Tema con variazioni

Mijn Schilt ende Betrouwen

Vijfentwintig keer besteeg een lid van de Oranje-equipe het ereschavot, waarna twaalf keer het Wilhelmus ten gehore werd gebracht, want bij zilver en brons doet men er het zwijgen toe.

Het is altijd een mooi gezicht: zo'n afgetrainde sportman of sportvrouw die, met verzuurde spieren of doorgezeten achterwerk, een traantje uit de ooghoek wrijft.

Soms mimeden zij zelfs mee. Echt zingen was er zelden bij. De enigen in Nederland die de tekst van het Wilhelmus tot in de details beheersen zijn H.M. de Koningin en de voorzitter van de Federatie van Nationale Oranjeverenigingen. En de door drievoudig goud gelauwerde wielrenster Leontien van Moorsel. Zij werd door een cameraploeg gefilmd terwijl zij, brood- of anderszins dronken, tegen een muurtje leunend, ons volkslied galmde. Het geschiedde met een doordringende, horendol makende, Brabantse snerp in haar stem die ons sterkte in ons besef dat het meisje misschien wat harder fietst dan een ander, maar dat er voor de rest niets van haar terecht zal komen.

Ogenschijnlijk is het Wilhelmus het repertoirestuk van hoerapatriotten en opgefokte oranjeklanten. In werkelijkheid is het een onversneden revolutionaire hymne, steunend op vijftien opzwepende, vaardig bijeengerijmde coupletten, die niets van het nationalistische pathos bevatten van twijfelachtige producten als de Brabançonne of de Marseillaise.

Oordeel zelf:

Seer Prinslick was ghedreven Mij Princelick ghemoet, Stantvastig is ghebleven Mij hert in teghenspoet. Den Heer heb ik ghebeden Van mijnes herten gront, Dat hij mijn saeck wil reden, Mijn onschult doet bekent.

Het is vorstelijk uitgedrukt, in voortreffelijke poëzie, vrijheidlievend van tendens, godlievend zonder de weeë geur van wierook. «Geen volk heeft een volkslied als wij», zei de Wilhelmuskenner K.H. Miskotte, «zo vrij van grootspraak en ijdele roem, zo tintelend van dappere vroomheid, fier van offervaardige heldenmoed.» Zo sprak ook de Wilhelmusspecialist S.J. Lenselink: «Het mist alle kenmerken van de zogenaamde nationale hymne, zoals die in de kwarteeuw rond 1800 ontstond. Enghartig nationalisme, opgeschroefd hoerapatriottisme, heroïsch-romantisch nationalisme — zelfs de Marseillaise is toch eigenlijk weinig meer dan een koppensnellerlied — en walgelijke vorstenverheerlijking zijn een kenmerk van een groot aantal dezer liederen.»

De enige die het Wilhelmus ongetwijfeld haar vorstelijke neus uit komt, is koningin Beatrix. Het Wilhelmus bij haar staatsbezoeken, het Wilhelmus bij de galadiners, het Wilhelmus bij het ontbijt, het Wilhelmus bij het avondgebedje — het is of je elke dag biefstuk krijgt voorgezet. Haar grootmoeder Wilhelmina had het heel wat gemakkelijker. Die was zo oorverdovend amuzikaal dat zij eens, bij zo'n plechtige, koperovergoten ontvangst aan haar adjudant vroeg wat «dat wijsje» ook weer was, dat haar «zo bekend» in de oren klonk. Met haar dochter, kleindochters en aangetrouwde familie was het niet veel beter gesteld, totdat Claus zich aandiende, die wat beschaving in de familie bracht.

Niettemin is het Wilhelmus méér dan de huishymne der Oranjes, het Wilhelmus is het geestelijk eigendom van het gehele Nederlandse volk, niet alleen van de Tros, de Avro, de Gereformeerde Bond afdeling Staphorst, of de Beatrix-fanclub district Nunspeet. Je kunt je zelfs afvragen of het qua strekking, met zijn onverbloemd verwoorde pleidooi voor het recht-op-revolte, in feite geen socialistisch strijdlied avant-la-lettre is geweest. In elk geval pleit het voor de politieke rijpheid van het vooruitstrevende deel der natie dat men de tekst («In Godes vrees te leven/ heb ick altijt betracht») allang niet meer test op het procrustesbed der ideologische scherpslijperij.

Dat is wel eens anders geweest. Vóór de oorlog, schrijft Simon Carmiggelt in zijn Voortijdige memoires, was het Wilhelmus bij uitstek het lied van «de reactie», en als goed socialist wilde je daar niets mee te maken hebben, met het Schilt ende Betrouwen noch met het Oorlof, mijn arme Schapen. De jonge Carmiggelt nam eens, samen met zijn ouders, deel aan een reisje langs de Rijn. In een buitencafé hief een strijkje ter ere van de buitenlandse gasten het Nederlandse volkslied aan. Iedereen kwam met stramme billen overeind. Behalve de familie Carmiggelt, gepokt en gemazeld in de sociaal-democratie. «De rest van de reis werden wij als lepralijders behandeld.»

Een paar jaar later werden door diezelfde Duitsers een aantal levensbeschouwelijke oneffenheden tot hun ware proporties teruggebracht. Zoals de, in linkse kringen versteende visie op het Wilhelmus. «Ik schreide hete tranen», schrijft Carmiggelt, «toen het op 10 mei 1940, na de eerste Koninklijke boodschap, door de radio klonk.» En toen vijf jaar later de Canadezen op de Dam stonden en de mensen het voor het eerst weer mochten zingen, «zat mijn keel zo vol brokken, dat ik alleen maar een beetje mee kon piepen».

Zo dient met het Wilhelmus te worden omgesprongen. Het is het lied van de Dodenherdenking, het dient ter bekroning van de voltooide Deltawerken, het is bruikbaar op de verjaardag van onze geëerbiedigde vorstin, het is uitstekend geschikt om de voetbalwedstrijd Duitsland-Nederland op te fleuren of als er sportlievende landgenoten met goud worden behangen. Er dient in het nationaal belang voorzichtig en selectief mee te worden omgesprongen. Zo'n volkslied als het onze, werkelijk, het hele volksliedzingende buitenland beziet ons scheel van jaloezie. Het allerfraaiste volkslied, tekstueel en muzikaal, is en blijft overigens De internationale, met het onsterfelijke Aan de strijders als goede tweede.