Mensen brengen bloemen na de aanslag op de concertzaal Bataclan, 15 november 2015, Parijs © Patrick Zachmann / Magnum Photos / ANP

Who’ll love the devil?
Who’ll sing his song?
Who will love the devil and his song?

Kiss the Devil, zong de Amerikaanse rockband The Eagles of Death Metal op 13 november 2015 voor het afgeladen Parijse poppodium Bataclan. Christophe Naudin (1975) kent de song uit zijn hoofd, blijkt tijdens onze ontmoeting op een terras in Parijs. De geschiedenisleraar stond die vrijdagavond met een vriend en een collega van school iets achter het midden van de zaal. ‘Het schieten begon achter ons, ik zag iemand met een kalasjnikov en begreep direct: dit is een aanslag. Er ontstond een enorm gedrang, ik ben instinctief naar het podium gelopen, weg van waar de schoten vandaan kwamen. Mijn voet raakte bekneld onder een van de gewonden maar toen ik mensen een deur bij het podium in zag gaan, heb ik me losgerukt en ben ze gevolgd. We barricadeerden de deur met een brandblusser en een zware kist.’

Ze zaten met een man of acht in een schoonmaakhok onder het groene lichtje van de nooduitgang. ‘Ik voelde het ene moment een trieste berusting: hier zou ik sterven en dat was vooral verschrikkelijk voor mijn moeder en mijn zuster. Het andere moment hoopte ik te overleven. Maar toen een van de terroristen vlak bij ons vanaf het podium begon te schieten, leek het duidelijk. Als het maar snel zou gaan, dacht ik, en ik niet zou omkomen door een brand of het instorten van het gebouw.’

Na enige tijd klonken er minder schoten; de terroristen hebben de gewonden een voor een, zo bleek achteraf, met een gericht schot van dichtbij doodgeschoten, vervolgt Naudin. ‘Toen het stil werd, begonnen we zachtjes te praten. De jongen die in zijn buik was geschoten, werd wakker gehouden maar verloor steeds het bewustzijn. De gewonde man naast me heb ik met mijn broekriem de arm afgebonden. Een meisje dat ook was geraakt huilde geluidloos maar werd door haar vriend getroost. Er was ook geschoten bij het Stade de France en op enkele caféterrassen in de buurt, zag iemand op zijn telefoon. Hij appte 112 waarna even later de raid, de antiterreureenheid, contact met ons zocht: “Waar zaten we en met hoeveel?” Het duurde en duurde. Af en toe hoorden we gehuil en kreten van pijn. Ruim twee uur hebben we in dat hok gezeten. Tot er opeens stemmen klonken vanachter de deur: “We zijn van de raid!” We waren bang, in shock, we durfden de deur niet te openen. Een moment later werd de deur geforceerd en konden we naar buiten.’

Naudin ging na de aanslagen gewoon weer naar school en is altijd door blijven werken, schrijft hij in Journal d’un rescapé du Bataclan (2020). Hij vond baat bij een psycholoog en emdr-therapie. ‘Het is heel zwaar om een gewelddadig beeld uit het verleden op te roepen, maar je leert het ergens in je hersens op te bergen zodat het niet langer opspeelt.’ Zijn nieuwe relatie met een collega van school heeft hem enorm geholpen, schreef hij in zijn boek. ‘Ik heb haar onlangs verlaten’, vertelt hij nu. ‘Ze maakt graag plannen voor de toekomst. Ik denk: o nee, je weet niet wat er morgen gaat gebeuren.’

Hij had al niet zo’n optimistische kijk op de wereld en dat is er niet beter op geworden. ‘Ik ben op mijn hoede. Mijn vrienden zeggen: “Tot snel”, en dan antwoord ik: “Misschien, je weet maar nooit.” Het lijkt zwarte humor maar er zit een kern van waarheid in.’ De aanslag heeft hem letterlijk voor het leven getekend, getuige de tatoeage op zijn arm van een doodshoofd met een kogel tussen de voortanden van het gebit.

