Mijn waterdichte theorie

Ongekuisde versies (112 blz., f27,50) verschijnt dit najaar bij Querido.
Plasobsessies, kinky damesseks en hitsige poezen. Een voorpublikatie uit Anne Vegters bundel ‘Ongekuisde versies’.

PIESTE IK AL? Of moest ik nog een keer? Kan op het emmertje zitten en merken dat ik nog eens kan. Er zit nog wat. Want als ik op mijn buik druk: druk. Vochtopslag. Dat is ook zo, dat doe ik ook. Ik sla vocht op. Ik doe dat ook expres. Ik heb op de emmer gezeten, want mijn emmer is nog warm. En kats dat ik ben, als ik pies. Ik ben gespitst op mijn zin een reukwerk na te laten en verrek mijn nek door om te kijken, alsof ik een betrapper wil betrappen. En nu wappert mijn geurvlag uit die oude emmer, in de uiterste hoek van de kamer. Dweilen met haar kraan open, dat gebeurt mij met mijn poesje.
Ik pies zelf eigenlijk niet naast de emmer, maar wat ons bindt is het bezig zijn met ons water, het aandachtige daarmee bezig zijn. Zindelijkheid of het gevoel ontwikkelen voor de eigen sluitspier, wees er vroeg bij, anders wordt het wat het bij mij is: een onderwerp.
Pas had ik een gewelddroompje, een uit een serie van twee. De Weldaad, mijnheer De Weldaad gekleed in een legergroene overall, verscheen als ambassadeur van heilszaken en gezondheidsvormen. Hij gaf mij een warme hand. Dat was aardig en ik wilde graag herstellen en mijn poes soms.
Voor mijn ogen, nog voor de weldaad was gepleegd, veranderde hij maar raak, tot in een vertegenwoordiger in nachtzaken, pijninstrumentaria en honger. Mijn droom verdween in zijn bek; hij slurpte zijn eigen goedheid naar binnen en had ik een barre droom gehad, dan verjoeg hij die barre met een bardere. De Weldaad draaide zich om. Wat! Vreselijk! De Weldaad had geen gezicht. Ik schrok haast zonder te schrikken en werd wakker. Dus wakker geworden en moe trof ik mijzelf op mijn emmertje aan.
De schrik lag me op de huid en ik wilde die vlug van me af piesen. Een droom pies ik er gewoonlijk helemaal uit en dan ben ik ervan af voor de eerste uren. Dat merkte ik eerder in die nacht, na een wondermooie droom van een vliegreis tegen een Alpendecor. Het was stralend weer, ik zag de Jungfrau, miste overigens alle toppen en overleefde de droom vrij en geruisloos: ik was niet bang en bereikte van die hoogte mijn emmertje. Ik was vastbesloten de gewaarwording te koesteren, maar terwijl de eerste straal tegen de emmerwand liep, verliet mij dat vrije, dat onbange. Zonder dat het mij opviel. Het was een donkere nacht, niet donkerder dan een andere en ik drukte nog eens op mijn blaas, leegde de boel trouw aan mijn gewoonte op mijn blaas te drukken en de boel te legen.
Wat ik verloren had, merkte ik pas de volgende dag toen ik dat vrije, onbange nodig had voor een bezoekje aan mijn eigen psychiater. Ik kon zoeken wat ik kon, maar de Jungfrau, of alle innerlijke schoonheid die met de verruimde staat van een topervaring gepaard gaat, bleef die dag in mist gehuld. Ik beefde voor mijn psychiater, doodsbang was ik dat zij mij in mijn Alpendroom wilde terugstoppen, zodat ik opnieuw mijn juist herwonnen gebrek aan angst kwijt zou raken tijdens het uiten van die droom. Uiten of plassen, dat is mij om het even. Ik regresseerde tot op de bodem van een terugval, stak mijn hand in mijn slipje als om de stormvloed te keren, en wat zij en ik zo zorgvuldig aan mijn kelderachtige gevoelsmatigheden hadden verbouwd tot een kathedraal van zelfvertrouwen, stortte in bij de gedachte dat zij mijn urineritueel nu ook zou leren kennen.
Ik moest er niet aan denken dat zij zou zeggen: 'Jannie, beschrijf eens heel precies wat je gedaan hebt vanaf het moment dat je vanochtend wakker werd tot en met de eerste hap in je boterhammetje met bebogeen.'
