John Howard Griffin onder een zonnelamp om zijn huid donkerder te maken, 1959 © Don Rutledge / uit ‘Black Like Me’ van John Howard Griffin

‘Hoe is het om gediscrimineerd te worden op basis van je huidskleur, iets waar niemand iets aan kan doen?’ vroeg de witte, Texaanse journalist John Howard Griffin zich af, eind jaren vijftig.

Dit was de tijd van Jim Crow, waarin zwarte Amerikanen in het Diepe Zuiden waren blootgesteld aan de agressie en minachting van de witte supremacisten, amper wetsbescherming hadden en nauwelijks toegang kregen tot onderwijs of stemrecht, waardoor het hun onmogelijk werd gemaakt om zich te organiseren.

Geen witte man kon begrijpen hoe het is om zwart te zijn, vooral omdat zwarte mensen er niet op zaten te wachten hun ervaringen met witte mensen te delen, dacht Griffin. ‘De enige manier die ik zag om de kloof tussen ons te dichten, was om zelf zwart te worden’, schreef Griffin. ‘Ik besloot dit te doen.’

Met hulp van een dermatoloog die hem een combinatie van pigmentmedicijnen, zonnelampen en gezichtscrèmes voorschreef werd Griffin cosmetisch zwart. Hij trok zes weken door New Orleans en delen van Mississippi, South Carolina en Georgia. In zijn artikelen en het boek dat uit zijn onderzoek voortkwam beschreef Griffin zijn ervaringen: in restaurants waar hij voorheen kwam is hij niet meer welkom, hij moet zijn reizen zorgvuldig plannen omdat bepaalde openbare faciliteiten, zoals wc’s, niet voor hem toegankelijk zijn. Verrassend veel witte mannen vragen hem expliciet naar zijn seksleven, in de veronderstelling dat hij hen wel aan vrijpostige zwarte vrouwen kan koppelen. Het ergste dat hij tegenkwam, schreef hij, was ‘the hate stare’ die sommige witte mensen hem gaven: ‘Niets kan de huiveringwekkende horror beschrijven’, schreef hij. ‘Je voelt je verloren, misselijk van zulke onbedekte haat, niet zozeer omdat je je erdoor bedreigd voelt, maar omdat het mensen in zo’n onmenselijk licht laat zien.’

Zijn boek, Black Like Me, verkocht in 1961 een miljoen exemplaren en kreeg navolging. Tien jaar na Griffin volgde Grace Halsell zijn voorbeeld, en deed zich voor als zwarte huishoudster in een wereld van witte werkgevers. Ze beschreef de achteloze vernederingen die huishoudsters ervoeren; een werkgever probeerde haar zelfs te verkrachten. Ook dat boek, Soul Sister, verkocht een miljoen exemplaren.

De bekendste Europese epigoon is uiteraard de Duitse Günter Wallraff. Begin jaren tachtig leefde Wallraff twee jaar als ‘Levent (Ali) Sinirlioglu’, een Turkse gastarbeider, zoals dat toen nog genoemd werd, die via schimmige uitzendbureautjes op troosteloze plekken kwam te werken, waar werkgevers hem onderbetaalden of hem zonder veiligheidsmateriaal of ziektekostenverzekering gevaarlijke klussen lieten uitvoeren. Bij de kerncentrales, zo werd Wallraff duidelijk, werden migrantenarbeiders ingezet op manieren waarbij ze binnen weken, soms dagen, aan de maximale stralingsdosis werden blootgesteld, vaak om zo de stralingsdosis van de vaste (lees: Duitse) werknemers laag te houden. Ook Wallraffs boek Ik (Ali) was een bestseller – die bovendien leidde tot wetgeving die de migrantenwerkers beter moest beschermen.

Hoe nu terug te kijken op deze journalistieke methodes? Nu, met terugwerkende kracht, klinkt Griffins onderzoek als een plot voor een slechte film. Een stunt. Het werk van de dermatoloog klinkt à la Frankenstein, je kunt je niet voorstellen dat iemand erin trapte, zoals het absurd is dat Griffin zo naïef is dat hij denkt dat zes weken schmink hem in staat stellen net zo te denken als iemand die zijn hele leven al zwart is.