Op 8 september, bijna zes jaar na de aanslagen van vrijdag 13 november 2015, begint in het juist gerenoveerde Hof van Justitie op het Île de la Cité in hartje Parijs het proces tegen de daders en handlangers van de bloedigste aanslag die Frankrijk sinds de Tweede Wereldoorlog heeft gekend. Het was een goed voorbereide, gecoördineerde actie van een tien leden tellend commando. Drie terroristen poogden die avond het voetbalstadion Stade de France in Saint-Denis, even ten noorden van Parijs, binnen te dringen tijdens een vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Duitsland. Toen dat niet lukte, bliezen ze zichzelf op, waarbij één dode viel.

Vijf minuten laten opende een tweede ploeg van drie man het vuur op verschillende caféterrassen in het 10de en 11de arrondissement van Parijs, waarbij 39 mensen om het leven kwamen en nog een terrorist zijn bomgordel liet exploderen, de twee anderen werden via beelden van bewakingscamera’s opgespoord en kwamen vijf dagen later door politiekogels om het leven. Een derde ploeg van drie commando’s maakte negentig dodelijke slachtoffers in de Bataclan en werden alle drie doodgeschoten tijdens de politie-inval diezelfde avond. Er vielen die dertiende novemberavond 130 doden en meer dan 350 gewonden.

President Hollande riep de noodtoestand uit. Frankrijk was in shock.

De slachtpartij in ‘de hoofdstad van verderf en perversie’ werd pas twee maanden later, op 14 januari 2016, opgeëist door Islamitische Staat, een afscheidingsbeweging van al-Qaeda. De aanslag van 11 september 2001 op de Twin Towers in New York had niet de gewenste opstand van de wereldmoslimgemeenschap bereikt. IS hing de lijn aan van Abu Musab al-Suri, die al in 2005 zijn Oproep tot islamitisch wereldverzet in het Arabisch en Engels online zette en met zijn zestienhonderd pagina’s tellend traktaat opriep om de focus van de Verenigde Staten te verleggen naar Europa als opstap naar de islamitische wereldrevolutie. De strijd diende te worden gevoerd van onderop, onder de radar van de veiligheidsdiensten. Het nieuwe proletariaat, te weten de verongelijkte jongste generatie van de moslimgemeenschap, moest via indoctrinatie in opstand komen tegen de middenklasse, terreur zaaien en islamofobie, angst voor de islam, teweegbrengen. Het ultieme doel was een burgeroorlog waaruit de islam als grote overwinnaar naar voren zou komen.

Europees doelwit werd Frankrijk, het land dat bombardementen uitvoerde op het kalifaat in Syrië en Irak. Later volgden IS-aanslagen in Lyon, Nice en elders in Europa: Brussel, Berlijn, Londen en Barcelona. De eerdere aanslagen in 2015 op het satirische weekblad Charlie Hebdo en supermarkt Hyper Caché, en de vrees voor terugkerende jihadisten uit Syrië, hielden Frankrijk dat jaar in de greep van de angst. Zouden volgens extreem-rechts en sommige linkse kringen de tekenaars van Charlie Hebdo met hun spotprenten van Mohammed de wraakactie over zichzelf hebben afgeroepen, de jongste aanslagen troffen iedereen.

Maar de beoogde burgeroorlog bleef uit. Een enorme zwijgende menigte stond eensgezind op de Place de la République in Parijs onder een gigantisch banier met het motto van de hoofdstad: ‘Fluctuat nec mergitur’, heen en weer gegooid door de golven, toch zal het niet zinken. Weerbaarheid, daar ging het om.

Christophe Naudin – ‘De gewonde man naast me heb ik met mijn broekriem de arm afgebonden’ © Thomas Doebele

‘Ik dook direct naar de grond; de mensen die over me heen liepen werden neergeschoten, ik kroop op mijn ellebogen, schuivend over de grond, naar de nooduitgang en eenmaal buiten ben ik gaan rennen tot ik een taxi vond die me naar huis bracht.’ Arthur Dénouveaux (1986) overleefde eveneens de slachtpartij in Bataclan, mede door zijn militaire opleiding in het verleden, zegt hij thuis in zijn werkkamer in Le Vésinet, even ten westen van Parijs. Hij is voorzitter van Life for Paris, de organisatie waar rond de achthonderd slachtoffers, nabestaanden of getuigen van de aanslag op de Bataclan elkaar kunnen vinden.

