Interview Rosi Braidotti

«Mijn wraak is lesgeven»

Overal neemt de mannelijke dominantie weer toe. Zegt Rosi Braidotti, directeur Vrouwenstudies in Utrecht. «In Nederland heerst een cultuur van onderpresteren,
en juist voor vrouwen is dat fnuikend.»

Op haar bank ligt een dik, gebonden boek, witte omslag, grote zwarte letters: Lady Diana. «Een fantástisch boek», zegt ze als ze ziet dat ik ernaar kijk. Het is geschreven door Guardian-columniste Julie Burchill en bevat volgens professor Rosi Braidotti (45) een van de weinige intelligente analyses van het fenomeen Diana. Braidotti is directeur van de Onderzoeksschool Vrouwenstudies aan de Universiteit Utrecht en houdt zich bezig met zaken als beeldvorming, identiteit en representatie. We komen te spreken over de beeldvorming van Diana na haar dood. Ik herinner me vooral de heiligverklaring, maar Braidotti, die in haar nog te verschijnen boek ook aandacht besteedt aan Diana en de media, vindt dat ze als een hysterica werd afgeschilderd, als het verwende prinsesje dat absoluut geen betekenis had. «Hoe simplistisch het ook klinkt, vrouwen zijn óf de dark lady, óf hysterisch, óf mystiek. Nooit wordt recht gedaan aan hun gecompliceerdheid. Els Borst en Winnie Sorgdrager zijn ook van die voorbeelden van stereotypering. Hillary Clinton…» Maar Clinton zelf toch ook? «Hij is nog altijd president van een van de machtigste landen in de wereld. Die Lewinsky-affaire heeft hem kwaad gedaan, maar ook heerst de gedachte boys will be boys. In sommige landen is de macho-bewondering voor hem zelfs toegenomen.» Heeft Braidotti de pers over Nina Brink gevolgd? Niet voortdurend, maar genoeg om te denken dat ze is neergezet als een lady Macbeth, de verpersoonlijking van het kwaad. De Volkskrant heeft hierin het voortouw genomen. «De misogynie die die krant tentoonspreidt!» Ze vertelt dat ze de laatste jaren met toenemende ongerustheid ziet hoe vrouwen in de Nederlandse media worden neergezet. In haar vakgroep zijn diverse scripties en dissertaties aan dit onderwerp gewijd. Haar voormalige collega Anneke Smelik schreef met Rosemarie Buikema en Maaike Meijer Effectieve beeldvorming, een boek over de stereotypen in de media. «Lees jij ooit een positief stuk over een succesvolle vrouw die nog in levende lijve is?» vraagt ze zonder echt een antwoord te verwachten in haar Engelse Nederlands met lekker vet Italiaans accent. Het is voor haar een van de redenen geweest zich de afgelopen jaren buiten de Nederlandse publiciteit te houden. Interviews met haar en artikelen van haar hand verschenen in buitenlandse bladen. In Nederland zijn haar bekendste boeken Beelden van de leegte (1991) en Nomadic Subjects (1995). Haar nieuwste, Metamorphoses, ligt bij de drukker. Braidotti, filosoof gevormd in de Franse traditie, houdt van het grote gebaar, de sweeping statement en de snelle verandering. Verschijnselen krijgen bij haar snel het predikaat «post». Postmodern, posthumaan, post-postfeministisch. Haar zinnen komen even snel als haar gedachten gaan, en altijd gaat het om grote, zo niet «global» verschijnselen. «Het groeiend gebrek aan water en lucht heeft altijd al op de feministische agenda gestaan.» Zelf noemt ze haar wijze van theorievorming «nomadisch» en interdisciplinair. Op de website van haar onderzoeksgroep staat good old Virginia Woolf als baken bovenaan, met een passage uit haar antioorlogsmanifest Three Guineas, die begint met «Denken moeten wij». Maar in de «virtuele bibliotheek» domineren de riot girls en de cyborg bodies. Iedereen werd acuut verliefd op de dertigjarige briljante Rosi toen ze begin jaren tachtig haar entree maakte in vrouwenstudiesland. Ze was een van de onbekende buitenlandse sprekers op een congres ter ere van het vijfjarige bestaan van het toenmalige Tijdschrift voor Vrouwenstudies. Ze was sprankelend, ad rem en leek écht in staat om op een andere manier naar de werkelijkheid te kijken. In vergelijking met de tobberige en hakkelende presentatie van een