Mijn tijd komt nog wel

Sinds kort ben ik een werkloze, zij het met de mentaliteit van een topsporter. Tijdens de EK-voetbal realiseerde ik mij, goed op de spelersbank lettend, dat ook in de professionele sport (tenslotte de spiegel van de maatschappij) niet voor iedereen een basisplaats is weggelegd. Van de 22 spelers die iedere ploeg tot zijn beschikking had, konden maar elf spelers tegelijkertijd in het veld staan.

Dat was voor mij een eye opener. Je bent helemaal niet werkloos, je bent een reserve, riep ik opgelucht.
Omdat ik ambitieus ben, wil ik straks, als het vaderland een beroep op me doet, op alle plaatsen inzetbaar zijn. Mijn dagregime is daarom even streng als gevarieerd. Om vijf uur gaat de wekker. Na mijn dagelijkse portie muesli, weggespoeld met een glaasje verse jus, begin ik aan een kruiswoordpuzzel, want dan is mijn geest nog fris. Na mij vier uur lang het hoofd te hebben gebroken, draaf ik met Hekkie, de hond van de buren, naar het Vondelpark. Het mes snijdt aan twee kanten: het is goed voor mijn fysieke conditie en ik houd, als stadsmens, contact met flora en fauna.
De tweede fase van mijn training begint in de voormiddag. Dan speel ik videogames. Al krijg ik er soms een waas voor ogen van, ik zet door, want de elektronica heeft de toekomst, las ik op Internet. Met datzelfde Internet besluit ik mijn dag. Ik groet daarop alle andere eenmiljoenzevenhonderdvijfenvijftig werklozen en tuimel mijn bed in.
Voor ik inslaap visualiseer ik nog even het moment waarop ik straks een baantje krijg, want ik wil op het moment supreme niet door de zenuwen worden overmand.