‘François Hollande verklaarde terreuraanslagen voor het eerst tot oorlogsmisdaden’, zegt hij. ‘De overlevenden konden aanspraak maken op tal van hulpprogramma’s, schadeloosstellingsfondsen en zelfs omscholing. Iedereen zat met vragen van fysieke, psychische, sociale of juridische aard, maar we zagen allemaal op tegen de bureaucratie. We besloten de krachten te bundelen en hebben een gidsje gemaakt met een lijst van overheidsloketten. Al snel werd Life for Paris door de overheid erkend als intermediair om de slachtoffers zo goed mogelijk bij te staan.’

Twee weken na de aanslagen publiceerde Le Monde een digitaal monument voor de vermoorde slachtoffers. Dénouveaux werd diep geraakt. ‘Je zag van bijna iedere dode een foto en iedereen kreeg via een korte biografie een gezicht. Wat zou er over mij zijn geschreven als ik het niet had overleefd, dacht ik en raakte in euforie. Er werd me een tweede kans geboden, ik wilde een betere biografie. Ik had bijna mijn leven verloren, erger kon niet. Nu moest ik doen wat ik van belang vond.’

‘Geweldig al die geboden hulpprogramma’s om te herstellen. Helaas staat de “slachtoffer-business” dit herstel vaak in de weg’

Niettemin had Dénouveaux, destijds beurshandelaar, de maandag na de aanslag een paniekaanval gekregen in de metro. ‘Ik kon doorwerken dankzij antidepressiva en hulp van een psycholoog, maar ik presteerde minder goed op de beursvloer, was sneller moe. Mijn collega’s bekeken me met een bezorgde blik en ik begon aan mezelf te twijfelen.’ Een kwart van de leden van Life for Paris is van baan veranderd of heeft zich laten omscholen, weet hij. ‘Ze wilden intenser leven, zich ontplooien, nuttig zijn, andere mensen helpen, binding zoeken met de samenleving en vooral zich van het slachtofferschap losmaken.’ Dénouveaux nam ontslag op de Beurs en heeft tegenwoordig de leiding over een filiaal van een verzekeringsbedrijf. ‘We zijn een coöperatie, er zijn geen aandeelhouders en we zijn veel meer gericht op diensten dan op winst.’

Dénouveaux is co-auteur van Victimes, et après? (2019), een essay over de status van het slachtoffer van een terreuraanslag. ‘Je wordt een oorlogsslachtoffer en in die hoedanigheid krijg je alle aandacht, staan de camera’s op je gericht en heb je autoriteit.’ Het maakt je slachtoffer voor het leven en dat is onterecht, meent hij. ‘Het is geweldig dat er tal van hulpprogramma’s worden geboden om te herstellen. Helaas staat de “slachtoffer-business” dat herstel nogal eens in de weg’, stelt Dénouveaux in zijn essay. ‘Om financiële steun te krijgen, heb je een advocaat, arts of andere intermediair nodig. De hulp van een goede advocaat of een psycholoog is het slachtoffer dierbaar, maar die mensen worden wél betaald.’ Tot zijn spijt zijn er nogal wat slachtoffers benaderd door advocaten die hun diensten aanboden. ‘Het kost de slachtoffers niets, de overheid betaalt immers. Pas als je deze complexe situatie doorziet, kun je terugkeren naar de realiteit van onze samenleving: zelfs hulp is gelieerd aan een economisch belang.’

Hij ergert zich aan de regering-Macron die de terreuraanslagen gebruikt als excuus voor het aannemen van wetten die de vrijheid van de burger steeds meer inperken. Zelf heeft hij een ander beleid voor ogen. Mede op initiatief van Life for Paris is de Universiteit van Parijs een tien jaar lang durend historisch en sociologisch onderzoek gestart naar de collectieve ervaringen en herinnering van slachtoffers, hulpverleners, omstanders en nabestaanden. Het eerste deel met daarin de getuigenissen, opgetekend in 2016, verscheen vorig jaar in 13 novembre: Des témoignages, un récit. Elke twee jaar worden de herinneringen opnieuw opgetekend waarna een nieuwe publicatie volgt, besluit Dénouveaux. ‘De langdurige aard van het onderzoek houdt mensen betrokken en kan het politieke en publieke debat voeden over de oorzaken van de terreur, over de geschiedenis die er aan ten grondslag ligt. Je kunt hiermee ook andere mogelijkheden dan vrijheidsbeperkende maatregelen zoeken om aanslagen te voorkomen.’

