoorde een doffe, harde knal en zag het jongetje voorover buigen, in elkaar krimpen en verstarren. Meteen kwamen er mensen uit de naburige huisjes aanrennen, men begon te schreeuwen, zenuwachtig en chaotisch op en neer te rennen. Toen we bij de plek van de explosie aankwamen, zat het kind in een plas bloed, dood. Dat moest hier zijn geweest, naast deze populier. Maar waar precies? Overal gras en nog eens gras, overal even welig.
Ik sla nu de Leszowastraat, hoofdstraat van onze woonwijk in. Er is hier geen asfalt, zelfs geen bestrating. De straat is pikzwart, bedekt met kolengruis. Als het regent, staan er vieze, teerachtige plassen op. Midden op straat ligt een zwarte bastaardhond. Hij ligt altijd, altijd op dezelfde plaats. Zodra ik langskom, begint de hond te blaffen. Hij verroert zich niet. Het is een passief waarschuwingsgeblaf. Het lijkt alsof die hond geen levend, voelend wezen maar een soort opwindbaar speeltje is. Het is alsof ik tijdens het lopen op een in het wegdek verborgen knop ben gaan staan, waardoor het mechaniekje van een houterig, deprimerend geblaf in werking werd gezet.
Aan beide kanten van de Leszowastraat bevinden zich volkstuinen. Vroeger stonden er overal huisjes, maar halverwege de jaren zeventig werden deze geconfisqueerd en voor een prikje aan de prominenten van het Gierek-regime verkocht. Je kunt ze nu aanschouwen daar waar de oude nomenclatuur de vakanties doorbrengt. De oude bewoners behielden wel hun tuintjes. Al die volkstuinen zien er armoedig uit. De slordig in elkaar getimmerde hekken, hetzij van takken, hetzij van allerlei draden of verroest gaas. De tuinschuurtjes zien er niet veel beter uit. Men maakte die van het materiaal dat op dat moment voorhanden was: had men planken, dan van planken, had men plaatijzer, dan van plaatijzer, er zijn ook wanden die enkel gemaakt zijn van triplex of hardboard of zelfs dakpapier. Degenen die over wat verf, een kwast en het zogenoemde esthetisch vermogen beschikten, hebben hun provisorisch in elkaar geknutselde bouwsels zorgzaam geverfd. Er zijn dus schuurtjes van allerlei kleuren, geel en bleekgroen, blauw en roodbruin, maar vooral groen. De verflaag, ooit zo fris en levendig van kleur, laat nu los, oogt verbleekt en zit vol barsten. Maar de echte poëzie van lelijkheid en armoede en tegelijk van verrassende fantasie en artistieke happening schuilt in de poortjes die de toegang tot de tuintjes verschaffen. Er zijn er enkele tientallen van, allemaal verschillend, allemaal bijzonder wegens hun plompe vormen en onooglijke dessins.
Vanuit de Leszowastraat sla ik linksaf in de richting van een grijze, vieze barak voorzien van donkere, gevangenisachtige raampjes. De barak staat op het complex van de vuilniswagenremise. Veel wagens staan er altijd werkeloos bij - er zijn geen ploegen of geen onderdelen of er is geen geld voor de brandstof. De naast elkaar gelegen Nationale Bibliotheek en Stedelijke Afvalophaaldienst zijn de belangrijkste objecten op het terrein van Pole Mokotowskie.
De sombere muur van de barak, die aan een kamp doet denken, wordt ’s zomers aan het zicht onttrokken door hoge en dichte klissen. Dit onkruid, weliswaar dikhuidig en niet bepaald edel, is hoe dan ook prettiger voor het oog dan de donkere, met modder en smeervet bekladde muur van de werkplaatsen op het remiseterrein. Waar de muur eindigt, begint de oude vuilnisbelt. De oude, want hij bevindt zich hier al jaren, opgehoopt langs de omheining van de Stedelijke Afvalophaaldienst, op de plek waar de vuilniswagens voortdurend langsrijden. Deze plek blijft mij inspireren tot nadenken over het mysterie van het menselijk brein, over een zeker mankement ervan, namelijk het ontbreken van een verband tussen zien en doen. Want de bazen zien het, ze zien dat afval dagelijks, en hoewel ze over een colonne ophaalwagens beschikken, ruimen ze het afval niet op. Waarom? Wat zit erachter? Welk geheim? Welk raadsel? Wat houdt hen tegen? Wat maakt het hun onmogelijk? Het is waanzinnig intrigerend.
Aan het begin van de Leszowastraat ligt trouwens ook een afvalhoop. De inhoud van beide stapels, inmiddels geplet door het toedoen van regen en tijd, lijkt op elkaar. Vodden, waaronder een donkerblauwe en een rode kussensloop, resten van een damesjas, verrotte schoenen, lege wodka-, wijn- en bierflessen, verroeste conservenblikken, verroest slot, verroest veer, papiersnippers, stroken plaatijzer, stukken plastic, kapotte kruk, emmer vol gaten, kapotte wasbak of wc-bril. Joost mag het weten wat er allemaal niet tussen zit. Elke vuilnishoop lijkt op een zieke, ontaarde en gedegenereerde verbeelding die grenzen noch einde kent.
Ik kom uit op een zanderig, stoffig pad. Ooit was dit een aftakking van de Wawelskastraat en waarschijnlijk is het dat nu nog steeds, maar helemaal opengebroken. Op de bodem van een diepe geul wordt een gigantische pijpleiding gelegd. Gelegd - dat is veel gezegd! Want in werkelijkheid is er niets van een meetbare vooruitgang te bespeuren. In de verte zie ik weliswaar enkele arbeiders en een graafmachine. Ik kan niet zeggen dat er niets gebeurt. De hele tijd gebeurt er wel wat - een soort op en neer lopen, een soort vooroverbuigen, een soort observeren. Het komt wel eens voor dat de lepel van de graafmachine zich diep in de grond vastbijt, dat iemand roept: 'Wadek, ho, ho!’, dat iemand de weerbarstige ondergrond met een hamer begint te bewerken. En verder? Verder niets, verder zoals gisteren en eergisteren. Als ik hier langs loop, dan passeer ik een soort wereld die ongevoelig is voor welke politieke stormen, bevingen en doorbraken dan ook, een wereld die onverschillig staat tegenover christelijke waarden en Europese dilemma’s. Er wordt nog steeds oude muziek gespeeld. Een vertraagde dans duurt voort, een rondedans, op een vertrouwde melodie, met bekende passen, voorzichtig gedanst om geen stof te doen opwaaien, om geen zweet te doen verliezen.
Nu kan men links afslaan, in de richting van de Niepodlegoscilaan, of rechtsaf naar de Zwirki i Wigurystraat. Ik ga rechtsaf en loop eerst om een lege, vervuilde betonnen put heen. Ooit was hier een kunstmatige vijver, misschien zelfs een fontein. In ieder geval herinner ik me een groot, in de zon glinsterend wateroppervlak, op de banken zittende mensen, langs de vijverrand rennende kinderen. Verderop beginnen weilanden en bomen - het allermooiste deel van het park. Er staan hier kastanje- en notenbomen, berken, essen en lariksen. Als de zon schijnt, is het hier licht. En het is stil, de auto’s zijn haast niet te horen. De stad is opzij geschoven en verdwenen, hij heeft zijn greep verzwakt en laat eenieder uitrusten door zijn afwezigheid.


Deze tekst uit 1996, werd op 25 januari 2007 gepubliceerd in Gazeta Wyborcza, kort na het overlijden van de auteur. Uit het Pools vertaald door Ewa van den Bergen-Makala