Ik stopte nog liever mijn hoofd in een zak. Ik was het onbange kwijt, het vrije was weg, als opgelost in de ammoniak. Ik was een heel eind verwijderd van welke genezing dan ook, wanneer het me voorlopig al langs de benen liep bij een kans op een niets vermoedende inleidende vraag, als die met de bebogeen van mijn, laatst nog, vriendin Frau Psychiater.
Ik durfde haar niet aan te kijken, ik viel nu ook nog terug in de doe-alsoffase, die wij eigenlijk al hadden afgesloten met een nieuwe gelijkgezinde vrouw-tot-vrouwhouding. Ik zou me dus weer tegen haar autoriteit verzetten door een klein meisje na te spelen dat zich in iedere geheime gewoonte gecontroleerd meende.
Ik dorst haar niet in de bemoedigende ogen te kijken, dacht kwaadaardig: 'Wat draagt die weer een smakeloos geiteharen pakje en oude rare platte te vale schoenen draagt ze ook weer. Betaal ik daarvoor het consult?'
Wij idioten spugen de ene schaamteloze overdracht na de andere uit onze bek, als de deur van onze afweer kiert. Maar ze vroeg helemaal niet: 'Jannie, etc. tot en met bebogeen'!
Ze keek me die dag voornamelijk langzaam aan, nam echt de tijd om een eenvoudige vraag bij mij naar binnen te loodsen en toen de vraag: 'Jannie, waar ben je zo boos over?' aankwam, leek mij dat niet echt een vraag voor een psychiater. Meer iets voor een psycholoog, leek mij, of voor een vormingsleidster met specialisatie gesprekstechniek, leek mij, maar in alle gevallen zou ik de boel ontwijken en vol onbegrip antwoorden: 'Boos?'
Waarna die vermaledijde stilte inging, die de zelfreflectie zou kunnen veroorzaken, mij echter de tijd gaf me af te vragen of mijn poes wel te eten had gehad deze ochtend. Ik werd onzeker en stelde me voor hoe ze hongerig op het aanrecht sprong, voorzichtig over het hellende torentje van koffiekopjes zou stappen op weg naar een mesje met boter of een snippertje kaas. Treurig genoeg liggen er geen etensresten op ons aanrecht, omdat ik tegenwoordig afwas. De tijd van me, dadelijk na het ontwaken, op blote voeten met grote stappen over de plasjes kattepies heen zetten om ten slotte het aanrecht te bereiken en een ontbijtbordje uit de aangekoekte pan van eergisteravond te vissen, lag na maandenlange kortstondige walging nu dan toch wel definitief achter me. Tot poes' spijt. Ik gebruikte dat moment van kans op zelfreflectie om te bedenken wat de poes eventueel waar zou kunnen vinden en opeten, opdat zij haar poezelust naar hartelust kon bevredigen. Het was een onmogelijk mengsel van consideratie en eigenbelang dat mijn bloed verdunde. Het eigenbelang stoelde op mijn weerzin om bij thuiskomst door een vers urinebadje in de gang te moeten waden om de woonkamer te bereiken. Kon ik een plek bedenken waar zij te eten vond, dan was ik voorlopig van mijn voorbarige ergernis af. Trof ik nergens een kruimel kattevoer in mijn geheugen aan, dan was het echt naar voor de poes en gevoelde ik consideratie.
Mijn onderscheidingsvermogen trainde ik het liefst in de zonnige kamer van mijn Frau P. tijdens mijn betaalde ogenblikjes stilte. De urinekwestie zat me hoog. De poes pieste uit ergernis. Verbeterde dat haar humeur? Maar wat pieste zij er dan uit? Schrik, net als ik? Ik vatte haar reukwerk op als een waarschuwing aan mijn adres. Niettemin hield ik liever vol dat het plassen haar opluchtte, zodat zij er voor haar eerste uren van af was, schrik weg en eventuele ergernis dito. We begonnen steeds meer op elkaar te lijken, poes op mij en ik op poes. Op dat moment stelde Frau P. haar volgende keurig gedoseerde vraag: 'Iets misgegaan thuis?' Ik dook in de oksel van mijn leverkleurige trui. Ik snoof een zwakke zweetlucht uit de wol op. Zij kon eenvoudigweg de pies niet ruiken, die trok toch niet door mijn zweetlucht heen! Ik had eens gelezen over incontinentieproblemen die als stank door de porien naar buiten trokken. Zo erg was het met mij en mijn poes niet gesteld. Wij leden aan een preoccupatie, dat wel. Het drama speelde zich echter binnenshuis af en daarmee uit. Geen gevraag over misse zaken thuis!