Hij hoopt dat het aanstaande proces reinigend zal werken. ‘Ik zal de aanslag nooit kunnen wissen maar het mag niet langer een last zijn, ik wil het op redelijke afstand kunnen houden.’

Het aanstaande megaproces, ongekend qua duur en omvang, zal acht maanden in beslag nemen. De veiligheidsdiensten staan op scherp, gezien de drie aanslagen, waaronder de moord op Samuel Paty, vorig jaar tijdens het proces tegen de verdachten van de moordaanslag op Charlie Hebdo. Het onderzoeksdossier beslaat een miljoen pagina’s, waarin 45.000 verhoren. De 1750 civiele partijen worden bijgestaan door meer dan driehonderd advocaten. Enkele honderden mensen zullen getuigen, onder wie driehonderd nabestaanden, familie van de daders en toenmalig president François Hollande die de bewuste avond in het Stade de France zat. Het hoofd van de Franse inlichtingendienst die qua cyberterrorisme sindsdien een inhaalslag heeft moeten maken, zal mogelijk verklaren hoe deze georganiseerde aanslag aan zijn aandacht kon ontsnappen. Enkele Midden-Oosten-specialisten zullen de situatie destijds in Syrië en Irak nader toelichten plus de rol van Frankrijk hierin.

Dertig strafpleiters zullen de in totaal twintig aangeklaagden – overwegend handlangers – verdedigen. Zes zullen bij verstek worden berecht. Een van hen is de Belg Ahmed Dahmani (1989), die na de aanslagen ontkwam naar Turkije, waar hij sinds 2016 op verdenking van de aanslagen in Parijs en bezit van valse identiteitsbewijzen een celstraf van tien jaar uitzit. De vijf anderen zouden de dood hebben gevonden in Syrië of Irak maar worden door gebrek aan bevestiging hiervan toch berecht. Onder hen Oussama Atar (1984), een Belg die ook als het brein van de aanslag op het vliegveld Zaventem in maart 2016 wordt beschouwd.

Drie gedaagden worden verdacht van betrokkenheid, maar zijn op vrije voeten en zullen vóór de glazen kooi in de rechtszaal plaatsnemen. Tien verdachten zouden direct betrokken zijn geweest bij de logistieke faciliteiten en zitten straks ín de glazen kooi, samen met Salah Abdeslam (1989). Hij is het enige nog levende lid van het tien man tellende commando dat verantwoordelijk wordt geacht voor de aanslagen en is daarmee de belangrijkste verdachte. De in Brussel geboren Fransman van Marokkaans-Algerijnse afkomst raakte al jong verzeild in het drugscircuit en ging zich graag te buiten aan seks, drank en rock-’n-roll, schrijft Etty Mansour, een pseudoniem uit veiligheidsoverweging, in haar juist verschenen boek Convoyeur de la mort. Terwijl zijn vrienden radicaliseerden en afreisden naar de heilige oorlog, hield Abdeslam het thuis in Molenbeek bij het bekijken van de gruwelijke beelden die zijn makkers hem toestuurden. Hij werd pas actief tijdens de voorbereiding van de aanslagen. Niet uit religieuze motieven maar om het geld, aldus Mansour.

Abdeslam zorgde onder meer voor materiaal voor de explosieven en op de avond van 13 november bracht hij drie van de tien terroristen in een zwarte Renault Clio naar het Stade de France. Zijn broer blies zich op, Salah werd tijdens zijn vlucht de volgende ochtend aangehouden bij een péage-station in Noord-Frankrijk. Hij mocht doorrijden om redenen die men tijdens het proces graag hoopt op te helderen en ontkwam naar België. Vier maanden later werd hij voor zijn huis in Molenbeek alsnog gearresteerd wegens gericht schieten op de politie eerder, waarvoor hij nu een gevangenisstraf van twintig jaar uitzit.