Maar het klinkt vooral cru omdat we inmiddels het begrip ‘appropriation’ of ‘toe-eigening’ kennen: hoe ontzettend irritant het voor mensen uit een minderheidscultuur moet zijn als ze jarenlang iets doen, maken of zeggen dat nauwelijks aandacht krijgt – totdat iemand uit de meerderheidscultuur precies datgene oppikt, het naar een groot publiek brengt en er met de eer van vandoor gaat.

Griffin draaide het juist om. Hij bereikte zo’n groot publiek omdat lezers hem vertrouwden, want hij had zelf als witte man niets te winnen. Je kon hem niet verwijten dat hij een slachtofferkaart speelde, of dat hij er politiek baat bij had om iets te overdrijven. Sterker nog, zijn nestbevuiling kostte hem bijna zijn leven, nadat een groep witte Amerikanen, waarschijnlijk Klan-leden, hem het ziekenhuis in sloeg.

Toch stipte Sylvana Simons van Bij1 afgelopen weekend bij Buitenhof weer een ander onderliggend mechaniek aan. Ze zat tegenover Joris Luyendijk, die weliswaar geen schmink had hoeven dragen om zijn anti-privilegepleidooi De zeven vinkjes te schrijven, maar alsnog vanuit een meerderheidspositie had geschreven over de lasten en hindernissen van minderheden. Het verhaal van De zeven vinkjes mag inmiddels bekend zijn: na de bankencrisis ging Joris Luyendijk aan de slag bij The Guardian en belandde in een existentiële crisis toen hij daar niet zonder meer als een sleutel in het slot gleed. Hij snapte de taalnuances niet, de kantoorhumor, de gedeelde culturele referenties. Voor het eerst in zijn leven voelde hij zich een buitenstaander en dus besloot hij zijn antropologenjas aan te trekken om te onderzoeken welke privileges hij in zijn leven had gekend waardoor hij zich in Nederland altijd de norm had gevoeld. Hij ontwaarde er zeven: wit (1), man (2), hetero (3), via vwo/gymnasium (4) naar de universiteit (5), met tenminste één ouder die hoogopgeleid (6) of geboren in Nederland (7) is.

Het is te hopen dat die antropologenjas kogelwerend was, want sinds de publicatie van De zeven vinkjes schoot zo’n beetje elke opiniemaker zijn of haar mitrailleur op hem leeg. Fraai was dat niet; je kunt van alles zeggen over zijn boek, maar je kunt niet ontkennen dat Luyendijk zijn nek heeft uitgestoken om een sociaal probleem aan te kaarten.

Het kan slechts mijn perceptie zijn, maar Luyendijk zag er bij Buitenhof getekend uit.

Het is te hopen dat Joris Luyendijks antropologenjas kogelwerend was

Simons wilde ook niet op de man spelen, maar zei dat ze het zo typerend vond dat dit onderwerp pas voor een bepaald soort mannen ging leven wanneer ze zichzelf voor het eerst een buitenstaander voelden. ‘Mannen als Joris Luyendijk missen een belangrijk vermogen: het vermogen om gewoon iets aan te nemen dat ze zelf niet hebben ervaren.’

De problemen rond volkshuisvesting, arbeidsdiscriminatie en grensoverschrijdend gedrag worden al heel lang gemeld, maar ze worden blijkbaar pas serieus genomen – en Simons wees naar Luyendijk en presentator Twan Huys – ‘als het om jullie kinderen gaat’. Simons: ‘Zeven-vinkers moeten het eerst zelf ervaren voordat het voor hen bestaat.’

Luyendijk knikte bij alles wat ze zei.