Ik hield me van den oliedomme en volhardde nog wat verderop in de stilte. Het was tenslotte mijn geld voor haar tijd. Van een vrouw-tot-vrouwhouding bleef geen spat over, nu alle bochten en tunnels van mijn denken volliepen met onze natte huisvlijt en andere ongemakken. Ik verzette me erop los, ter wille van de privacy van poes en mij.
Het bezoek aan Frau P. had mij, kortom, voor het eerst die dag doen denken aan mijn ongecompliceerde Alpendroom. Met de andere droom, die van De Weldaad, was het anders gesteld. Die was niet uitpiesbaar! De ellendeling zoog zich na afloop vacuum in mijn geheugen, veroorzaakte daar een ernstige verstopping en er zat niets anders op dan krachtig mijn hoofd te schudden, zodat er een spontane gedachtenlozing kon volgen.
'Niets misgegaan', knikte Frau P. Die snapte dat. Ik schudde nog eens mijn hoofd, terwijl ik had moeten knikken van ja, er is niets misgegaan, maar ik had mijn geheugen in beweging gebracht en ik schudde en schudde tot mijn achterhoofd schudde, mijn voorhoofd schudde, mijn kaken over elkaar schoven terwijl mijn lippen als natte lappen tegen mijn wangen kletsten en ik schudde tot mij het scharnier van de nek draaide en mijn hoofd draaide door en Frau P. draaide mee en toen klutste ik het vocht van mijn hersFrau P. waar, die vol begrip op haar stoel rondtolde en zij wees op mijn geheugen, terwijl zij losse flarden in haar handen hield en omhoogstak: een kattesmoeltje toonde zij me, een gescheurde emmerwand, een watertoren van afwas die op haar schouder balanceerde, ze sloeg een kattestaart om, en toen zag ik dat zij tussen een duim en wijsvinger een vuistgrote korrel kattevoer klemde en mijn poes! mijn poes! mijn poesje! deed ik, ik deed van: heregod, geef mij mijn flarden terug en mijn korrels! Nu! Nu wil ik ze terug! Geef ze terug, Frau Psychiater! Geef mij mijn flarden terug!
Maar mijn oren sloegen dicht en mijn ogen tuurden naar de mond van mijn damesdokter. Frau P tuitte haar mond en wilde een deuntje in mijn oren fluiten, terwijl de stilte mijn oren al voldoende kwelde. Dus deed ik van: niet fluiten! ophouden, Frau P., niet fluiten!
Maar toen brak, toch nog onverwacht, de waterkering in mijn kop. De gedachtenstroom kwam dadelijk op gang. Frau P. en ik kwamen ook op gang en wij dreven eerst hulpeloos op het schuim van mijn geheugen, toen zwaaiden wij eens met onze armen en benen, raakten innig verstrengeld in mijn hoofd, wij waren weer gelijkgestemd en om te kalmeren streelde ik haar benen en zij drukte haar lippen op mijn hals, wij vonden onze gelijkgestemde houding terug en opnieuw schoot mijn hand in mijn slipje, als om de vloed te keren. Zij lachte haar parelwitte tanden bloot, maar ik kan helemaal niet tegen bloot. Ik rilde, wat zij opvatte als een aansporing om verder te gaan. Ik moest aanzien hoe zij vanonder haar wollen pakje een glimmend broekje te voorschijn toverde. Tegen wil en dank wond dat idee mij op.