Sinds hij zijn wilde leven achter zich heeft moeten laten is Abdeslam streng gelovig geworden. Na een lofzang op de profeet verklaarde hij tijdens een verhoor in 2018 dat de Franse regering verantwoordelijk is voor de ‘kille en onrechtvaardige moord op vrouwen en kinderen in het Midden-Oosten en Afrika’. Voor president Macron had hij, doelend op de bombardementen die Frankrijk op het kalifaat uitvoerde, de volgende boodschap: ‘Angst zal uw grondgebied regeren, zolang u niet afziet van uw agressie en uw aanvallen op moslims.’

Abdeslam wordt beschuldigd van ‘criminele terroristische bendevorming’ en ‘moorden in bendeverband met betrekking tot een terroristische onderneming’. Twee advocaten van Abdeslam zegden eerder de samenwerking op omdat hun cliënt weigerde te spreken. Op grond van een tv-optreden koos hij zelf zijn huidige advocate: Olivia Ronen, een 31-jarige, als briljant geldende juriste die ‘verdediging van iedereen’ als haar plicht ziet en eerder geradicaliseerde jongeren verdedigde. Ronen zou op het verzoek van Abdeslam zijn ingegaan op voorwaarde dat hij zal spreken.

Tussen de lichamen op het caféterras vond Grégory Reibenberger Djamila, de moeder van zijn negenjarige dochter. ‘Ze bewoog niet, maar opende haar ogen toen ik haar naam riep.’ Een brandweervrouw riep zijn hulp in om haar over te brengen naar Le Petit Baïona, een Baskisch restaurant dat als veldhospitaal diende. ‘Ik praatte tegen haar aan, probeerde haar te activeren. “Je mag ons niet in de steek te laten! Tess heeft je nodig! Ik kan het niet alleen!” Ze noemde twee keer de naam van onze negenjarige dochter met een vage glimlach op haar gezicht, even mooi als altijd. Toen een brandweerman haar het zuurstofmasker afnam en ik hem naar de reden vroeg, gaf hij geen antwoord maar kwam er een man in het wit naar me toe die fluisterde: “Het is afgelopen.”’

Grégory Reibenberger (1970) wilde op die warme herfstavond zijn drukke eetcafé La Belle Équipe juist verlaten toen het plafond met een oorverdovend lawaai naar beneden leek te komen en het licht uitviel. Op een meter of drie van de entree zag hij een man met een automatisch geweer op zijn gasten schieten. Hij rende naar de keuken en wist met zijn twee koks via een muurtje op de binnenplaats naar het naastliggende restaurant te ontkomen.

Nu, zes jaar later, woont Reibenberger nog steeds in de uitgaansbuurt, samen met zijn dochter in een licht appartement. Zijn dagboek Une belle équipe (2016), waarin hij verslag deed van wat hem is overkomen, ligt voor hem. ‘De dagen na de aanslag liepen vele vrienden en familie rond in mijn huis, uit zorg voor mij en mijn dochter. Hartverwarmend, maar het was me te veel. Ik onderging een multidimensionaal drama: het verlies van twintig vrienden, familie, personeel en klanten. Ik wilde alleen zijn en trok me met mijn laptop terug om een dagboek te schrijven voor mijn dochter. Het was een vlucht, maar het deed me goed.’

Een paar maanden later vond hij in de wachtkamer van zijn psycholoog de bundel Écrire (1993) van Marguerite Duras en herkende zich in de tekst. ‘Schrijven betekent niet spreken. Het betekent ook zwijgen. Huilen zonder geluid.’

Zijn wijk, het 11e arrondissement, waar ook de aanslag op het kantoor van Charlie Hebdo tien maanden eerder had plaatsgevonden, is zwaar getroffen, verzucht Reibenberger. ‘Sommige mensen mijden de buurt, maar ik ben hier opgegroeid; het is mijn wereld, mijn land, mijn dorp. De buurt zou na de aanslagen haar ziel hebben verloren. Het zou hier triest zijn. Toegegeven, het geluk heeft ons niet toegelachen, maar als ik mijn buurt verlaat, ga ik naar Niemandsland, naar een ver buitenland.’

