Mijn salingeriaanse leven

De boeken van Salinger zijn als het leven zelf. Zinloos je ertegen te verzetten.

Medium storm

In drie à vier perioden in mijn leven was ik in Salinger. De eerste keer dat ik met boeken van hem rond liep te stappen en dat ik voortdurend in die boeken las, zat ik nog op de middelbare school. Ik was zestien of zeventien en drie romans brachten me, voorzover dat nog nodig was, volledig de literatuur in, dat waren: De avonden van Gerard Reve, Lolita van Vladimir Nabokov en The Catcher in the Rye van Salinger. Eigenlijk ging het in die periode om slechts dat ene boek van hem. Voor de historie probeer ik nu me wanhopig voor de geest te halen waarom ik The Catcher ging lezen. Waarom ik Reve ging lezen, weet ik, of meen ik te weten: de leraar Nederlands vertelde enthousiast over dat boek. Ik schaam me ervoor dat ik dit zo neerschrijf, want literatuur wil je het liefst zelf ontdekken, in het verborgene, als een geheime schat die je vindt in het geniep, in elk geval wil je er niet op worden gewezen door leraren. Literatuur die gepropageerd moet worden met boekenweekgeschenken of massale samen-lees-projecten kan evenmin iets zijn. Tim Krabbé mag het komende geschenk schrijven, en ik gún het hem, werkelijk waar, maar ik hoorde hem dit op tv in een praatprogramma vieren alsof hij nu door de Echte Literatuur was binnengehaald. Het omgekeerde is het geval, Tim Krabbé is nu definitief voor de Echte Literatuur afgeschreven, hij is een nepwereld binnengehaald. Veel succes! zou ik bijna zeggen, maar dat doe ik niet, dat doe ik echt niet. Ik zal nooit ‘Veel succes!’ tegen iemand roepen. Het klinkt verschrikkelijk, als je er even bij stilstaat. Waarom ik uiteindelijk The Catcher ging lezen, weet ik al met al niet meer, maar het is natuurlijk de toon die mij, eenmaal eraan begonnen, verder het boek in trok. De roman heeft een van de mooiste openingsalinea’s die ik ken, die ik nog stééds ken, het is een alinea vol woede, de lezer wordt bepaald niet warm welkom geheten in dit boek. De alinea begint met: ‘Als je het echt allemaal wilt horen…’ en eindigt met: ‘Breek me daar de bek niet over open.’ De lezer wordt beledigd en toegesproken als een nieuwsgierig oud wijf. Dat zeg ik nu. In die tijd dacht ik helemaal niet aan ‘de lezer’ of aan mezelf als ‘een lezer’. En eerlijk gezegd doe ik dat nog steeds niet. Ik gebruik het woord soms in de recensies die ik schrijf en later vind ik dat dan gênant. Een goed boek lees je niet, nee, je woont in zo’n boek, je wórdt het boek en het boek wordt jou. Ik las The Catcher en ik was Holden, en Den Haag, waar ik aan het opgroeien was, werd naar ergens in Amerika verplaatst. Ik liep door New York, heel concreet, ik kende nog geen schrijver bij wie ik dat zo sterk had, dat hij je zo kon verplaatsen, Salinger schrijft heel fysiek, je bent daar waarover hij het heeft, en daarom kwam hoofdstuk 19, het begin daarvan, een beetje als een klap in het gezicht, dat herinner ik me nog heel goed, want daar staat opeens: ‘Voor het geval je niet in New York woont, de Wicker Bar is in zo’n soort sjiek hotel, het Seton Hotel.’ Hoezo, voor het geval je niet in New York woont? Ik bevond me er al bladzijden lang. Ik zat allang naast Holden aan de bar. De lezer moet nu even oprotten. Holden en ik zijn in gesprek.

Dit effect zoals hierboven beschreven, heeft Salinger altijd op mij. Ook in de perioden die hierna kwamen en waarin ik de andere boeken van Salinger ‘ontdekte’. Het leven moet je heiligen, zen, je tante kan Jezus zijn, die krankzinnig lange zinnen van hem in bijvoorbeeld Raise High the Roof Beam, Carpenters, de hitte die Salinger daar beschrijft, Zooey Glass die in het verhaal dat naar hem is genoemd in bad zit en daar een vier jaar oude brief leest; ik bén Zooey, ik zit in dat bad, ik maak die hele krankzinnigheid mee, de hele kamer verdwijnt in de damp van het warme badwater. Ook die mythe van Salinger zelf begon aan mij te trekken, ik kwam steeds meer en tegelijkertijd dus steeds minder over hem te weten, als schrijver moest je onzichtbaar zijn, ik wist dat Salinger gelijk had en dat iedere schrijver die op tv verscheen een hoer was. (En ik denk er trouwens nog steeds zo over.) Ik moest in dienst (lichting 88-5), als een van de laatsten, en ik had de biografie van Salinger door James Lundquist bij me en ook dat boek van Hamilton: Op zoek naar J.D. Salinger. Daarnaast las ik op de hei Brakman en Proust. Ik begrijp nog steeds niet dat ik niet vroegtijdig uit het leger werd ontslagen, ik wist helemaal niet meer waar ik was, in zekere zin was ik staatsgevaarlijk, ik had toegang tot vuurwapens, en dat is niet zonder risico als je met míjn identificatievermogen een verhaal als A Perfect Day for Bananafish leest: ‘Toen liep hij naar het lege bed, ging er op zitten, keek naar het meisje, richtte het pistool en schoot een kogel door zijn rechterslaap.’ Mijn redding was dat er niet veel meisjes in het leger zaten en dat er weinig reden was om gelukkig te zijn. Want bij Salinger plegen ze zelfmoord omdat ze gelukkig zijn. En dat snap ik. Dat snap ik heel goed.