Niets meer onder een geiteharen rokje! Ik loerde door mijn oogharen naar mijn psychiater. 'Jannie', fluisterde zij en toen probeerde ik met mijn ogen dat rokje van haar over haar cre
mekleurige dijen te rollen, een lastig klusje, waar ik al mijn aandacht voor nodig had, alsof dat rollen verband hield met het noemen van mijn naam, hoewel dat eigenlijk niet mijn, maar mijn moeders naam was. Zij keek vol begrip toe en draaide haar dokterskont in mijn richting, zodat mijn ogen het ook eens van achteren zouden kunnen proberen. Ik kreunde van inspanning, liep rood aan en nog voor ik haar, leek mij, cremekleurige billen in beeld kreeg, hielp zij mijn ogen een handje door eigenmachtig de rok dan maar tot boven de navel te sjorren, tot boven de billen dus ook, van mij uit. Het zag er zo gezond uit, wat ik daar te zien kreeg, daar kon geen dokter tegenop en ik dacht aan alles wat we daar zouden kunnen doen, wat mijn tong er kon meemaken en wat haar buikhuid aan genot te wachten kon staan en wat haar cremekleurige billen in het natte verschiet lag. Maar toen trok zij mijn hoofd op haar buik, wist ik veel hoe zij lag of hoe ik lag, in ieder geval lag mijn hoofd met de lippen op haar buik, op de kosten van het ziekenfonds zal die daar wel gelegen hebben en ik wilde haar likken en ik likte haar buik in lange en harige banen, want zij trok mijn hoofd tot ver onder haar navel, zodat zij en ik op een volstrekt gelijkgestemde manier van haar kutstreek konden genieten, zij leverde mij uit aan die kut van haar: voor deze behandeling had ik toch niet gekozen, maar wat men doet, dat men wil, had Frau P. mij zelf geleerd en toen deed ik dat van harte, dat schaamteloze willen door het volgende te doen: ik werkte mij uit het eigen broekje en dringend, ongepast en onvermijdelijk plaste ik ogenblikkelijk, want ik moest dat, dus ik deed dat, want ik wilde dat.
Ik lag er niet al te best voor, niettemin begon ik haar recht in het gezicht te piesen. Ik pieste haar truitje nat, ik pieste haar buik in straaltjes onder en mijn blaas bleef maar boordevol, dus moest ik wel verder tot ik haar kutstreek bereikte en aanhoudend zorgde voor een bevloeiing van de scherpste soort. Ik kon niet stoppen en urineerde op de onderbuik van Frau P. los en zij liet het maar lopen, het stroomde over haar vagina, mijn pies gutste over haar schaamlippen, ik besproeide de binnenste, daarop de buitenste, die lippen raakten doorweekt. Frau P. kwam in beweging en opende haar handen in haar kruis, zodat mijn water tegen haar handpalmen spatte en dat wond mij op, mijn urine liep nu in volle stralen tussen haar vingers door, over haar polsen liep mijn water en de pies was goed, vitaal was de pies en het prikkelde mijn Frau P. om ook te mogen piesen: zij pieste terug. Ik gierde, haar straal was stralender dan de mijne, zij spoot, het was een verse straal, een gezonde straal, de droppels schitterden in het licht en ik werd overweldigd door een onhoudbare jeuk, haar water spoot tegen mijn clitoris en ik had nauwelijks de tijd om die volle hete straal te voelen, zo warm liep ik voor haar, ik was drijfnat, ik hield mijn handen onder haar straal, warmer werd ik, langs mijn rug kroop die natte warmte omhoog, ik stond op mijn kop, zij spoot alles er van boven af in en toen begon ik opnieuw te wateren, mijn blaas liep opnieuw vol en nu piesten wij tegen elkaar in, onze stralen vermengden zich, het waren krachtige gele stralen, gezonde gele stralen waren het, wij piesten hoger, alsof wij een bergtop wilden bespuiten en wij zagen een fontein van urine op ons neerdalen, en wij kwamen snuivend klaar onder die douches en het water liep over ons lichaam, terwijl wij onder die hete straal sprongen gilden wij. Wij gilden steeds luider, ik nam haar gillend in mijn armen, wreef gillend mijn natte lichaam tegen haar gillende lichaam, ik gilde, ik gilde steeds, onverdraaglijk gekrijs was mijn gillen, het gierde door het hoofd, snerpte langs de wanden van mijn hoofdkanalen waar vocht stroomt, ik sloeg met mijn knuisten op mijn kop, om het water eruit te slaan sloeg ik, ik beukte tegen mijn hoofd, maar het hoofd kreunde: ‘Stoppen! Wil stoppen asjeblieft!’
Dus ik stopte. Op de stilte die toen inviel sprongen mijn oren open. Het gillen was voorbij. Er was niets meer te horen. Een klein scherp puntje van een geluid noch een ve`rdragend restant van een schreeuw: het geluid was weg. Waarop ik merkte dat Frau P. ook verdwenen was. Waar was zij? Had zij zich achter een bepaalde gedachte verscholen? Achter welke dan? En hoe kwam ik daarachter? Zij kon niet ver weg zijn, want ik was nog niet eens droog tussen mijn benen. Ik opende mijn ogen en begon in het wilde weg om mij heen te kijken.