Het 11e arrondissement is van oudsher een multiculturele buurt. Er wonen buitenlanders, moslims, joden, alle gezindten; families, alleengaanden, studenten, statelozen en mensen met een zwembad op het dak, legt hij uit. ‘Precies om die reden was Frankrijk, waren wij, het doelwit van de aanslag. Onze levensstijl, ons idee van vrijheid en democratie waarin de wet boven het geloof staat, roept agressie op bij mensen met precies tegenovergestelde gedachten. Ze hebben de pest aan ons en dromen ervan om een revolutie te ontketenen.’

‘Ik ontken het gevaar van de islamisten niet, zal de daders nooit verdedigen, maar weiger de kant te kiezen van islamofoben’

Hij heeft zijn eetcafé La Belle Équipe niet verkocht, zegt hij niet zonder enige voldoening. ‘Het is geen bank, drogist of opticien geworden; iedereen van welke origine of religie dan ook kan zich bij mij etend, drinkend en met muziek amuseren.’ De tijden zijn niettemin veranderd, ervaart hij. ‘De mensen lijken onzeker geworden door al het geweld, ze zijn pessimistisch. Het zal ze worst zijn als volgend jaar bij gebrek aan een beter alternatief de extreem-rechtse Marine Le Pen wordt gekozen. Als zij president wordt, hebben we dat verdiend. Heel verontrustend.’

Over de aanslag op zijn eetcafé La Belle Équipe, waarbij twintig doden vielen, schreef Grégory Reibenberger een boek © Thomas Doebele

‘Ik heb hem niet gebeld; hij zou niet antwoorden. Ik voelde dat hij niet meer in leven was.’ Pas in het autopsierapport las Dominique Kielemoës wat Victor, haar zoon van 24, was overkomen. ‘Ze vierden met een man of tien de verjaardag van een vriendin in La Belle Équipe. Hij zat aan de eerste tafel links met zijn rug naar het raam en heeft de moordenaars niet zien aankomen. Het was te laat om zich op de grond te gooien en hij is door de kogelregen van een kalasjnikov in zijn nek getroffen. Hij was niet op slag dood, hoorde ik later van zijn vrienden. De brandweer heeft hem naar de bar ernaast gebracht. Hij ademde toen nog. Ik hoop dat hij snel is gestorven en zich niet heeft gerealiseerd wat hem is overkomen.’

Dominique Kielemoës, gepensioneerd lerares geschiedenis en aardrijkskunde, is vicevoorzitter van 13onze15 Fraternité et vérité, een lotgenotenorganisatie met 450 leden waar slachtoffers van de aanslagen diezelfde novemberavond op andere locaties dan de Bataclan elkaar kunnen vinden. Het zijn vooral ouders, legt Kielemoës uit. ‘Slachtoffers kunnen proberen hun leven weer op te pakken, voor ouders is het verlies van een kind niet meer goed te maken.’

Ze is tevens actief als locoburgemeester van het 11e arrondissement en adviseur voor gelijke rechten bij de gemeente Parijs. Mede dankzij haar inspanningen komt er binnenkort een Jardin mémorial naast het stadhuis van Parijs en is een Musée-mémorial du terrorisme in voorbereiding. Beide monumenten zullen naast een eerbetoon aan de slachtoffers ook een educatieve functie vervullen voor scholieren, vertelt Kielemoës. ‘De aanslagen zijn voortgekomen uit het verleden dat we moeten pogen te begrijpen. Vanuit die optiek werken onze leden aan preventie op middelbare scholen en bezoeken we ook jonge delinquenten in de gevangenis, een broedplaats voor de jihad. Jongeren gingen naar Syrië en Irak uit teleurstelling over het leven in Europa; achter de religieuze ideologie gaat een klassenstrijd schuil. In de ogen van de aanslagplegers, afkomstig uit immigrantenmilieus, waren de slachtoffers van 13 november 2015 anders dan zij, ze studeerden of hadden een goede baan en een toekomst.’