hoop Nederlandse vrouwenstudieshotemetoten, was de welsprekendheid van Braidotti een verademing. Dat welsprekende heeft ze nog steeds, evenals die «overstijgende» blik op de werkelijkheid, al lijkt ze inmiddels gesetteld onder de Utrechtse hanenbalken. Ze bewoont een prachtig oud pand in de binnenstad, samen met haar geliefde en sinds een jaar ook echtgenote. Haar thuisbasis is Utrecht, maar haar landelijke onderzoeksschool is verbonden aan zes universiteiten in Nederland. Daarnaast doet ze veel «Europees» werk, om haar vakgroep te wortelen in een groter verband én om die te promoten. Want de Nederlandse overheid, ooit zo scheutig met geld, wil eigenlijk wel van Vrouwenstudies af. En gooit daarmee volgens Braidotti een hoop tijd en talent weg. Te meer omdat in haar ogen het emancipatieproces van Nederlandse vrouwen nog niet voltooid is en er nog veel «te doen» valt. De term «Vrouwenstudies» hoor je niet vaak meer. «Op de meeste universiteiten heet het nu genderstudies, maar ik vind gender een verwarrende term. Biologen en linguïsten doen ook onderzoek naar gender. Vrouwenstudies is een ouderwetser woord, maar ook duidelijker.» Driekwart van haar studenten komt uit het buitenland. Vanuit haar voorzitterschap van het Europees netwerk Vrouwenstudies van de Europese Commissie in Brussel kan Braidotti de stand van vrouwen- en genderstudies aan de Nederlandse universiteit goed vergelijken met die in andere landen. Het internationale PhD-programma Women’s Studies is een succes, maar het aantal eerstejaarsstudenten Vrouwenstudies loopt terug. De algehele situatie aan de Nederlandse universiteit noemt Braidotti deplorabel. Er is geen geld en geen belangstelling voor onderwijs en onderzoek. «Een grote tragedie voor de Nederlandse samenleving.» De gretigheid van de overheid om de hele sectie Vrouwenstudies op te heffen ziet ze als onderdeel van de algehele backlash en het antifeminisme die in Nederland woeden. Overal ziet ze de mannelijke dominantie weer toenemen. In de media, de wetenschap, de politiek en het bedrijfsleven. Ze vindt de situatie van de Nederlandse vrouw dan ook nog altijd problematisch. «Misschien komt het door de welvaart van dit land, of doordat nu eenmaal alles hier laat gebeurt, of is het nog de invloed van de religie. In ieder geval heerst hier een cultuur van onderpresteren, van doe maar gewoon, en juist voor vrouwen is dat fnuikend. De buitenlanders werken harder en sneller.» Braidotti signaleert een Dutch paradox: «Vrouwen in Nederland zijn zeer ge ëmancipeerd en hoog opgeleid, maar als het op macht en beslissingen aankomt zijn ze nergens. Waarom maken ze zich daar geen zorgen over?» Vind je niet dat mannen zijn veranderd? «Niet genoeg. We doen alsof we gelijkheid hebben bereikt, maar er is geen enkele reden om dat te denken. Neem het essay van Aart Brouwer dat twee weken geleden in De Groene stond, over dat zogenaamd vrouwelijke waarden de wereld zouden veroveren ten koste van mannelijke. Typisch de paranoide fantasie van een man in crisis, die in plaats van de gelegenheid aan te grijpen méé te veranderen, zijn heil zoekt in het zich vastklampen aan de aloude mannelijkheidswaan. Er spreekt een verschrikkelijke vijandigheid uit zo'n stuk. Mannen geven vrouwen de schuld om de verantwoordelijkheid voor hun eigen problemen uit de weg te gaan. Zo verandert er nooit wat: vrouwen blijven huilen en mannen blijven agressief.» Praktisch is er ook niet genoeg veranderd, vindt Braidotti. «De meeste wetenschappers zijn mannen. Parttime werken betekent het einde van elke carrière. Die seksuele bevrijding is nergens op gestoeld. Krab het oppervlaktelaagje ervan af en er blijft niks over. Het individualistische denken is dramatisch. Er is ook nog zoiets als een economische orde waarin je gevangen zit. Je kunt niet je eigen ding doen! Mijn studenten denken dat de wereld aan hun voeten ligt.» Daar begint het toch allemaal mee? «Dat is een leugen! Als je in je hoek blijft zitten, kun je net aan