IK HERKENDE HAAR kamer dadelijk aan het zonlicht dat door de ruitjes binnenviel. Hier werkte zij aan mij. Omdat ik haar zocht, speurde ik langs de muur, waar een portretje hing dat ik van haar had gemaakt. Ik had voornamelijk halsspieren afgebeeld en de tekening De honger genoemd. Ik had er 'van Jannie’ onder geschreven. Toen ik de titel noemde, had zij gefronst en hoog gelachen om de katteoortjes die ik op haar hoofd had gezet. Tijdens een bezoek aan mijn Frau P. droomde ik graag weg in die oortjes die me aan thuis, goed, knus en ooit herinnerden. Maar om de oortjes te bekijken, diende ik mijn stoel honderdtachtig graden te draaien. Er haperde al jaren iets aan het mechaniek van de stoel, die stoel haalde de honderdtachtig allang niet meer, maar mij best: ik had thuis toch katteoortjes.
Mijn ogen rolden over haar zalmkleurig geschilderde vensterbanken, over haar grijze tafelblad en stuiterden koppig over de linoleumvloer. Ik wierp een blik onder de tafel, deed hier en daar een kastlade open, trok eens aan een stapel oud papier en bladerde in haar patientenbestand. Niet dat fijnste kruimeltje van een levensteken, geen petieterig residuutje van haar lichaamsvocht als een plasje op tafel, een plasje op de stoel of desnoods als een plasje tegen het raam, van wie zich zojuist nog springlevend toonde.
Frau P. was verdwenen met glimmend slipje en al.
Nu was zij vermist. Ik moest dat toegeven.
Ik greep naar mijn hoofd.
Het is een hele stap de geliefde als de vermiste op te geven en prijs te geven aan de algemene verwarring, terwijl het bijzondere van de eigen verwarring nog onvoldoende aandacht kreeg. Haar prijs te geven aan de bezorgde inspanningen van een generaal zoekapparaat, ettelijke malen hetzelfde verhaal te vertellen, ervoor te moeten oppassen dat hetzelfde verhaal gaandeweg geen kleine veranderingen doormaakt die de onschuldige, mij in dezen, uiterst verdacht kunnen maken. Als enige getuige werd ik het voorwerp van verdachtmakingen! Die hele boevenbende van een zoekapparaat zou zich op mij storten, teneinde niet met lege handen aan te komen bij het heetste justitie"le gezag! Godallemachtig. Wat een krankzinnige wereld. Het was bepaald verstandiger het geheim van haar verdwijning goed te bewaren. Wie weet schoot Frau P. me plotseling ergens te binnen. Ik zag het briefje voor me dat ik in geval van haar onvoorziene terugkeer had te schrijven: Geachte heren en dames detectiven en vertegenwoordigers van ons openbaar rechtsbestel, sorry! Zij is terug, de geliefde die wij dood, ten minste vermist waanden. Zojuist zat zij weer ongedeerd op de stoel die ik zo goed van haar ken, omdat het de enige stoel is in haar gesprekskamer die regelmatig geolied wordt en derhalve foutloos ronddraait.
Het was een verbaasd heen-en-weergepraat tussen haar en mij, van 'Hee! Daar ben je! Godzijdank!’ en 'Hoezo? Ik zat hier toch de hele tijd? Waar heb je het over, Jannie?’
Ik begon aan mijzelf te twijfelen, dat wilt u wel geloven, heren zeker en wie weet dames. U zult zelf wel weten hoeveel innerlijke tweedracht de twijfel-aan-zichzelf kan zaaien.
Toch schijnt uw geval mij opwindend toe, omdat u ook nog met allerlei wetten en regelgevingen, die de persoonlijke twijfel in genen dele toestaan, te schaften heeft. Ofschoon ook daar in de zin van interpretatie nog wel enige speelruimte rest… In die zin is het met mij minder gunstig gesteld: ik mag best even een potje twijfelen als de situatie daar aanleiding toe geeft, maar er vloeit geen druppeltje wettelijk bloed uit en betreffende een mogelijke interpretatie komen wij ook maar dungezaaid uit, ik, mijzelf, wij als ik, zij die mij nastaat.
Affijn, toen ik mij voldoende aan de eigen twijfel had overgegeven en het elastiek van de geest weer wat centimeters had opgerekt, zodat ik er nog nauwelijks een gedachte aan durfde op te hangen, begroette ik mijn vriendin enthousiast en kuste haar de beide borsten. Wij zijn weer samen, hoe dan ook en ik dank u, ook namens mijn vriendin, voor uw vergeefse inspanningen.