Goed, dit is de ene kant van het verhaal. Want opeens was ik klaar met Salinger. Ik hoefde hem nooit meer te lezen, dat liep toch maar volledig uit de hand, ik moest zijn boeken ver weg van me zien te houden. En toch bleven ze in mijn boekenkast staan. Salinger en ik waren nog niet klaar met elkaar, hoewel ik dat wel wilde. Er bleef iets zeuren in mijn achterhoofd. Om uit te leggen wat dat was, moet ik enige autobiografische informatie prijsgeven. Maar eerlijk gezegd: ik héb die informatie al op straat gegooid, namelijk in mijn vorig jaar verschenen roman De bruid en de kogel. Alleen heb ik er daar toen niet bij gezegd dat het allemaal precies zo is gebeurd als ik daar beschrijf. Dat zou tegen Salingers en mijn principes zijn – wij onthullen niets over ons werkelijke leven. Maar principes zijn er om af en toe de hand mee te lichten, dus: zoals ik het in De bruid en de kogel beschrijf, is het gebeurd. Alles. Van begin tot eind. Ik beschrijf in dat boek bijvoorbeeld de bruiloft van mijn oudste zus. En hoe er tijdens dat feest een soort vragenspel werd georganiseerd: een vriend van haar die gekleed ging als een travestiet legde mijn zus allerlei keuzes voor. Toen zij trouwde, was een jaar daarvoor Hémans duik, mijn eerste boek, verschenen. Dat was in 1994. En dan gebeurt dit (het staat in De bruid en de kogel): ‘Hij, de travestiet, vroeg welk boek mijn zus mee zou nemen naar een onbewoond eiland. Ze moest kiezen tussen The Catcher in the Rye en Hémans duik. Mijn zus had tot dan toe, voorzover ik dat kon beoordelen, alle vragen eerlijk beantwoord, en uit haar aarzeling maakte ik tot mijn schrik op dat ze dit nu weer ging doen. Ze zei: “Het boek van mijn broer kan ik iedereen aanraden, maar toch vrees ik dat ik de roman van Salinger meeneem. Dat is zo’n geweldig boek, daar kan niets tegenop.”’ In mijn roman voeg ik daar, ook al naar waarheid, aan toe: ‘Het was niet belangrijk, maar ik herinner me nog scherp dat ik er toch door aangeslagen was.’

Wie mijn boek kent, weet wat er is gebeurd. In De bruid en de kogel wordt door de hoofdpersoon, door de ‘ik’, of zeg maar gerust door mij, een queeste ondernomen naar talent. Heeft Salinger het in zijn werk over een zoektocht naar talent, dan vat hij dit op als een zoektocht naar ‘verlichting’. Salinger zoekt, zo omschrijft Hamilton het, ‘naar een oplossing voor wat hij altijd heeft ervaren als een ergerlijke, onhandelbare scheiding tussen de kunst en het leven, dat wil zeggen tussen zijn kunst en zijn leven’. Het is Salingers thematiek, maar ook die van mij. En ook die van Holden Caulfield, die alles verafschuwt wat namaak is. Zijn reis nadat hij van school is getrapt, is een innerlijke reis. Een uit de mond van Salinger opgetekende uitspraak tegen een vriendin die verheugd vertelt dat ze een wereldreis gaat maken, luidt dat reizen zinloos is, maar dat het wel belangrijk is om in jezelf te reizen. Je innerlijk moet samenvallen met je gedrag in de buitenwereld. Dat vindt Salinger. Letterlijk genomen betekent dit dat je innerlijk op de een of andere manier tot leven komt in de buitenwereld. Dat is wat er gebeurt in De bruid en de kogel, een boek dat ik aan mijn oudste zus (1959-1995) heb opgedragen. Het is mijn enige salingeriaanse roman en meteen ook mijn laatste. Alles in De bruid en de kogel is het leven zelf net als de boeken van Salinger dat zijn. Het is een leven waarin ik mij met kracht probeer te verzetten tegen Salinger. Maar dat lukt niet erg. Ik vrees dat er nog wel wat perioden zullen komen dat ik in Salinger ben. En dat ik aan mijn oudste zus denk die The Catcher in the Rye zo’n mooi boek vond. En hoe ze dat zei op die dag dat ze gelukkig was.