overleven. Vrouwen nemen er genoegen mee om onder hun vermogen te presteren. Waarom?» Ze vertelt over haar schoonzus die bij Heineken werkt. «De Nederlandse zakelijke cultuur is masculien. De Nederlandse man heeft nog steeds een vrouw thuis nodig. In Scandinavië is dat heel anders.» Braidotti’s hoop is allereerst gevestigd op intensief internationaal netwerken, vooral op Europees niveau. In Brussel is het klimaat gunstig voor genderstudies, en daar zou Nederland van kunnen profiteren. Ook verwacht Braidotti veel van de jonge generatie vrouwen. The Next Genderation is de naam van het Europese netwerk van jonge feministen met wie Braidotti samenwerkt. Het cyberfeminisme dat via internet oprukt, maakt daarvan deel uit. «De cybergirls hebben meer humor, zijn meer gemotiveerd en georganiseerd dan wij waren in de jaren zeventig. Ze zijn woedend, radicaal en hebben verbeeldingskracht. Echt fantastisch!» Een soort Pokémons? «Het zijn anarcho-techno-feministen. Ze surfen over het net, vanuit Tsjechië, Japan, Australië, en zetten de mogelijkheden die internet biedt naar hun hand. Dat is nog eens wat anders dan dat shoppen op het net, dat die liberale stepfordwives zo (met vies gezicht) leuk vinden.» Haar nieuwe generatie studenten groeit op met internet, hetgeen onverwachte gevolgen heeft voor het lesgeven. «Ze worden niet geregeerd door de traditionele media en nemen afstand van de krant en de televisie. Als ze een paper moeten schrijven, zeggen ze tegen mij dat ik nooit kan nagaan of ze die niet ergens vandaan gedownload hebben. Ik hoop dat je eerlijk bent, zeg ik dan, want het is waar. Ik heb weinig macht als leraar. Ze halen hun informatie overal en nergens vandaan, en zijn wat dat betreft ongrijpbaar. Hun eerste referentiepunt is internet.» Braidotti haast zich om hieraan toe te voegen dat het hier natuurlijk de elite betreft. «Ik heb het over degenen met modem en telefoon. Het blijft een verschijnsel binnen bepaalde grenzen, namelijk die van leeftijd, etniciteit en opleiding. De opkomst van internet is niet zoiets als de uitvinding van de Gutenberg-pers. Het is een masculien Euraziatisch fenomeen. Slechts twintig procent van de huishoudens in de wereld heeft een computer. Er zal wel wat veranderen, maar er is geen grote revolutie gaande.» Wat niet wegneemt dat zij het nu vooral als haar taak ziet om met name haar jongensstudenten te doordringen van het verschil tussen oorlogsspelletjes op de computer en échte oorlog. «Bij ons technologiecollege laten we beelden zien van Koeweit na de Golfoorlog. En van de genocide in het Balkan-gebied. Laten we geluiden horen, stemmen. Om hen te laten zien en horen dat er bij een oorlog échte doden vallen en écht bloed vloeit.» Braidotti vindt het alarmerend en kenmerkend voor deze tijd dat haar mannelijke studenten de grootscheepse verkrachtingen tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië bijna als een aspect van de natuurlijke loop van de geschiedenis zien. «Ze zeggen: Ja, zo zijn wij. Het zit in onze genen. Alles wordt vanuit een biologisch determinisme gedacht, vanuit hormonen en genen. Het idee van sociale constructie is passé. Het genetisch denken biedt de perfecte onderbouwing voor uitspraken als: mannen verkrachten, witten zijn superieur. De ideologie van de jaren tachtig en negentig, dat seksueel geweld te maken heeft met socialisatieprocessen, is a dead fish. Het gaat alleen nog maar over genen nu. Ze zijn er dol op. Er zijn uitzonderingen, maar de bulk denkt zo.» Door wie laat jij je inspireren? «Ik ben een filosoof van het vaste land in de Franse traditie en ben daar erg trouw in. Poststructuralisme is voor mij een centraal punt van referentie. Gilles Deleuze, de vroege Irigaray. Maar niet één theorie kan je helpen. Ik heb geen goeroe in ieder geval. Dit is de tijd van het grote mixen. Theorie loopt bovendien altijd achter de tijd aan. Kunstenaars zijn tenminste in staat de gevoeligheid van de dag te vangen. Schrijfsters als Kathy Acker, Angela Carter