‘Waar het is misgegaan?’ Via de Zoom-verbinding zie ik hoe Kielemoës haar ogen opslaat naar de donkere houten balken tegen het plafond van haar vakantieadres en een diepe zucht slaakt. ‘De Loi du séparatisme die meer controle belooft, is in de maak, maar intussen hebben we de moskeeën en imams de merde, excuus voor mijn grove taalgebruik, onvoldoende in de gaten gehouden. Ze hebben de jeugd die niet eens Arabisch spreekt of de koran kan lezen gehersenspoeld. Bij gebrek aan officiële gebedshuizen in de Franse voorsteden hielden radicale imams de jeugd voor dat ze werden gediscrimineerd. Ze moesten immers noodgedwongen in kelders bidden waarna die generatie Frankrijk heeft verlaten voor de jihad.’ De cijfers variëren maar volgens het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken zijn er 910 Franse jihadisten naar Syrië en Irak vertrokken.

Eind jaren zestig verkeerde men in de veronderstelling dat het geloof zou verdwijnen, we hebben het belang van de religie totaal niet zien aankomen, stelt Kielemoës. ‘Ondanks de heftige rellen eind 2005 in de Franse banlieues, toen twee jongens op de vlucht voor de politie werden geëlektrocuteerd in een elektriciteitshuisje. Islam-specialist Gilles Kepel zei toen al dat we iets moesten doen voor de jeugd in de voorsteden, om te voorkomen dat ze zelf op zoek zouden gaan naar een uitlaatklep. Die hebben ze gevonden in het geloof. Het was een tijdbom die is afgegaan. We zullen alles op alles moeten zetten om kinderen op de lagere school al duidelijk te maken dat de laïcité, de scheiding tussen kerk en staat, geen wapen is tégen de islam of tégen moslims, maar juist de mogelijkheid biedt om je mening en je geloof in vrijheid en tegelijkertijd met respect voor andere opvattingen en religies te kunnen belijden.’

Geschiedenisleraar Christophe Naudin heeft leerlingen in de klas van verschillende origine en afkomstig uit alle milieus. Als hij ze de actuele situatie in het Midden-Oosten uitlegt en iemand een racistische uitspraak doet, gaat hij er niet op in. ‘Ik meld het de directie, die de politie belt. Dat is tegenwoordig het protocol.’ Als leerlingen meer willen weten omdat er thuis niet of juist wel over wordt gesproken, luidt het voorgeschreven antwoord: ‘We weten niet alles, het is gecompliceerd.’

In Journal d’un rescapé du Bataclan bekritiseert Naudin enkele invloedrijke stemmen in het publieke debat, onder wie hoofdredacteur Riss van Charlie Hebdo, die eerder in een redactioneel commentaar iedere moslim een potentiële islamist noemde. ‘Charlie Hebdo is niet racistisch, ook niet tegen de immigratie, identificeert zich niet met extreem-rechts, maar beweert dat links Frankrijk te welwillend tegenover islamisten staat. Het islamo-gauchisme betreft misschien een paar mensen, maar die radicale opstelling heeft ervoor gezorgd dat de huidige Franse regering een onderzoek wil instellen en onrust en verdeeldheid zaait onder het personeel op de universiteit.’ Charlie Hebdo zou volgens Naudin de pijlen moeten richten op de blanke suprematie, de extreem-rechtse ideeën binnen het leger of de politie en de Franse commerciële nieuwszender CNews, die verhalen uitzendt over onschuldige Fransen die door immigranten worden aangevallen, puur en alleen om de heersende angst te voeden.

In 2018 plakte het Rassemblement National van Marine Le Pen door heel Parijs foto’s van slachtoffers, voorzien van een oproep tot verbod van een optreden in de Bataclan van Médine. De rapper deed in zijn song Don’t Laïk – in 2016 door meer dan een miljoen mensen bekeken op YouTube – een oproep tot kruisiging van de aanhangers van de laïcité naar voorbeeld van Jezus Christus op de berg Golgotha. En onlangs verschenen er op de sociale media foto’s van de slachtoffers van de aanslagen van 13 november 2015 met de slogan: ‘Onze levens tellen’ – lees: om de terroristen in onze samenleving aan te pakken. Verantwoordelijk was het campagneteam Génération Z dat de presidentskandidatuur van journalist en islamcriticus Eric Zemmour propageert. De journalist verschijnt dagelijks in een debatprogramma van CNews waarin hij vorig jaar oktober minderjarige asielzoekers wegzette als ‘dieven, moordenaars en verkrachters’.

