Mijn offer

Opeens had ik de behoefte een held te zijn.

Of laat ik het anders formuleren: ik had weer eens zin een offer te brengen.

Over het offer ben ik pas gaan nadenken na de liquidatie van Theo van Gogh. Ik zat gedurende het proces van de dader, Mohammed B., in de rechtszaal en kon hem goed zien vanaf het moment dat hij hinkend binnenkwam tot hij wegging.

Hoewel hij zweeg, zag ik zijn trots. Het was duidelijk dat hij een offer had gebracht. Voor zijn geloof. Voor zijn geloofsgenoten. En dus voor ons, want de wereld zou pas echt gered zijn als wij allemaal zijn geloof zouden bezitten. Hij had, zo was duidelijk geworden uit andere bronnen, het niet erg gevonden wanneer hij was gestorven. Hij geloofde dat hij dan een plek zou krijgen aan de zetel van Allah en constant geluk hem deelachtig zou worden. Het is iets dat we kennen van andere, ook ultrarechtse, aanslagen.

Wanneer je een nietswaardig leven leidt, je bent maatschappelijk mislukt, je voelt een onrechtvaardigheid in je bestaan dat je niet goed kunt verklaren, dan borrelt vanzelf de gedachte omhoog dat je door een offer je bestaan nog kunt rechtvaardigen. Een negatieve held is ook een held. Er is trouwens altijd wel een groepje te vinden dat je heldendom waardeert. Ook als dat groepje de minimale grootte kent: jijzelf en een ander. Je meent dat je iets goeds hebt gedaan, ook al vinden alleen jij en je vriend dat. Zelfs als het groepje bestaat uit één, jezelf en je verkrampte geest, kan suïcide een offer zijn waardoor je je vooraf nog even heldhaftig kan voelen.

Hoe en voor wie kan ik nog een held worden? Welk offer moet ik dan brengen?

Waarom wilde ik een offer brengen?

Ik ben nutteloos. Nutteloos door mijn leeftijd, opgeteld met mijn karakter en mijn opvattingen. Ik ben bejaard. Mijn karakter heeft nooit een stevigheid gekend; ik houd er al sinds ik volwassen ben meerdere ‘moralen’ op na – en ik weet nog steeds niet of dat een vergissing is of niet. Het leven vind ik volkomen zinloos; de zin moet ik er zelf aan geven. Ik besef dat dit misschien een ouderwetse mening is, maar ik kan niet anders. Maar het oordeel over de zin die ik aan mijn eigen leef geef, en heb gegeven, heeft een negatieve uitkomst; ik heb zoveel verkeerde beslissingen genomen, ik heb van zoveel zaken spijt en ik heb zoveel mensen verwond (en misschien nog wel) dat ik dacht: hoe en voor wie kan ik nog een held worden? Welk offer moet ik dan brengen? En tegelijkertijd: zijn al deze gedachten niet veel te larmoyant? Neem toch gewoon genoegen, oude zeur, met het feit dat je domweg die top niet haalt van de berg die wordt gevormd door je eigen ambities; je zegt toch zelf dat het leven zinloos is, wat maak je je dan druk?

Ach, dat is zo makkelijk gezegd. Ik kan bijvoorbeeld mijn rancune niet uitzetten. Naarmate ik ouder word ben ik op steeds meer jaloers. Niet gewoon jaloers, maar gruwelijk jaloers. Als ik ’s nachts naar mijn plafond staar, dan spelen zich op het filmscherm van mijn geest de gruwelijkste executies af. Ik executeer. Ik verraad mensen bij een onbekende macht, een soort politie die de rechtvaardigheid in mijn leven moet herstellen en ervoor moet zorgen dat de kansen die ik heb gemist mijn richting op vallen. Schaam ik me daar niet voor? Natuurlijk wel, maar ik vertel dit aan niemand. Op een of andere manier zijn deze beelden porno voor mijn geest, al krijg ik er altijd tranen van in mijn ogen.

Door het coronavirus is ook mijn laffe, verlammende doodsangst aangewakkerd.

Dan denk ik: wat moet ik doen om een held te worden? Welk offer moet ik brengen?

Ik weet het antwoord: ik ga niks doen.