Met al het rumoer rond Luyendijk moest ik afgelopen week aan Arie Boomsma denken. Of in ieder geval aan Over de streep, het kro-programma dat hij tot 2014 presenteerde. In Over de streep ging Boomsma naar middelbare scholen en deed daar iets wat ‘challenge day’ wordt genoemd. Het is een Amerikaans concept. De leerlingen stellen zich op aan een kant van de gymzaal, waarbij een spelleider aan ze vraagt naar de overkant van de zaal te lopen als ze ‘Ja’ zouden antwoorden op een van haar vragen: loop over de streep als je weleens bent gepest; loop over de streep als je je thuis niet altijd veilig voelt.

De kinderen moeten het zwijgend doen, zodat niemand denkt dat er over hem of haar wordt geroddeld.

Loop over de streep als je weleens slachtoffer of getuige bent geweest van extreem geweld, als je een van je ouders mist, als je weleens met ongewenste intimiteiten te maken hebt gehad, als je je weleens gediscrimineerd hebt gevoeld, als je iemand kent die door drugs in de problemen is gekomen.

Het achterliggende idee was niet te missen: je hebt vaak geen idee wat mensen, om die metafoor te gebruiken, in hun rugzakjes hebben, wat iemand heeft meegemaakt, wat zich achter de voordeuren afspeelt. Iedereen heeft een eigen verhaal met zijn eigen drama, we zijn allemaal individuen.

Aan het einde van het programma waren doorgaans de kinderen, hun docenten en de leiders unaniem in tranen. En de kijkers thuis. De persoonlijkste verhalen kwamen los, iedereen liep bij Boomsma leeg.

2014 is acht jaar geleden, nog geen volledig decennium terug, maar toch echt een andere tijd dan 2022. Vandaag zijn we minder geïnteresseerd in het idee dat we allemaal individuen zijn, en meer geobsedeerd door het deterministisch besef dat we allemaal binnen machtsstructuren leven. Vanaf het moment dat De zeven vinkjes verscheen werd het een sport om aan te wijzen welke structuren Luyendijk over het hoofd had gezien: is het niet ook een vinkje als je cis-gender bent, of als je geen lichamelijke beperking hebt? Is seculier geen vinkje? En als je ouders nog bij elkaar zijn?

Wie privilege zoekt, zal vinden. Vorig jaar publiceerde Giselinde Kuipers een essay in De Groene over ‘esthetisch kapitaal’, over hoe knappe mensen aanzienlijk meer sociale kansen in het leven krijgen. Een vinkje dus. Vlak voor de Kerst schreef NRC’s Floor Rusman over hoe optimisme volgens wetenschappers een deels aangeboren eigenschap is. En wie optimistisch is, heeft doorgaans meer doorzettingsvermogen en betere relaties – ook een vinkje. Dit jaar nog publiceerden Josse de Voogd en René Cuperus hun Atlas van Afgehaakt Nederland waaruit niet te missen bleek dat mensen in de Randstad met meer vertrouwen in de maatschappij stonden dan mensen daarbuiten. Dus waar je wieg staat binnen Nederland is ook een vinkje.

Maar in het debat – in columns, op opiniepagina’s en op sociale media – lijkt bij heel veel mensen vooral een onderliggende niet-uitgesproken boodschap te zitten, namelijk: ik heb minder vinkjes dan jij, ik heb meer in mijn rugzakje, zie a.u.b. hoe zwaar ik het heb gehad. We leven in de tijd van Luyendijk, maar snakken naar die van Boomsma.

Op een vreemde manier haalt Luyendijk daarmee zijn gelijk. Niemand wil behandeld worden als een sjabloon, iedereen wil als individu gezien worden. Doordat Luyendijk de witte-hoogopgeleide-hetero-man-met-nette-ouders problematiseert, ondervangt hij precies wat Sylvana Simons beschrijft: door de zeven-vinkers te stereotyperen, geeft hij ze een ervaring die ze zich hiervoor niet konden voorstellen. Namelijk niet gezien worden als een uniek mens, maar als een soort – met alle negatieve connotaties erbij.

Lees meer