Jannie.
MEN ZOU MIJ alsnog voor een presidium dagen op beschuldiging van misleiding en belediging van het openbaar gezag.
Om me de ongemakken van het lijf te houden, was het nog even verder zoeken geblazen. Er was een kast die ik nog niet aan een nieuwsgierig onderzoek had onderworpen: de garderobekast.
De klassieke plek om zich te verstoppen! Hoe had ik die kunnen vergeten!
'Ik heb je’, juichte ik ontspannen.
Ik schoof triomfantelijk het gebloemde gordijn op waarachter haar seizoensgebonden kleding hing: haar loden jas, haar kaki regencape, haar geruite kampeerjoppertje en een mij onbekende legergroene overall. 'Kom maar te voorschijn, psychiatertje van me’, zei ik en zij kwam niet te voorschijn.
'Want ik weet een ander spelletje’, zei ik.
'Laten we memory doen. Kom uit de kast, lieveling psychiater. Dan kunnen we beginnen.’
Op dat moment kwam er beweging in de legergroene overall.
Overvalt ons een herinnering, dan is het gebeurd met de verdringing. Daar komt geen psychiater meer aan te pas. Dat kon ik maar beter onder ogen zien.
Hij gleed moeiteloos van de kleerhanger, ongeacht de jasjes van Frau P., die in serie van de haak vielen.
Ik had De Weldaad nu ook herkend aan zijn manische gestalte.
Hij grijnsde vol betekenis en ofschoon ik de betekenis niet kende, begreep ik dat ik hem hooguit een paar stappen van mijn geheugen had weten te verwijderen.
Van mijn psychiater ontbrak ieder spoor.
Ik verloor houvast, voelde hoe het schip van verbondenheid dat ik zojuist had bestuurd met mijn Frau P. op de klippen was gelopen en weldra dreigde te zinken.
De Weldaad, die marskramer in mensennood, bood mij een kijkje in het nachtgewaad van zijn schaamteloosheid: grijnsde nog eens. Ik doorboorde die verhongerde spierkramp rond zijn mondopening echter met eigen angstige blik, want zien was kennen.
Maar toen ik aan zijn toonloze gezicht de openstaande mond herkende als de mond die nog onlangs een van mijn zuiverste dromen had verorberd, had ik zin om iemand een potje te laten walgen.
Iemand! dacht ik.
Iemand die het walgen voor mij doet: mij kost het tijd, het put mij uit en het maakt de ziel steriel.
Het was een koud kunstje de nare bijeffecten uit de brij der walging te lepelen.
Als iemand het voor mij deed, had het gekund.
Maar ik was, buiten hem, alleen.
Een kleiachtige angst vulde mijn keel en dank zij mijn benen zette ik het op een hollen. Ik snelde de kamer door, klampte mij aan de holle muren vast, wilde weten waar een deur naar buiten was ook alweer.
'Waar is de deur naar buiten?’ riep ik om de tijd vorm te geven en onopvallend misnoegen te wekken. Daarop hoopte ik des klootzaks ego te wassen met een slopende loop, een versnelde processie langs alle aandachtspunten van de kamer, die ik ooit lief had als de aandachtspunten van mijn eigen kamer. Er mateloos in rond te tollen, de eigen schoenen te horen draven van het ene naar het volgende punt totdat echter niet hij, maar ik mij achtervolgd wist, zodat niet ik, maar hij er garen bij spon en dat moest niet.
Nu moest ik het zonder Frau P. stellen, nu zou ik het zonder haar klaren.
Zij had mij onaangekondigd verlaten en zonder nabehandeling uitgeleverd aan De Weldaad. Dat was gemeen, bikkelhard en onmenselijk, hijgde ik in gedachten en ik zou het haar betaald zetten. Maar niet nu! Want hoe dan? Zij was weg en dat was erg genoeg. Ja! Ik miste haar zelfbeheersing en haar inzicht in het eigen handelen. Ik ergerde mij aan haar, omdat ik naar haar verlangde.
Inmiddels was de drijfjacht op mij begonnen.
Ik was De Weldaad uit het oog verloren. Zojuist was hij nog in haar kamer, nu zag ik hem nergens. Het zou wel op een hinderlaag uitdraaien en in dat geval is het beste te doen wat voor de hand ligt, omdat het eigen voor-de-hand altijd afwijkt van het voor-de-hand van de ander.
