Opheffer

mijn twijfels in italie

Wanneer je langer dan een week in Italië bent, merk je hoe Berlusconi de zaken aanpakt. Waar zijn partij is, is het een vrolijke bende. Op zijn televisiestations zien we eveneens een paradijselijke wereld. Als hij zelf op de televisie verschijnt, zie je een charmante filosoof, een man van stavast. De journalisten die hem ondervragen lijken – door werkelijk fantastische reactieshots – steeds dieper onder de indruk van zijn antwoorden. «Verdomd, zo had ik er niet over nagedacht…»

De andere kant wordt getypeerd door een vorm van armoeiigheid. Slechte decors, minder feestelijk uitgelicht, waar wat zurige intellectuelen je een angstige boodschap vertellen, namelijk dat Berlusconi niet deugt, de democratie kapot is, Italië naar de afgrond gaat.

Natuurlijk hebben de laatsten gelijk. Maar voorlopig zal Berlusconi winnen en de meerderheid van het volk achter zich hebben – hij wendt de door hem beheerde media aan om een meerderheid in het parlement te krijgen waarmee hij dictatoriale wetten kan afkondigen die hem en zijn kapitaal beschermen en vergroten. Het is voor iedereen duidelijk en zichtbaar.

Dat is angstwekkend om te merken, vooral als je in Rome bent. Mijn kennissen weten niet goed hoe ze erover moeten denken. Moeten ze het volk afvallen dat Berlusconi wil? Een jonge regisseur zei: «We zouden de democratie hier een rode kaart moeten geven.» Ik vroeg hem waarom en hij antwoordde, terwijl we naar het voetbal keken: «Omdat onze democratie een spel is geworden met domme spelers die de andere spelers alleen maar een doodschop willen verkopen en de scheidsrechter aan hun kant hebben staan.»

Anderzijds kun je niet volhouden dat Berlusconi niet kritisch wordt gevolgd. Dagelijks verschijnen er vele kritische artikelen. Maar wat heb je aan kritische artikelen in bladen die geen invloed hebben?

Ik vroeg mijn kennissen waarom rechters, hoogleraren, journalisten, televisiepresentatoren en opinieleiders ongevoelig zijn voor de soms keiharde kritiek die ze krijgen en achter Berlusconi blijven staan. Is dat alleen vanwege het geld dat ze verdienen?

Het antwoord was aldus: «Ja. Dat heeft nog te maken met onze Romeinse achtergrond. Ten tijde van de Romeinse keizers was winst helemaal geen doel. Je werkte voor je vrije tijd. Daar leefde je. Dat zit diep in de Italiaanse ziel. Het kan niemand wat schelen wat hij doet. Iedereen is onverschillig. Je echte passie zit in wat je in je eigen tijd doet.»

Ze vertellen over een Italiaanse regisseur – ik weet niet meer of het een film- of televisie regisseur is – die praktisch in dienst is bij Berlusconi. Moreel gezien is de man weerzinwekkend. Maar in zijn vrije tijd is hij kritisch en kan hij schitterende verhalen vertellen door het geld dat hij van Berlusconi ontvangt. Intellectuelen roepen op om zijn werk te boycotten omdat hij moreel verderfelijk is, maar diezelfde intellectuelen moeten toegeven dat zijn tegendraadse opvattingen voor perfecte films zorgen. «Twee gezichten, het ene is lelijk, het andere knap.»

Niemand van mijn kennissen hecht, paradoxaal genoeg, net zo’n grote waarde aan de democratie als ik dat doe. Links en rechts zijn het erover eens dat je niets aan een democratie hebt die bespeelbaar is en derhalve niet eerlijk functioneert. «Democratie is hier niet een echte noodzaak, denk ik wel eens. Als morgen Mussolini zou opstaan en met tranen in zijn ogen een vrijheidslied zou zingen en zou verzoeken om de democratie af te schaffen, zou een meerderheid van de Italianen daar erg voor zijn.»

Er wordt gelachen in het café.

Ze vragen hoe het precies in Holland zit na de moord op Theo. Mijn positie is ingewikkeld; ik leg uit dat ik tegen de maatregelen van het huidige kabinet ben als het gaat om belangrijke onderwerpen als gezondheidszorg, de omroep et cetera, maar dat ik liever ook niet zie dat de sociaal-democraten het gaan overnemen. Fortuyn zag ik ook al niet zitten, en voor de nieuwe partijen ben ik bang.

«Wat wil je dan?» vraagt de jonge regisseur.

Ik haal mijn schouders op.

«Dat is de crisis van Europa», wordt er geoordeeld.

Wanneer ik even later over Theo van Gogh word geïnterviewd, is er eigenlijk maar één vraag: «Is de moord op Theo van invloed geweest op het Nederlandse nee met betrekking tot de Europese grondwet?» Het is een stelling die de Lega Nord heeft aangedragen.

Om die reden wil ik nee zeggen, maar ik kan het niet, omdat ik wel degelijk een samenhang zie. Althans bij mezelf. Maar ik ben geen maatstaf. Ik draai eronderuit en neem mezelf na afloop van het vraaggesprek mijn laffe standpunt nogal kwalijk («Voor mij persoonlijk wel, maar ik geloof dat voor de Nederlanders in het algemeen andere zaken speelden»).

De opmerking dat Italianen pas leven in hun vrije tijd zodat eigenlijk niemand ze daadwerkelijk kwalijk neemt welk standpunt ze in hun arbeidzame leven innemen, speelt de rest van de dag door mijn hoofd.

Ik zie overal dat het klopt. In toespraken wordt de regering uitvoerig en slijmerig bedankt voor de gelden die ze voor het film festival beschikbaar heeft gesteld, terwijl in de wandelgangen Berlusconi en zijnen worden afgebrand. En ook is opvallend dat de grootste Berlusconi-aanhangers zonder uitzondering buitengewoon aardig zijn. Ik geloof niet in een «volksaard» en dergelijke, maar het is wel opmerkelijk.

’s Avonds nog gesproken met een buiten gewoon aantrekkelijke Berlusconi-aanhangster. Ze weet precies welke «goede daden» Silvio allemaal verricht. Het is een indruk wekkende lijst. Hij helpt kinderen met kanker. En wat doet links?

«Links… dat zijn mensen die altijd een kater hebben en in het openbaar kotsen.»