Verhaal

Mijn oma, de piraat

opa en oma tijdens een familiefeest in 1992 in Israël © Familie-archief

Ik kijk naar mijn vierjarige dochter Ella door de zoeker van mijn nieuwe camera: ze zit tegenover me te tekenen aan de keukentafel in ons huis in Amsterdam-West. Ik druk op record en vraag haar in het Hebreeuws: ‘Ella, ben jij Nederlands?’ ‘Ja’, antwoordt ze in het Nederlands, terwijl ze haar blonde krullenbol schudt. ‘En ben je Israëlisch?’ ga ik verder. ‘Nee, jij bent Israëlisch’, wijst ze naar mij. ‘Ben je joods?’ Ze stopt met tekenen en kijkt recht in de lens: ‘Wat betekent dat?’

—————

Het volgende cameramoment met Ella is tijdens een bezoek aan mijn oma in Israël, een aantal weken later. Mijn oma zit gehurkt in een rolstoel en mijn moeder en ik zetten Ella op tafel, vlak voor haar neus, naast het eten. Ella’s witte handen en blauwe ogen contrasteren scherp met mijn oma’s donkere ogen en haar zachte, olijfkleurige huid. Ze is hardhorend, maar ze hoort mijn tante Sharonna wel als die in het Arabisch in haar oor schreeuwt: ‘Dit is Ella, Ella van Nirit, de dochter van Mali.’ Haar ogen lichten op en een brede glimlach plooit haar gezicht.

Ze breekt een pita met haar handen en doopt het brood in de Jemenitische soep. Zoals altijd eet oma met haar handen, ze biedt Ella een homp aan. Met zichtbaar plezier legt Ella haar vork neer en geniet van deze goedkeuring van hogerhand om met haar vingers te eten. Ze zuigt de soep uit het brood, een stroom van jeugdherinneringen schiet door me heen. ‘Ze is een echte Jemeniet!’ schateren de vrouwen in de keuken. Ella is geslaagd voor de test. Oma’s soep is geel, traditioneel sterk gekruid en er zitten grote stukken aardappelen in. De keuken ruikt hemels, in mijn herinnering is het de geur van geborgenheid. Als ik dan ook nog het zure pitadeeg waarneem dat op het balkon staat te rijzen voor de volgende dag, waan ik me in een ver, gelukkig verleden, in de tijd dat we nog met de hele familie in dit huis bij elkaar kwamen.

Elk weekend maakte mijn oma die soep, en elke keer vroeg ze aan mijn opa om een kip te doden. Hij was de rabbijn van het dorp en kon het dier koosjer slachten. Zij maakte het schoon beneden voor het huis. Met sierlijke bewegingen plukte ze de kip. Ondertussen commandeerde ze haar vijf dochters: het huis moest op tijd opgeruimd zijn en het eten moest klaar staan voor de sjabbat begon.

Mijn oma was een taaie, haar regime strikt. Naast haar hing een ‘Marita’ aan de muur, een tak uit het bovenste gedeelte van een palmboom. Daarmee kon ze iedereen die haar niet gehoorzaamde een pak slaag geven. Maar echt veel sloeg ze niet: de ‘Marita’ was buigzaam en maakte een ‘woesch’-geluid als je hem door de lucht zwaaide. Een vriendelijke waarschuwing voor hoe het zou voelen als deze stok je raakte. Als ze mij zag, verscheen een vrolijke blik op haar gezicht. Dan was ze twee vrouwen tegelijk: de hard werkende, strenge huisvrouw en de lieve grootmoeder.

de olijfboom voor het huis van oma, geplant vlak na mijn geboorte, verwelkomt ons bij aankomst © Nirit Peled

Elke keer als we haar bezoeken in het kleine dorp vlak bij het vliegveld van Tel Aviv stroom ik vol verlangen. Woestijnherinneringen overweldigen me. In dit dorp, opgebouwd door joodse vluchtelingen uit Jemen, vlak na de oprichting van de staat Israël, lijkt het alsof de tijd heeft stilgestaan. Wanneer we het binnenrijden, ruik ik al de Tabun-ovens van klei in de tuinen. Een oude dame in Jemenitische kledij steekt de straat over met een korf op haar hoofd, mijn moeder groet haar: ‘Shalom, tante.’ Iedereen is een tante hier. Grote families worden omschreven in termen als ‘de broer van de moeder van je oom’.