Maar hier ging ik definitief en onvergeeflijk de mist in. Want ik rende door haar gangen, groette haar kapstok, haar hoedjes en haar paraplubak. Ik verliet het huis net als anders, echter gehaaster en zonder antwoord af te wachten. Ofschoon ik een hartelijke band had opgebouwd met ieder afzonderlijk voorwerp dat Frau P. behoorde, liet de wijsheid van haar buitenwereld mij verder koud en buiten gekomen liet ieder huis, elke deur, iedere zijnsvorm die ook met verwachting en zekerheid van doen had, mij koud.
Ik gedroeg mij alsof ik aan een natuurramp was ontsnapt. Ik rende voor de nog rondvliegende kluiten uit en koerste op vrijheid. Mijn eigen redding! Ik passeerde moeiteloos de kroeg waar ik na de analyse gewoonlijk mijn restanten geheugen verdrink. Ik genoot van de verbaasde blikken van de kroegdames die mij steeds het hemd van het lijf vroegen, er nu geen kans toe vonden en ontstemd uit de ramen tuurden. Ik genoot van hun verbazing. Mijn bevroren gevoelsdelen ontdooiden in het licht van dit genot. Dus zweefde ik op de ballonnen der euforie naar huis.
'Ik heb een eigen woning en daar woon ik met mijn poes’, zong ik.
Ik belde thuis bij mij aan. Dat was een teken voor wie het niet negeerde. Die symboliek was echter niet aan mij besteed.
Pas toen De Weldaad open deed, wist ik dat ik buiten de waard had gerekend.
ZIJN TWEE VOETEN stonden in een wijde plas.
Hij spreidde zijn benen, meer plas.
Hij snoof weer, snoof eens.
De lucht van natte cirkels kattepies drong tot in mijn neus.
Eerste impuls: heimwee.
Het gezamenlijke leven van poes en mij strekte zich in aantallen kubieke centimeters van haar urine voor mij uit.
Tweede impuls: begeerte.
Het scheen mij een leven geleden dat poes haar zachte lijf om mijn benen had gekronkeld. Ik rook haar en nu wilde ik haar.
Derde impuls: angst.
Angst op de derde plaats!
Ik haalde diep adem, want gesterkt door de hierarchie wilde ik De Weldaad eindelijk een verdiende hoek verkopen. Ik hief mijn arm en dat zag er goed uit, die opgeheven arm van eentje die op het punt staat te slaan.
Toen wrong, zoals vroeger wekelijks, de Frau P. die nog altijd in mijn kop zat, zich tussen mijn daad en mijn doel.
'Je moet in het hier en nu zijn’, prevelde zij. 'Altijd in het hier en nu!’
Ik werd driftig.
Daarmee baarde ik eindelijk de vierde impuls die ik nog ontbeerde: woede.
Woedend was ik, ik knapte uit mijn vel, ik voelde de woede in donderende golven tegen mijn borstkas slaan, mijn hart pompte zuivere razernij en het bloed kolkte mij door de aderen. Ik kookte. Als dit het hier en nu niet was, zou ik voorgoed nergens zijn. En wat dan nog? Waar bemoeide zij zich mee? Waar bemoeide iedereen zich mee? Waar bemoeide De Weldaad zich mee?
'Waar bemoeien jullie je mee?’ bulderde ik. 'Wegwezen, allemaal weg! Hier ben ik! Dan maar nergens! Ik! Ik in mijn huis!’
Ik trapte een gat in de gipsplaten wand en op kosten van de woningstichting trapte ik nog een gat. Ik greep het barokke borstbeeld dat mij al jaren op loopse wijze beloerde. Ik smeet het in stukken.
'Ik!’ riep ik.
'Niemand leeft hier op bevel in het nu!’
Maar ik interrumpeerde mezelf: 'En waarom eigenlijk niet!’
'Waarom ook niet!’ riep ik.
'Doe allemaal maar zoals het je wel dunkt! Allemaal samen fijn in het nu!’
Ik liet mij op de grond vallen. Het zweet stond mij in de handen. Mijn truitje kleefde mij aan het vel.
Ik ging op mijn rug liggen. Ik ademde steeds iets te snel. Daarom sloot ik mijn ogen en luisterde.
