Onlangs gaf ik mezelf een cadeau: ik bestelde bij SP Books in Londen (ze zitten ook in Parijs) een facsimile-uitgave van het manuscript van The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde. Nogal duur en chic. Na ontvangst moest ik bevestigen welk exemplaar ik had en bij overdracht moest ik de uitgevers daarvan in kennis stellen.

Wat vind ik het manuscript heerlijk om te bekijken, zonder dat ik kan zeggen waarom. Oscar had een regelmatig, sierlijk handschrift. Hij schrapte wel eens iets – passion werd feeling, boy werd lad – en zo nog wat. (De uitgever heeft ook nog zo’n vijfhonderd woorden en zinnen geschrapt maar het lijkt aus einem Guss geschreven.)

Eigenlijk vind ik van The Picture… vooral de eerste twee hoofdstukken weergaloos. Daarover straks.

Een van de redenen waarom ik deze facsimile-uitgave kocht was omdat ‘Oscar, mijn Oscar’ tegenwoordig op verschillende universiteiten gecanceld wordt. Men vindt hem als persoonlijkheid te immoreel.

Tja, die discussie is al jaren gaande.

Het is 2001. Onderzoeker Thomas Venning, die werkt voor Christie’s, krijgt op een dag alle stukken van het proces van Oscar Wilde in handen. Oscar werd in 1895 beschuldigd van ‘sodomie’ en moest uiteindelijk de cel in. Thomas Venning onthult: ‘Wallis Grainger, a 16 year old apprentice electrician from Oxford, told how Wilde took him to a cottage in nearby Goring-on-Thames which he had rented and where he wrote An Ideal Husband. On the second or third night, said Grainger, Wilde “came into my bedroom and woke me up and told me to come into his bedroom which was next door… he worked me up with his hand and made me spend in his mouth”.’

Als advocaat Edward Carson aan Oscar vraagt of hij Grainger ooit heeft gekust, antwoordt Wilde: ‘O, no, never in my life (…) he was a peculiarly plain boy (…) his appearance was so very unfortunate – very ugly – I mean – I pitied him for it.’

Tja… Oscar deed het in jongensbordelen met schandknapen van vijftien, zestien, zeventien…

Hoe verdorvener het boek en de persoonlijkheid, hoe liever het mij is

Was vroeger de inhoud van The Picture of Dorian Gray immoreel en werd het daarom verafschuwd, tegenwoordig verafschuwt men de auteur.

Sommigen kunnen de persoon niet los zien van de tekst.

Ik wel, gelukkig.

Hoe verdorvener het boek en de persoonlijkheid, hoe liever het mij is.

Wat ik wel wonderlijk vind, is dat de man die in de eerste twee hoofdstukken bijna een handleiding schrijft over hoe te verleiden zijn toevlucht nam tot bordelen.

Die eerste twee hoofdstukken… Daarin spelen drie mensen een rol: de schilder Basil Hallward, Lord Henry Wotton en Dorian Gray. De schilder heeft Dorian geportretteerd en daarbij iets magisch getroffen dat in feite het daglicht niet kan verdragen omdat niemand het zou geloven: de persoon op het schilderij wordt ouder, maar de persoon zelf niet. De schilder heeft op een of andere manier als een vampier het bloed van de tijd uit zijn model gezogen en vermengd met de verf. Dorian zal altijd jeugdig blijven. Dat had Wilde niet zelf verzonnen. Hij was schatplichtig aan The Oval Portrait van Edgar Allan Poe en aan diens verhaal William Wilson, aan Dante Gabriel Rosetti’s Saint Agnes of Intercession, aan Robert Louis Stevensons Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde – dus je zou kunnen zeggen dat ‘magische’ verwisselingen in de lucht hingen.

Lord Henry Wotton is een man die gefascineerd is door het verkeerde, het slechte, het verval en dus door schoonheid, door kunst, het enige dat het leven waarde en zin geeft. Hij is een ‘evil-doer’. Zijn taal zit vol ambiguïteiten en paradoxen; ze verwarren Dorian, die meer dan onder de indruk van hem raakt. Daar tegenover staat de schilder Basil Hallward, een wat rechtlijnige man die zijn verboden liefde voor Dorian nauwelijks kan verhullen. Er is wel eens gesuggereerd dat Basil en Wotton, Oscars docenten John Ruskin en Walter Pater zijn, elkaars tegenpolen en zelfs vijanden in Oxford, terwijl ze op nog geen honderd meter van elkaar woonden. Oscar zou dan Dorian zijn, althans… Ik denk dat hij inderdaad de opvattingen van Pater wenste en de werkdrift en het talent van Ruskin. Oscar the conversationalist, de man van de spitse dialogen, had zijn kennis zeker ook van zijn docent John Pentland Mahaffy die zijn studenten vooral ‘the principles of the art of conversation’ leerde waarover hij ook nog in 1887 een boek schreef en met wie Oscar samenwerkte op het Trinity-college in Dublin waar ze samen – volgens verschillende biografen – ‘discussieerden over homoseksualiteit’.

Laat mijn Oscar, deze heerlijke artistieke schandknaap niet uit de canon van de Engelse literatuur.

Hij is dan misschien dood, maar hij heeft van zijn schaamteloze jeugdigheid nog niets verloren en leeft zo voort.