Mijn zegen hebben ze, hoor

In het nieuwe Hollands Maandblad proef ik een verwijt aan mijn adres. Ik zou hebben geschreven dat de literaire bladen hun langste tijd hebben gehad. Laat ik een en ander even nuanceren.

  1. Uit onderzoek is gebleken dat er minder wordt gelezen.
  2. Er is een gigantische overproduktie aan literaire boeken. 2.1. Wie mij niet gelooft, kan dit verhaal bevestigd krijgen bij elke uitgever. 2.2. Kijk ook maar eens in de antiquariaten. Die zijn overvol. Als recensent krijg ik veel boeken opgestuurd. Van tijd tot tijd breng ik die naar het antiquariaat, maar tegenwoordig wil men ze daar niet eens meer hebben. 2.3. Bij het antiquariaat kun je alle boeken krijgen die vorig jaar verschenen. Dus ook Palmen, ook Van Dis. De moderne literatuur kent geen bijzondere boeken meer. 2.4. Nog geen tien procent van de literaire boeken die worden uitgebracht, wordt besproken. Conclusie: er is een crisis in het boekenvak. Hoe zit het nu met de literaire tijdschriften? Literaire bladen hebben een taak. Die taak dienen zij zelf te formuleren. Voor het ene blad zal het zijn om ‘goede’ literatuur te publiceren, het andere tijdschrift zal alleen vrouwen aan woord willen laten en een derde zal juist de religieuze stromingen in de literatuur een podium willen geven. Voor dat literaire blad moet een noodzaak zijn. Schrijvers die eerst niet werden gehoord, worden door 'hun’ blad we`l gehoord. Daarom starten veel beginnende auteurs hun eigen tijdschriftje. Optima, Hard Gras en De Tweede Ronde zijn zo ontstaan. Die noodzaak lijkt verdwenen en veel literaire tijdschriften gedragen zich als verwende kinderen. Door (onder andere) dat gebrek aan noodzaak worden literaire bladen niet verkocht. Ze gaan dan huilen en krijgen geld van een speciaal fonds dat ze moet steunen. Ik ben daar niet tegen. Waar geld te halen is, moet je het halen. Als redacteuren zouden besluiten om geld te ste len omdat ze menen dat ze gehoord moeten worden, hebben ze zelfs meer mijn zegen dan wanneer ze hun handje ophouden bij het fonds. Maar het neemt niet weg dat wanneer niemand (ondanks de steun van het fonds) het literaire tijdschrift koopt, het literaire blad volstrekt nutteloos is. Nu mag je nutteloze dingen doen. Graag zelfs. Maar beperk dan wel je pretentie. Wil je een bijzonder literair blad maken waarvoor slechts tweehonderd lezers zijn, maak dan een blad voor, zeg, driehonderd lezers en niet voor tweeduizend lezers. Dat laatste is tegenwoordig wel de realiteit. De literaire bladen in Nederland zijn slecht. Ze ontdekken niets nieuws. Ook Hollands Maandblad niet. Daarin een column van Max Pam, die al een column heeft in NRC Handelsblad, Het Parool en de Volkskrant. Een verhaal van Kees van Hage, die al twee boeken heeft gepubliceerd. Een verhaal van Sjoerd de Jong, redacteur bij de NRC, die al een paar biografieen heeft geschreven. Een verhaal van Rascha Peper, die al 'diverse romans’ publiceerde. Gedichten van Marc Tristman, die al twee dichtbundels op zijn naam heeft staan. Egbert Wallies (1926) lijkt nu te debuteren, maar heeft, blijkens het colofon, ook al enkele gedichten in 'diverse literaire tijdschriften’ gepubliceerd. Het enige aardige aan dit blad is, dat de auteurs vrienden lijken te zijn van de redactie waarvan ik de namen ook allemaal ken uit het NRC Handelsblad: Bommelje, Doorman, Peereboom, Van Wijnen (en nu niet kinderachtig gaan doen om die laatste naam!). Zo hoort het, maar dat is dan ook alles. Maar al deze schrijvers en dichters hadden hun verhalen ook in de kranten kunnen schrijven. Met een literair tijdschrift moet een redactie iets willen wat niet in enig ander blad kan. (Zie Hard Gras en Tweede Ronde.) Als literaire bladen niet snel iets anders gaan doen dan ze doen, is het eind in zicht.