Ofschoon ik tegen de muren had geroepen, was de echo van mijn stem al verdwenen. De Weldaad was ’m natuurlijk gesmeerd met zijn kostelijke patenten op een geheimzinnige verdwijning. Mocht hij terugkomen, best. Hij moest vooral zijn legergroene overall dragen, voor het geval dat.
Ik was aan mijn poesje toe. Ik voelde mij sterk vermagerd na de doorstane oprispingen van vandaag. Zo was ik de dag met poes niet begonnen, zo liet ik een avond met poes niet eindigen. Een paar grammen tederheid zouden aan haar en mij niet verspild zijn.
'Wat wil jij, zustertje van me?’ fluisterde ik vanaf onze vloer. Ik schoof op mijn buik door de gang tot over de drempel naar de keuken. Ik stak mijn hoofd tussen de stoelpoten, schoof richting afvalbak en duwde met mijn neus het deksel omhoog: vochtig filterzakje met koffie, in pleepapier gewikkelde kattedrol, geperste halve sinaasappelen, rottende sla, vet boterpapier, lege zak kroepoek en kaalgevreten zalmkop. Ik liet het deksel vallen toen het langs het groenterekje ging, waarin ik de pepers, de knoflook en de paprika besnuffelde. Omdat zij niet hier was, kon zij eigenlijk alleen maar daar zijn: in de omgeving van haar bak, waar mijn emmertje stond. Opgetogen trokken mijn armen mijn lichaam door de keuken over de drempel naar de woonkamer, via de tafel waar ik graag las langs de bank waar wij graag sliepen en zij koersten op de kattebak af. Mijn neus deed de rest.
Die zei: 'Hier woont een poes en dat ruik ik.’
Terwijl haar voorpootjes ijverig in het vinyl krabden, als om haar schaamte te begraven, wreef poes mijn neus tegen haar neus nat. Ik stak mijn tong uit. Zij legde die ruwe van haar op de mijne. Wij kusten elkaar zo.
Toen kleedde ik mij uit. Ik plukte het truitje uit mijn oksels en stroopte de sokken over mijn enkels. Ik wilde haar weer kussen. Ik haastte mij. Poes sprong op en daalde neer op het bedje van trui en sokken. De poes deed zich te goed aan mijn klamme zweet. Die groef haar neus door het stug gebreide geitehaar en likte iedere korrel zout uit de vezels. Zij strekte zich op haar buik. Ik was inmiddels naakt met uitzondering van het glimmende slipje dat ik onder mijn broek trof. Terwijl zij aanhoudend van de vezels smulde, schoof ik traag dat slipje van mijn billen. Dat was toch, dat slipje had toch, deed toch echt denken aan, ik zat recht overeind en begon als een waanzinnige te lachen. De tranen rolden mij over de wangen, ik huilde van het lachen, ik krijste, dat slipje was toch zeker dat slipje, ik sjorde de boel tot over mijn voeten en wierp het poes voor de poten. Die keek op, werd de geur gewaar en stootte het rollend grauwen uit dat ik van haar kende in opperste jachtlust. Het wond mij op, mijn handen sloten om haar slanke lichaam en ik masseerde en kneedde haar onderbuik en liet los, zodat zij zich nog hitsiger op het slipje wierp, het met dierlijke roofzin aan lange flarden scheurde en opvrat.
Ik gierde van het lachen en begon uitzinnig te pissen. De emmer stond in de hoek, ik richtte mijn straal, spoot hoog, maar zover reikte die stroperige straal van mij niet. Siroop spoot ik, bitterzoete urine die schreeuwend vloekte bij het kanariegele karpet dat wij bespatten. De poes raakte op haar gemak, zakte door haar poten en besprong mij. Zij draaide zich een hol op mijn buik, dat deed pijn, maar toen zij mij bepiste dacht ik aan haar eeuwige trouw en hoe dieper haar nagels in mijn huid drongen, hoe inniger ik mij aan haar overgaf, toen zij haar kattezeik in iedere kerf van die nagels spoot, gilde ik. Zij bromde, kokhalsde eensklaps en in een wanhopige explosie van geluk braakte zij alle flarden van dat verdomde gleen steen tegen mijn raam, ik legde mijn hand in mijn kruis en waterde opnieuw, ik was thuis, bij haar. Het was avond geworden. Toen ik zag dat zij onophoudelijk verder kotste op mijn buik, kotste ik in mijn handen en besmeerde haar buik als een boterham met gal.
Wij waren thuis, samen.