Mijn oom vivi

Mijn oom Vivi was een etnische zuiveraar in het klein. Het liefst had hij alle moslims op een boot gepropt die hij eigenhandig ver van de kust tot zinken had gebracht. Maar hoe krijg je negen miljoen mensen op een schip?

Ons eigen Kosovo, Algerije, was veel groter dan het echte waar het nu om gaat, maar de verhoudingen waren nagenoeg identiek: negentig procent van de bevolking werd door de overige tien procent uitgebuit en onderdrukt. Toen die negentig procent vanaf 1954 zich begon te roeren en met hun eigen bevrijdingsleger, het FLN, geleidelijk aan de rebellie ontketende, bleef de regerende minderheid onvermurwbaar. Wat moesten die achterlijke moslims nou? Algerije was door de Franse pieds noirs opgebouwd en groot gemaakt. Voor de kolonisatie, zei oom Vivi vaak, was het land een moeras vol muggen. Nu was het een paradijs geworden vol mooie wijn- en boomgaarden, prachtige bibliotheken en theaters. Algerije was dus van ons en als die wilden het er niet mee eens waren, moesten ze maar onze steden verlaten en zich met z'n negen miljoen in hun oorspronkelijke grotten in de bergen terugtrekken. Dat had oom Vivi meer dan rechtvaardig gevonden. En met hem de bijna voltallige tien procent Franse en Europese pieds noirs die in Algerije de dienst uitmaakte. Die moslims waren toch primitivelingen, ze stonken en hadden geen schoenen. Het werd dus oorlog. Er waren aan pieds noirs-zijde heel wat kleine Milosevicen die, naarmate de oorlog in het voordeel van de moslims uitpakte, begonnen te zweren dat ze hun dierbare heilige grond nooit zouden opgeven. Vanaf 1960 werd een begin gemaakt met wat wij nu etnische zuiveringen noemen. De OAS werd door de pieds noirs gesticht met als doel de oorspronkelijke bewoners te terroriseren en zo veel mogelijk uit het centrum van de steden te verjagen. Mijn oom werd lid van die geheime organisatie. De OAS was een beetje wat de tijgers van Arkan nu zijn voor Servië. Ze droegen alleen geen uniformen en opereerden in de marge van het daglicht. Er werden Arabische huizen en winkels in brand gestoken, liberale pieds noirs werden uit de weg geruimd en overal waar moslims hun gezicht lieten zien werd in het wilde weg geschoten en gemoord. Op één dag moesten bijvoorbeeld zo veel mogelijk moslimse postbodes worden neergeschoten, de week erop waren de moslimse werksters aan de beurt. Ik was zes jaar en had een bloedhekel aan oom Vivi. Die grote man met zijn dunne snorretje à la Errol Flyn kneep altijd heel sadistisch in mijn vlees. Hij schreeuwde voortdurend, fulmineerde tegen het slappe Franse leger en terroriseerde niet alleen de moslims maar ook zijn eigen familie. Wat hij buiten zijn functie van politie-inspecteur deed, konden we alleen maar raden. Maar erover praten was taboe. De OAS was immer een geheime organisatie. Totdat op een dag Paulo, mijn neef, niet meer normaal kon praten. Wil je ophouden met je gestotter, Paulo? Ka… ka… kan ik nie… nie… niet. Heeft je vader Vivi je soms weer geslagen? We… we… weet niet. Het duurde heel lang voordat de familie achter de oorzaak kwam van Paulo’s verbale hapering. Op een ochtend zat Paulo naast zijn vader in de auto op weg naar school. Er was die ochtend net een aanslag door het FLN gepleegd. Vivi was woest. Vloekend en toeterend probeerde hij alle auto’s in te halen. In een nauw straatje kwam hij achter een vrachtauto tot stilstand. Toen hij achteruit wou rijden zag hij dat de weg door een muilezel was versperd. Naast hem stond een Arabische drijver gestoken in een gestreepte gandoera. Paulo zag hoe Vivi iets zwarts onder zijn stoel greep, het portier opendeed en naar de muilezeldrijver liep. Hij vuurde maar één kogel op de moslim. Recht in zijn hart. Paulo wou schreeuwen maar kreeg geen geluid uit zijn keel. Toen Vivi weer achter het stuur ging zitten had Paulo definitief opgehouden gewoon te praten. Mijn oom is nu tien jaar dood. Hersenbloeding. Als hij nog geleefd had, weet ik zeker dat hij tegen de Navo-bombardementen was geweest. Net als het Front National van Megret en Le Pen, de partij waar hij op stemde.