en nog wat cyberpunk stuff zijn voor mij de meest accurate gidsen die ik kan bedenken.» In 1994 schreef Braidotti samen met anderen een boek over het milieu en wat eco-feministen daaraan zouden kunnen verbeteren. «Ik ben ervan overtuigd dat we terug moeten naar organisch geteelde producten. De manier waarop wij met ons voedsel marchanderen is gruwelijk. Feminisme gaat niet alleen maar over man-vrouwkwesties.» In haar nieuwe boek ontwikkelt ze dit ethische perspectief nader. Beweeg jij je als een alien door deze wereld? «Nee! I love my times!» Ze vertelt dat ze erg van veranderingen houdt en ook alleen maar veranderingen om zich heen ziet. «Ik snap niet alles wat er gebeurt, maar ik voel me geen banneling in de hedendaagse cultuur. Ik ben een optimist, al zijn dit politiek gezien beangstigende tijden, met die Italiaanse verkiezingen en Jörg Haider. En dat Europa alleen maar bezig is een fort van zichzelf te maken. Het is meer dat ik me afvraag: waarom wapenen mensen zich tegen verandering? Waarom zijn ze niet vrij? Waarom zijn ze blij met zo weinig?» En dan natuurlijk vooral: waarom mikken vrouwen niet hoger, waarom zijn ze zo weinig ambitieus? Haar generatie mannen noemt ze «een bittere generatie». «Ook linksige types, partners van feministen, zijn vaak antifeministisch.» Met een veelbelovende lach zegt ze: «Dat zijn klassieke verhalen.» Jammer genoeg is ze niet bereid me zo'n klassieker uit de doeken te doen, behalve dan in algemene termen. «Vrouwen hebben mannen minder hard nodig. Mannen zijn bang voor die vanzelfsprekende band tussen vrouwen.» Zelf had Braidotti nooit gedacht zich op een vrouw te zullen verlieven. Waarom zijn jullie eigenlijk getrouwd? «Het was deels een provocatie, deels een praktische stap. We zijn op 8 maart 1999, Vrouwendag, getrouwd. Het laatste jaar van het voorbije millennium. We waren twaalf jaar samen. We hebben een geweldige relatie, waarvoor ik graag een groot feest wilde geven. Al was het maar om mijn favoriete champagne te kunnen drinken en mijn familie en vrienden bij elkaar te kunnen zien.» Als ze niet zo relationeel involved was geraakt, was ze misschien weer verder gereisd. Het nomadische bestaan zit in haar bloed. Tot haar vijftiende woonde ze in Italië, in een klein stadje tussen Venetië en Triëst. Daarna vertrok ze met haar ouders naar Australië, waar ze filosofie studeerde in Canberra. In de jaren tachtig studeerde ze aan de Sorbonne in Parijs. «Ik wilde een feministische baan en die kon ik hier krijgen.» Niet te klein hier? «Ik hou van Holland. Ik bewonder de cultuur, het sociale systeem en de vrijheid. Aan de universiteit is het alleen een permanente strijd om vrouwenstudies gaande te houden. Godzijdank zijn de studenten geweldig. Mijn wraak is lesgeven. Het gevaar van het hoogleraarschap is dat je alleen nog maar in comités zit, bestuurlijke taken hebt en langzaam opdroogt. Ik heb dus altijd gestáán op lesgeven. Ik wilde niet dat ik daarvoor geen tijd meer had. Ik ben er dan ook nooit mee opgehouden, zelfs de introductiecolleges doe ik. Consolideer op die manier de oude feministische cultuur. Ik ben er trots op dat mijn promovenda in de instituten zijn beland. Het is een troostende gedachte dat twaalf jaar lesgeven niet uit te vlakken is. Gender does get you jobs, ook al is feminisme een vies woord geworden. Het enige wat je kunt doen is terugslaan en lesgeven. Ik geef colleges ook via internet. Het is tenslotte allemaal global nu. Je hoeft maar met twee of drie te zijn, je gaat het net op en je hebt cyberfeminisme.» Braidotti’s devies: «We must think global and act local. Ik ben even vaak aan het netwerken in het echte leven, in Brussel en in andere internationale omgevingen als dat ik het virtuele feminisme op internet ondersteun. Ik heb veel virtuele studenten die online mijn colleges volgen. Ik breng úren met hen door, geef ze les op afstand. Misschien dat in de echte wereld een backlash gaande is, in de virtuele wereld liggen we vóór op de rest.»