De geur van het pitadeeg vinden mijn kinderen veel te zuur, mijn oma vinden ze maar vreemd

Een indrukwekkende, wijdvertakte olijfboom verwelkomt ons als we aankomen bij mijn oma’s huis. De boom is geplant vlak na mijn geboorte. Acht broers en zussen woonden in dit huis. Nu woont mijn oma hier alleen. Haar gezondheid verslechtert mettertijd en ze wordt verzorgd door Sunita, een jonge vrouw uit India. Oma heeft Sunita geleerd om haar soep te maken.

Tijdens een ander bezoek, Ella is inmiddels negen en mijn jongste dochter Naomi zeven, lijken mijn beide dochters niet erg veel zin te hebben om de kleine keuken van mijn oma in te gaan. Afwachtend kijken ze toe. Oma kan niet meer zelf eten. Sunita doopt een pita in de soep en geeft haar het doordrenkt stukje brood in de mond. Ik schrik ervan dat ze zo mager is, dat ze zo wezenloos hangt in haar rolstoel, starend in haar soep. Haar jukbeenderen zijn duidelijk zichtbaar, ze accentueren haar welgevormde neus en haar grote ogen. Ze ruikt nog hetzelfde, haar olijfkleurige huid is nog steeds zacht. Ik vind troost door haar aan te raken, ik hou haar hand vast, zo lang mogelijk.

Ik trek de rolstoel met oma naar ons toe. ‘Oma, kom naast ons zitten’, roep ik in de hoop dat ze me hoort. Naomi springt op mijn schoot, ze houdt zich stevig vast aan mijn nek. Ze wil niet naast oma zitten, ze vindt haar eng. De stoelendans duurt even. Oma geniet er zichtbaar van, praten doet ze niet. Haar lach toont haar laatste tanden. Plots raakt haar hoofddoek los en glijdt van haar hoofd. Haar haar heb ik nog nooit gezien, omdat het altijd zorgvuldig onder een kleurrijke doek verstopt is. Het is wit, dik en pluizig. Sunita grijpt in en borstelt eerst stevig haar haar. Giechelend, want iedereen kijkt toe, wikkelt ze met enige moeite het haar terug in de hoofddoek die nu de helft van haar voorhoofd bedekt. Opeens schiet een lichtflits door de keuken. ‘Geen flits, Sunita!’ roep ik, terwijl ik haar mijn camera aanbied. Mijn stem verdwijnt echter in het overdonderende geluid van een landend vliegtuig. Ik dring niet aan. We moeten het vliegtuig halen.

In de korte autorit naar het vliegveld hoor ik Naomi en Ella in een mengelmoes van Nederlands en Hebreeuws ruziën over een foto van mijn oma. ‘Ze ziet er Marokkaans uit!’ zegt de een. ‘Waar is Jemen, ima?’ vraagt de ander. Als ik zeg dat ze hun autogordels om moeten doen, flapt Naomi eruit: ‘Je oma is een piraat.’ ‘Waarom?’ denk ik terwijl ik me tussen de stoelen wring om de dames zelf vast te maken. ‘Ja, zo noemen we haar, het komt door haar hoofddoek’, probeert Ella enigszins verzachtend. ‘Nee, het zijn die scheve tanden!’ onderbreekt Naomi haar.

Vanuit de auto zie ik het zonnige, uitgedroogde landschap aan me voorbij trekken. Morgen heb ik het koud, in Amsterdam. En ik realiseer me dat ondanks uren Hebreeuws lezen en het vieren van joodse feestdagen mijn kinderen de Arabische kant van mijn cultuur nauwelijks kennen. De geur van het pitadeeg vinden ze veel te zuur, mijn oma vinden ze maar vreemd. Zeker als ze haar vergelijken met hun overgrootmoeder in Limburg, even oud als mijn oma, die altijd chique gekleed is als we haar in het bejaardenhuis opzoeken.

oude foto’s van immigranten uit Jemen in de jaren vijftig © Archief Nirit Peled
—————

Vanaf het moment dat ik in Nederland woon, beschik ik over een arsenaal aan identiteiten: Israëlisch, joods, Jemenitisch en Syrisch (mijn vaders afkomst). Naar gelang de situatie kan ik kiezen. Wanneer een taxichauffeur in New York City vraagt waar ik vandaan kom en ik de Jordaanse vlag zie boven in zijn spiegel, zeg ik ‘Jemen’, wetend dat ik mijn Arabisch kan oefenen en de politieke discussie over Israël zal vermijden. Als ik de supporters van Ajax film voor een documentaire kies ik voor de Israëlische identiteit, en verander ik ineens in hun mascotte. Nu voelt het alsof ik ‘piraat’ kan toevoegen aan mijn scala van persoonlijkheden. Na meer dan twintig jaar in Nederland ben je als immigrant gewend dat je identiteit ter discussie staat. Als ik aan mijn oma denk, besef ik dat we al generaties lang immigranten zijn: altijd in beweging, in de diaspora, voortdurend je identiteit herdefiniëren en verlangen naar een plek die je ‘thuis’ kan noemen.

Als ik aan mijn oma denk, besef ik dat we al generaties lang immigranten zijn: altijd in beweging, in de diaspora

Ik vertel mijn dochters dat oma een avontuurlijke, jonge vrouw was, stammend uit een vervolgde en gehavende joodse gemeenschap in Jemen. Zwanger ging ze samen met haar man op reis. Een maand zouden ze onderweg zijn. Ze lieten alles achter wat ze hadden, om een oude profetie te vervullen die generaties lang door joden was meegedragen, een voorspelling over een ver land dat ze ooit verlaten hadden.

Hun dooltocht begon toen ze vol verlangen de inlandse hoofdstad Sana’a verlieten en naar het zuiden van Jemen trokken door bergachtig woestijnland – meestal te voet. Uiteindelijk kwamen ze bij de zee terecht, die ze nog nooit hadden gezien. Daar werden ze naar een vluchtelingenkamp vlak bij de havenstad Aden geleid. Toen ze in 1949 arriveerden op de plek die ze Zion noemden, kusten ze, net als de andere vijftigduizend Jemenitische joden, de grond van het land waarvan ze wisten dat het hun beloofd was.

Mijn grootouders kwamen aan in een piepjong land dat werd geteisterd door oorlog en zware bezuinigingen van de overheid. In een geheime missie, bekend als Operation Magic Carpet, waren ze opgehaald door de stichters van de nieuwe staat Israël om zich te vestigen in het Beloofde Land. Die founding fathers, voornamelijk afkomstig uit het Westen, waren het land aan het opbouwen volgens de Europese standaard. De joden uit Jemen werden opgevangen in integratiekampen. Daar konden ze als nieuwkomers meteen Hebreeuws leren en kregen ze te horen dat ze zich moesten aanpassen aan hun nieuwe omgeving. Ze kregen een huis met een tafel en moesten eten met mes en vork. Oma vertelde dat ze regelmatig op haar deur hoorde bonken en luidruchtig geëist werd te stoppen met Arabisch spreken. Verpleegkundigen kwamen langs om te vertellen dat ze minder kinderen moest krijgen. De druk om zich aan te passen was hoog en onrechtvaardig: hun Arabische identiteit en hun verhalen werden zo langzaam uitgewist.

Terwijl ik mijn familiegeschiedenis vertel aan mijn dochters realiseer ik me dat in Amsterdam, ondanks een rijke joodse geschiedenis, de Arabisch-joodse cultuur niet aanwezig is. Hier stammen de joden traditioneel uit Europa en behoren voornamelijk tot de witte middenklasse. ‘Maar we zijn allemaal joden’, zei wijlen Uri Coronel, de voormalige voorzitter van Ajax, tegen me tijdens een van onze vele conversaties over de joodse identiteit. Sinds ik hem ontmoette, nam hij mij onder zijn vleugels. ‘We moeten bij elkaar blijven, ze moeten ons hier niet.’ Hij is duidelijk, zijn koffer staat áltijd klaar. ‘Ik weet dat en zal het nooit vergeten, en dat zou jij ook moeten.’ Ik snap wat hij bedoelt, vooral als we sjabbat vieren met zijn kleinkinderen in Amstelveen. We zingen dezelfde woorden om de kaarsen te zegenen, maar met een andere melodie en met andere geuren. Door de simpele aanblik van een kipa voel ik me thuis.

Toch voel ik me meer vertrouwd met mijn vriendin Laila tijdens een iftarmaaltijd om het vasten te breken. Laat op de avond eten, een overvloedig gedekte tafel vol kleine gerechten, met hummus en babaganoush. Dat is wat ik ken. Zo’n avond eindigen we dan, met onze buik vol, in de shisha-lounge op de Rozengracht. Daar zie ik jonge mannen zitten, die de ‘nargila’ – waterpijp – roken. Ze doen me denken aan mijn grootvader: hij zat altijd beneden, op de betonnen veranda van het huis. Een paar oude matrassen, bedekt met tapijten en kussens, vormden een laag zitgedeelte waar hij en andere oude Jemenitische mannen bij elkaar hurkten, de waterpijp rookten en qat kauwden.

Op de weg naar huis laat de taxichauffeur, een grote man in pak met een Jordanees accent, weten dat ‘goede meisjes niet naar slechte plekken zoals deze shisha-tent moeten gaan’. Ik laat hem een tijdje praten voordat ik onthul: ‘Ik kom uit Israël.’ Hij lijkt opgelucht: ‘Ah, ik dacht dat je Marokkaans was, je ziet er niet uit als onze joden.’ Hij retourneert het wisselgeld. Er ontbreekt twintig euro, ik hou mijn hand open. ‘Hahaha, dat is mijn joods meisje!’ Hij geeft me het resterende geld dat hij in zijn grote hand heeft verstopt. Een vriendelijke lach. Hij is op zoek naar mijn blik in zijn spiegel terwijl hij naar zijn neus wijst, refererend aan ‘mijn joodse talent voor geld’. ‘Dank u’, zeg ik in het Arabisch en verwar hem opnieuw. ‘Shalom’, antwoordt hij.

—————

Als ik met mijn Nederlandse kinderen ben, dan herken ik mijn ‘anderszijn’. Dan krijg ik het gevoel dat ik nergens bij hoor en wil ik de ‘piraterij’ die ze me in de schoenen schuiven omarmen, de allure van de piraten, hun avonturen, hun onvertelde verhalen, en daarmee de rijkdom van onze cultuur, van onze tradities en gewoonten. Ik wil dat mijn meiden trots zijn op hun overgrootmoeder, de piraat. Mijn oma, die twaalf was toen ze uitgehuwelijkt werd, gedwongen om het huishouden te doen, geld spaarde om de stadsgrenswachten om te kopen, en haar schamele juwelen van Jemen naar Israël smokkelde. Die volhield tot in het vliegtuig – ‘de grote vogel’ in haar woorden – dat haar en haar lotgenoten op miraculeuze wijze mee de wolken in zou nemen.

Alle inspanningen ten spijt – ook ik vertrok weer en zette de diaspora voort. Ik mis het land waar ik geworteld ben, maar ik kan er niet leven. Door elders een gezin te stichten heb ik mijn dna verbonden met een andere plek dan mijn geboortegrond, een land waar men gelooft in de normaliteit van eten met mes en vork, rustig praten, en bij voorkeur niet te veel.

De volgende keer dat de Nederlandse vader van mijn kinderen aan de eettafel eist om normaal en niet met de handen te eten, zullen Naomi en Ella hem eraan herinneren dat hun overgrootmoeder altijd met haar handen at. Naomi zal met een stuk pita een aardappel uit haar soep vissen en grijnzend haar vingers aflikken. Ella zal gehurkt op haar stoel zitten en de voortdurende correctie van haar tafelmanieren weerstaan als herinnering aan al die jaren dat haar overgrootmoeder op de vloer at. Immigranten zouden de geuren en gewoonten die als verschillend worden gezien levend moeten houden – en zich niet moeten laten scheiden van wie ze werkelijk zijn.


In samenwerking met Simon van Melick