Naudin heeft ook kritiek op zijn eigen linkse ‘familie’, vervolgt hij. ‘Links is de klassenstrijd vergeten. Onterecht. In plaats daarvan concentreren ze zich op rassendiscriminatie en discriminatie van de religie.’ Met de steun aan islam-deskundige Tariq Ramadan heeft links de plank volkomen misgeslagen, meent Naudin. ‘Ze hebben hem lange tijd gesteund omdat hij het opnam voor de jeugd in de voorsteden. Maar lees zijn teksten en je ontdekt een uiterst conservatieve man, een homohater die heel ambivalent staat tegenover antisemitisme.’ Ramadan is al enige tijd uitgerangeerd, maar helaas niet om voorgaande politieke redenen, stelt Naudin vast. ‘Er loopt een onderzoek naar hem wegens een verkrachtingszaak.’

Hoe groter de kloof tussen links en rechts, hoe meer mensen worden gedwongen een kamp te kiezen, vreest Naudin. ‘Charlie Hebdo heeft gekozen en dat verwijt ik hen. Ik ontken het gevaar van de islamisten niet, zal de daders van terreuraanslagen nooit verdedigen, maar ik weiger de kant te kiezen van de islamofoben.’

Naudin zal niet getuigen tijdens het proces, ‘alles staat in mijn boek’.

Hij zal wel van de gelegenheid gebruik maken om als slachtoffer via een beveiligde webradio het proces te volgen. Het proces is van belang om meer te weten te komen over de logistiek en over de opdrachtgevers. De meesten zijn dood, de rest wil aandacht, vreest hij. ‘Ze zullen alleen hun mond open doen om propaganda te maken. Het proces geeft ze een publiek, een politiek gehoor.’

Hij vreest dat de politiek garen zal spinnen bij het proces in het kader van de presidentsverkiezingen in april volgend jaar. ‘Rechts zal de getuigenissen aangrijpen voor eigen politiek gewin. Oud-president Hollande zou met zijn Parti Socialiste destijds een te ruimhartig toelatingsbeleid hebben gevoerd. Het proces kan het stemgedrag tijdens de komende verkiezingen beïnvloeden.’

Sinds de verschijning van zijn boek geeft Naudin lezingen, maar hij gaat niet als vele lotgenoten langs scholen. ‘Ik praat er alleen over tijdens de oefening voor een mogelijke aanslag, die we net als de brandoefening jaarlijks op school uitvoeren.’ De afgelopen keer moest hij na het alarmsignaal zijn leerlingen naar een opslagruimte meenemen en de deur barricaderen. ‘De organisatie heeft dat waarschijnlijk uit mijn boek opgepakt’, zegt hij met enige ironie. ‘Collega’s in de rol van terroristen bonsden op de deur en vroegen of er iemand binnen was. We hielden ons muisstil maar tot mijn ontsteltenis ben ik achteraf door die situatie behoorlijk van slag geraakt.’

Naudin heeft er nog steeds last van. ‘Ieder jaar tijdens de herdenking van 13 november of na de moord op Samuel Paty krijg ik last van hoofdpijn, slapeloosheid, ben ik nerveus en kan ik me slecht concentreren. Ik droom dat ik vastzit onder een dood lichaam en raak in paniek. In de metro kijk ik voortdurend om me heen. Sinds ik bij mijn vriendin ben weggegaan, reageer ik ook heel opvliegend en ongeduldig.’

Hij heeft behoefte om ‘vrijer adem te halen’ en denkt erover naar zijn familiehuis in Midden-Frankrijk te verhuizen. ‘Het is daar prachtig en heel stil. Ik ben veranderd. Vroeger hield ik van opwinding, nu heb ik behoefte aan rust.’


Deze publicatie is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten